zaterdag 29 april 2017

Een bocht in de rivier (3);

Aan ‘A bend in the river’ (1979) van V.S. Naipaul (gelezen in 1983) heb ik de titel ontleend voor een aantal samenhangende blogs waarin Toledo en Madrid een rol spelen. De korte teksten vormen een ‘spin-off’, zoals dat zo mooi heet, van een studie ter voorbereiding van een lezing die ik in mei houd. Daarin kan een aantal dingen slechts als franje aan bod komen. Juist die zaken, waaronder verwijzingen naar ‘Arabisch Spanje’, krijgen ruimte in deze teksten op internet.

Toledo is een oude stad in een bocht van de Taag. De Romeinen zaten er. Toen hun heerschappij oploste, kwamen er nieuwe heersers uit het hoge noorden: de Visigoten. Zonder massaal over het schiereiland uit te zwermen, werden ze er wel de baas. Het christendom dat zij aanhingen, bleef zo goed en zo kwaad als dat mogelijk was, gehandhaafd onder de Arabieren die in 711 optrokken van Gibraltar tot de Pyreneeën. Na een lange strijd werd in 1492 het laatste restje kalifaat opnieuw Spaans. De sporen van die lappendeken zijn in Toledo nog steeds overduidelijk aanwezig, zoals ik hiervoor aangaf. Het feit dat er een periode was waarin christenen, joden en mohammedanen de stad deelden, lijkt te suggereren dat toen iets lukte, wat nu moeizaam gaat of onmogelijk lijkt. Alsof integratie toen wel succesvol was. Zoals vaak bij de vertaling van het verleden naar onze tijd, lijkt ook hier zich de valkuil van ‘Hineininterpretierung’ te openen. Op zijn minst was toentertijd ‘co-existentie’ mogelijk doordat de verschillende groepen in van elkaar gescheiden wijken woonden.

Diezelfde valkuil ligt ook te wachten wanneer het streven van Isabella I van Castilië om Spanje weer Spaans te maken, supernationalistisch genoemd wordt. Een soort ‘Spain first’; Trump avant la lettre. Ze trok geen muur op, wel besloot ze tot het wegzenden der joden (1492) en maakte ze een begin met de ‘repatriëring’ van (onwillige) moslims. Eind 1568 werd een grote groep mohammedanen uit Granada e.o. ingekwartierd binnen de muren van Toledo. Ze moesten aan het werk bij en voor de inwoners om ‘ledigheid’ te voorkomen. Het gebruik van de eigen taal werd verboden en hun feesten werden met argusogen bekeken. Deze en andere maatregelen waren er op gericht de afstand tot de verdachte cultuur te vergroten om daarmee de acceptatie van de katholieke levenswijze dichterbij te brengen. Al snel waren er meer dan 6.000 nieuwkomers; een deel werd buiten de stad gehuisvest. Veel mannen kwamen terecht in de ‘bouwvak’; wie op het platteland een plek kreeg, ging werken in de land- en tuinbouw.
Deze assimiliatiepolitiek bleek niet zaligmakend. Toen de laatste mohammedanen in de periode 1609-1613/14 het schiereiland moesten verlaten, bleef in bepaalde streken het land lang onbebouwd en was er een tekort aan handwerkslieden.

Nog voor sprake was van bovengenoemde ‘heropvoeding’ functioneerde Toledo geruime tijd als koningsstad van Spanje i.o. Karel V vestigde er zijn hof, wat de nodige consequenties had. De infrastructuur verbeterde, de kwaliteit van producten en diensten groeide, het inwoneraantal nam toe tot 50.000. Vanuit de bovenlaag gingen er opdrachten naar kunstenaars in en om de stad. Tegelijkertijd was er ook sprake van overbevolking: één slechte oogst en er was sprake van hongersnood. In die tijd speelde in Brabant hetzelfde rond de steden Brussel, Leuven, Antwerpen en Den Bosch. Een grote bevolkingsdruk leidde ook tot hogere prijzen, onveiligheid en kans op epidemieën. Uit deze welvarende en toch kwetsbare stad verplaatste Filips II het hof in 1561 naar Madrid, waarmee de groei langzaam aan uit Toledo verdween.

16 jaar na het vertrek van de koning arriveerde Domenikos Theotokopoulos in de stad aan de Taag. ‘El Greco’, die er zou uitgroeien tot een van Spanjes bekendste schilders uit die tijd. Hij kreeg veel voor elkaar, met uitzondering van één ding: nooit ontving hij de gewenste benoeming tot hofschilder. Het schijnt dat Filips II weinig zag in de kunstopvatting van de Griek en de voorkeur gaf aan Jheronimus Bosch en Titiaan. Deze en nog veel meer informatie is te vinden in het Toledaanse ‘Museo del Greco’. Daarin wordt ook verteld dat dit gebouw niet het voormalige woonhuis van de schilder is, want dat bestaat niet meer. Wel stond die woning in de buurt van de plek waar de bezoeker zich nu bevindt. Ook, of met name buiten het museum is op verschillende plaatsen in de stad werk van El Greco te vinden. Zoals 'El entierro del Conde de Orgaz' in de Iglesia de Santo Tomé.

Verschillende deskundigen hebben geprobeerd te verklaren hoe deze kunstenaar tot zijn ‘wat uitgerekte’ personen is gekomen. De vingers en de nekken zijn te lang, evenals de armen en de benen. Al zijn figuren zouden tot de categorie der leptosomen behoren. De enige verklaring die me bij is gebleven, luidt dat hij met een oogafwijking geboren zou zijn. Wie weet.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten