zondag 9 juni 2019

Dingetje

Dan komt er in 2119 nog een 100-jarig document uit het archief waarop de taalarcheologen (zie vorige blog: klik) hun lusten kunnen botvieren. Als snel wordt duidelijk dat het veel zegt over het zielenleven van de Nederlanders in 2019. Het was nog even een dingetje wie het onderzoek zou gaan leiden en toen dat helder was, gaf dat de specialisten een stukje rust. Ze gaan ijverig aan de slag.

Als na de eerste dag spitten, willen zij de ervaringen naar elkaar toe uitspreken. Kennelijk is er sprake van een andere auteur dan in document 1. Wel bestaan er overeenkomsten; die zijn ongetwijfeld tijdgebonden. Het gaat om een persoonlijk relaas waarin de opsteller met de lezer wil delen dat de zoektocht naar balans tot een aantal eerste bevindingen heeft geleid. Zoiets geeft natuurlijk een enorme boost om verder op ontdekkingsreis te gaan naar ‘de ware ik’. Tot dan toe leefde immers te veel het beeld ‘dit ben ik niet’. Er was afstand tot de omgeving, terwijl het verlangen bleef bestaan om vooral een verbinder te worden.

Duidelijk is dat dankzij een personal coach er een proces op gang komt waarin de contouren van de ware missie zich in de verte aftekenen. De auteur gaat er helemaal voor om te achterhalen wat er werkelijk toe doet. Waar de werkelijke passie ligt. Uiteraard zijn er allerlei rationele strategieën, maar de persoon in kwestie gaat - om het helder te houden - gewoon het eigen gevoel achterna. Steun wordt ook gezocht bij mensen (citaat:) ‘Die er echt voor me zijn’.

‘Mensenmensen’, daarbij wordt aangeklopt. En dat voelt goed. Tijdens ontmoetingen met deze vertrouwelingen waarbij zij/hij zich veilig weet, gaan de gesprekspartners diep. Worden dingen gezegd ‘recht vanuit het hart’. In alle openheid, waarbij meerdere malen wordt opgemerkt (citaat:) ‘Zo voel ik het’.

Uiteraard blijken er nog onverwerkte resten te zijn uit een verleden dat verlaten gaat worden. Er wordt met velen gedeeld en langzaam maar zeker krijgen dingen een plekje. En ervaart de onbekende auteur dat bepaalde zaken eindelijk landen. Ontstaat het beeld van hoe hij/zich zich verhoudt tot de wereld. Het gevoel is er helemaal van ‘dit kan ik; (citaat:) ‘Dit hoort bij mij. Ik weet eindelijk waar ik sta’.

Absoluut


Stel dat wat nu volgt over 100 jaar door taalarcheologen bestudeerd wordt. Zeker weten dat ze daar helemaal blij van worden. Absoluut. Het is een cadeautje, zeg maar. Ze ontdekken een eigentijdse woordenschat 2019! En zo’n vondst komt dan echt wel binnen, bij die onderzoekers.

Analyseren, uitpluizen, verklaren: ze zien hun droom uitkomen. Bij aanvang hebben ze nog helemaal zoiets van ‘dát gaat ‘m dus niet worden’. Halverwege komt het besef: 'dit avontuur leidt tot ontdekkingen die ons leven op zijn kop gaan zetten. Dit wordt echt een achtbaan, waarin we terecht komen. Of liever nog in een rollercoaster. Supermooi! Niets gebeurt zonder reden: dit hebben we verdiend!'

De reconstructie van het taalgebruik 2019 die zo optimaal mogelijk uitvoeren, bezorgt ze een tsunami van wow- en kippenvelmomentjes. ‘Echt helemaal te gek’, zullen velen zeggen. Stond zo’n ontdekking nog op hun bucketlist? Echt wel.

Hun conclusie luidt dat de auteur alles heeft gegeven en de woorden uit een authentiek gevoel op papier heeft gezet. Een opstelling waardoor de hij dicht bij zichzelf heeft weten te blijven. De naam van de schrijver is nog niet achterhaald; ... komt goed.

Duidelijk is hoe stevig de man - terwijl hij schrijft - achter de tekst in z’n kracht staat en z’n moment weet te pakken. Hij neemt z’n verantwoordelijkheid wanneer hij zich in de publieke discussie mengt die zo’n waarde lijkt te hechten aan het ‘volgen van je gevoel’.

Hun wetenschappelijk onderzoek leidt tot een publicatie. Perfect! Dat wordt dan genieten.

En de inhoud van die tekst? Gebakken lucht?

Ach ja, het is wat het is ...

zaterdag 1 juni 2019

De Bruijn ‘Open’


Organiseert Geert de Bruijn een golftoernooi? Iets met tennis misschien? Bij nadere lezing van de uitnodiging blijkt het om een ´Open Atelier’ te gaan op 1 en 2 juni. De Vughtse kunstenaar ‘pakt werk uit’, zogezegd. In zijn tuin; dus kunst in het groen. Ik doop het meteen tot De Bruijn 'Open'.

Het romantische beeld van de artiest als wereldvreemde ploeteraar op een koud zolderkamertje bestaat alleen nog stoffige romans. De Bruijn maakt zijn werk - als het weer dit toelaat - gewoon buiten. Da’s ook wel handig: het ontwerpen van zijn assemblages vraagt om de inzet van het nodige gereedschap. En in de open lucht heeft hij daarvoor alle ruimte. Op juist die plek ontvangt hij op de middagen van het eerste juniweekend de belangstellenden.

Vijf maanden geleden vierde De Bruijn zijn 35-jarig kunstenaarschap met een expositie in de Vughtse Lambertuskerk. Een beetje ‘zoals het hoort’. Met een glaasje wijn dus. Plus een inleider, want ik mocht er wat zeggen. Vandaag is er sprake van een ontspannen, gezellige theetuin. Met arretjescake.

Als ik arriveer, staan bij de ingang drie beelden. Met in de buurt de nodige recente schilderijen. ‘Assemblages’, volgens de maker. Dat woord doet me denken aan autofabrieken als die van Citroën, Peugeot of Renault. Het is de toepassing van gemengde technieken die het gebruik van dat Franse woord rechtvaardigt.

Ook op 1 juni betrap ik me erop dat ik, zoals altijd, in de eerste plaats aangetrokken word door zijn beeldtaal. Vormen, kleuren, vlakverdeling; zoiets dus. Alles met de Moedergodin als eeuwige inspiratiebron. ‘De genestelde gedachte’ - het thema dat december jl. zijn intrede deed - is veelzijdig uitgewerkt in het trio dat tegen het raam opgesteld staat.

De verrassing zit ‘m in de derde rechts. ‘Nog niet af’, roept De Bruijn. Dat mag dan zo zijn, duidelijk is dat Geert in de uitwerking een nieuwe ontwikkeling in gang heeft gezet. Een De Bruijn is nooit hetzelfde. ‘Een collega die een beeld dat succesvol blijkt vervolgens 25 keer klakkeloos kopieert, hoort tot een andere categorie’, zei Geert afgelopen vrijdag. Ook onder een kopje thee. Zijn begrip van ‘autonoom kunstenaar’ is helder. Een bevestiging hiervan volgt in zijn antwoord op de vraag van zijn dochter of een koper dat onaffe stuk nu al tegen betaling zou kunnen meenemen. 'Dan heeft die koper pech gehad'. Inderdaad: De Bruijn bepaalt wanneer iets klaar is.

Even later: ‘work in progress’, terwijl hij iets aan de zeven vogels herschikt; ze zitten nog niet definitief vast. ‘Ik wou een andere opbouw’.

Ik noem het gewaagd, die cirkels. En word vervolgens razend nieuwsgierig naar hoe dit er over een paar weken uit zal zien.

Zondagmiddag kom ik beslist terug: ‘s kijken hoe het dan met mijn nieuwsgierigheid staat. Of is het vanwege de verwondering die het decor achter de verrassing vormt?

woensdag 29 mei 2019

Visflensjes (Nieuw-Zeelands - Portugees)


Soms kom je koppeltjes tegen waarbij je denkt: ‘Hoe hebben die twee elkaar kunnen vinden?’ Nou, globaal gezien geldt dit ook voor die visflensjes: ze zijn de vrucht zijn van Nieuw-Zeelands zaad en een Portugees ei; bij wijze van spreken dan.

Afgelopen winter (daar zomer) maakten wij in Bruce Bay (NZ) kennis met een lekkernij die ons al in Nederland aangeprezen was: whitebait. In het voorjaar trekt doorzichtig visbroed langs de oceaankust op zoek naar de toegang tot rivieren. Daar staan vissers met wettelijk omschreven materiaal om een gelimiteerde hoeveelheid van dat jonge spul te kunnen vangen. Een deel van hun buit verdwijnt in de diepvries. Zo hebben huishoudens en restaurants een voorraad voor later.

Wij eten onze eerste whitebait in de volle Nieuw-Zeelandse zomer. Kleine pannenkoekjes waarbij de visjes, type glasaaltjes - met gedroogde dille en wat zout - in geklopt ei bij elkaar gehouden worden. ‘Bait’ is aas, ‘bite’ is beet; van mij had het ook whitebite mogen heten, want je zet je tanden echt in knapperige vis.

Weer in Nederland experimenteer ik - bij gebrek aan dit soort klein aasgoed - met verschillende soorten kortgesneden vis; ik krijg geen beet. Bovendien blijft de consistentie van de petieterige flensjes zwakjes: ze vallen in de pan gemakkelijk uit elkaar.

Dat laatste lijkt eenvoudige te verhelpen. Midden mei maken we een autotrip door de Alentejo. We overnachten in pousadas waar de restaurants gerechten uit de lokale Portugese keuken aanbieden. In eentje bestel ik ‘crepe de peixa’. De flensjes die ik opgediend krijg, ontlenen de zo gewenste structuur (of samenhang) door de toevoeging van wat bloem. Simpel zat.

Op zaterdag 25 mei klop ik beslag waarin het volgende verwerkt zit:
·         3 eetlepels bloem
·         2 eieren
·         koffieroom uit 1 cupje
·         1 theelepel gedroogde dille
·         222 gram zeer (echt zeer) fijngesneden kabeljauw 
·         peper en zout

Die 222 gram is toeval; bij de visboer had ik gewoon een stuk aangewezen. Het bleek wel de ideale hoeveelheid.

Afijn, ik zette het beslag even weg om ondertussen wat rauwe groentes schoon te maken.
Op hoog vuur wat boter met olie op temperatuur brengen. Met de lepel kleine hoeveelheden beslag in de pan doen (foto 3) en aandrukken tot 5 mm. Na een tijdje met spatels omdraaien en opnieuw wat aandrukken. Vuur laag. Nog paar keer wentelen tot de flensjes aan beide zijden knapperig bruin zijn.

Ik doe de exemplaren die klaar zijn zolang in een schaal die in de warme oven staat en daarop maak ik de volgende ‘lading’. Uiteindelijk haal ik uit de massa acht flensjes, voldoende voor twee personen.

Oordeel: prima vissmaak en goede consistentie. De knapperigheid zit ‘m in de krokantheid van de flensjes (foto 1). De ‘bite’ van de ‘bait’ zit in mijn hoofd.

Een aantal druppeltjes citroensap erop is ook best lekker!



maandag 27 mei 2019

Dagboek Portugal (8, slot); wat een dag: Romeinen, Leda en ook nog de cataplana


21/05
‘s Morgens maken we vanuit de pousada een wandeling door de heuvels bij Estoi. De boomgaarden met olijf-, amandel- en vijgenbomen zijn of worden geploegd. (Groeien vijgen nou aan bomen of zijn het struiken?)

De aanwezigheid van die derde soort kun je al van een afstand ruiken. Bovendien komt ook geur van tijm in de lucht als je per ongeluk op zo’n plantje trapt.

In het landschap liggen nogal wat nieuwe villa’s. Wat afgelegen misschien? Ik ben de enige van ons thuis (vijf kinderen) die nooit jaren aan een stuk in het buitenland heeft gewoond. Graag ben ik weg, graag kom ik terug waar mijn wortels liggen.

Na de lunch wandel richting centrum waar veel reclame wordt gemaakt voor de a.s. Europese verkiezingen. In de buurt van de kerk moet ik de de afslag nemen naar dé Romeinse opgraving van het stadje. Het lijkt niet moeilijk: toch mis ik het bordje ‘Milreu’. Doostappen dus.

Op enig moment vraag ik de weg aan een dame (van mijn leeftijd?) die in haar tuin staat te werken. Eerst in het Engels. Vervolgens Spaans: ‘¿Las ruinas de Estoi?’ Uiteindelijk verportugees ik die woorden uit het buurland; klinkt als: ‘Asj ruinazj dou Estoi? Voilà, dat slaat aan en het antwoord volgt. In het Frans. Ik moet terug naar de ‘route de Faró’. ‘Merci bien, madame. Bonne journée à vous’. Zo blij da’k vroeger op school goed opgelet heb.

Komend van deze kant struikel je over de bordjes die de belangstellenden de goede kant heen loodsen. En inderdaad, aan de oude weg naar Faro, iets buiten het plaatsje, ligt de Villa Romana de Milreu, gebouwd in de periode 2de-4de eeuw v. Chr. Eigenlijk betreft het vooral de opgegraven fundamenten.

Een interessante plek die - net als de toren en het kasteel van Beja gisteren - met hulp van o.m. het Europese Fonds bezoekklaar gemaakt is. Troffen we zo’n 30 jaar geleden vooral het EG-logo aan als (mede)financierende partij bij infrastructurele projecten, inmiddels zien we elke dag wel een ‘injectie’ bij een toeristisch object.
De entree bedraagt €2. ‘Niet veel. En terecht’, denk ik. ‘Hier heb ik tenslotte aan meebetaald’. Haha.

Aan de Romeinse villa werd drie eeuwen lang gebouwd en verbouwd. De verschillende stadia zijn op basis van aanwijzingen in de resten te herkennen. Er waren een badhuis, een werkplaats voor wijnproductie, verschillende woongedeeltes. Veel mozaïek. De overblijfselen van een vroegchristelijke tempel vormen het enige deel dat nog overeind staat. Daar zijn vroeg-christelijke en mohammedaanse graven aangetroffen.

Wat geheel intact lijkt, is een boerenhoeven uit de 19de eeuw. Buiten en vooral binnenin is te zien hoe dit gebouw wel en niet gebruik heeft gemaakt van de Romeinse infrastructuur. Het zou mij overigens niet verbazen wanneer zou blijken dat de muren opgetrokken zijn uit Romeins materiaal. Vaak dienden die oude huizen en tempels voor latere generaties als ‘steengroeve’.

Vervolgens loop ik weer terug richting pousada.

Deze keer verblijven we niet in een voormalig klooster. De pousada bevindt zich in een paleis. Vroeger woonde hier de baron van Estoi. De familie had uiteraard niet, zoals de kloosterlingen, de drie geloftes afgelegd van gehoorzaamheid, armoede en kuisheid. Het gerestaureerde hoofdgebouw getuigt in elke hoek van de toenmalige rijkdom.

Naar de kuisheid valt te raden. Tegeltableaus en plafondschilderingen maken het met hun keuze voor thema’s uit de klassieke oudheid mogelijk een reeks half- of bijna geheel naakte vrouwen en mannen te tonen. Leda en de zwaan zijn er ook bij, waarvoor het werk van Michelangelo (klik) als voorbeeld diende. En voor wie denkt dat de zwaan geen piemel heeft, nou die zit er wel degelijk aan. Vogels niet, eenden wel. (Waar zouden we zijn zonder Wikipedia?)

‘s Avonds eten we voor de tweede dag om 20.00 uur in het uitstekende restaurant van de pousada. Opnieuw vormen gekonfijte vijgen gevuld met licht gepeperde queijo serra het voorgerecht. Daarna volgen groenten, gegaard in een cataplana; een bereidingswijze (vaak voor visgerechten gebruikt) die teruggaat op de Moorse aanwezigheid hier. Een Portugese aguardente dient als slaapmutsje. Op tijd pitten, want woensdag gaat om 04.00 uur de wekker. Het vliegtuig vertrekt om 06.35 uur van Faro.

Onderweg naar Eindhoven sla ik de lijvige pil ‘De Bourgondiërs’, van Bart Van Loo weer open; pagina 457. Het lukt me om dit prachtige boek ruim voor aankomst in Eindhoven uit te lezen. In het najaar pik ik een draad op die ik zeven jaar terug terzijde legde. In september a.s. begin ik als inleider bij Boschlogie III met de herziene module ‘Den Bosch, Spaanse stad in Brabant?’ De kennis opgedaan tijdens de recente trip door dit deel van het Iberisch schiereiland en tijdens het lezen van Van Loo’s boek, zal zeker meegenomen worden.
Het was een mooi hernieuwde kennismaking met Portugal. 'Obrigado; até logo!'






.

zondag 26 mei 2019

Dagboek Portugal (7); een oud lenteritueel


20/05
Na het ontbijt (buiten in de zon) lopen we nog even door de Pousada Convento Beja. Net iets voorbij onze kamer (een omgebouwde cel van de Minderbroeders) ligt links een grote hal. Ideaal voor een presentatie, lijkt me.

Uiteraard is er ook een kapel en een flinke tuin. De oudste vermeldingen over de aanwezigheid van het klooster dateren van 1268. Na de opheffing van de ordes, in dit geval die der Franciscanen, trok het hoofdkwartier van de infanterie in het lege gebouw,

Vervolgens gaan we Beja (bee-zje) in. Het stadje is door Julius Caesar zelve gesticht in 48 v. Chr. als Pax Julia. Grappig dat een veroveraar het woord ‘vrede’ gebruikt.

Als we door de hoofdstraat lopen, zien we kleine bruidjes. Communicantjes? Op maandagmorgen? Bovendien zijn ze iets te jong. De trotse vader van een van de deelneemstertjes legt een en ander uit.

Het is het feest van de Maias (As Maias de Beja); een traditie die teruggaat op de Romeinse tijd. De lente wordt gevierd. Nu kiest elke straat een Maia. De kandidaten (op foto onherkenbaar gemaakt) zitten op een troon, omgeven met bloemen en palmtakken die verwijzen naar die lente en naar de vruchtbaarheid van het land.

De temperatuur is met 22°C aangenaam. (In de zomer is Beja regelmatig de warmste plek van Portugal.) Een fris briesje begeleidt ons. Het bovenste deel rond de vesting oogt het meest interessant. De toren van het middeleeuwse fort is al van een afstand te zien.

Een vrouw die haar hond uitlaat, wijst zonder woorden naar links. Kennelijk moeten we door een poort naar een pleintje. Daaraan ligt een kapel. Deze blijkt te behoren bij het Santa Casa de Misericórdia de Beja, een gasthuis dat eind 15de eeuw ontstond. Religieuzen en leken maakten er werk van de zorg voor armen, leprozen en andere behoeftigen.

De Capela de Nossa Senhora de Piedade heeft een met bladgoud versierd barok interieur. De dame die er ‘op de ontvangst staat’, geeft aan dat een stichting het werk van de stichters voortzet.

Het is nu niet ver van het middeleeuwse kasteel. De restauratie is (recentelijk) uitgevoerd met een bijdrage van de EG. We beklimmen de toren en 152 stenen treden later hebben we een mooi uitzicht over de witte hooggelegen stad.

Bij de pousada halen we de auto op, doen onderweg inkopen voor de lunch en gaan richting tolweg.

Als we de grens met de Algarve gepasseerd zijn, neemt richting kust het aantal reclameborden toe: voor een dierentuin, een waterparadijs, een makelaar in luxe onderkomens. Gelet op de huizen in het heuvelende landschap hebben de nodige lieden hier boven Faro hun makelaar weten te vinden. Het boerenlandkarakter heeft plaats gemaakt voor een sfeertje dat direct met ontspanning, vakantie en misschien ook luxe in verband gebracht kan worden.

Tegen 16.00 uur arriveren we bij Estoi, waar we een weg met kleine kasseien oprijden richting het laatste onderkomen van deze trip. Twee nachten zullen we verblijven in Pousada Palácio de Estoi. Vanaf ons balkon zien we aan de horizon de zee.

Dagboek Portugal (6); baby-Portugees en poreus marmer

19/05
Manuel II was de laatste koning van Portugal. Na zijn afzetting in 1910 leefde hij in Engeland. Zo kwam het familiepaleis van ‘het huis van Bragança’ leeg te staan. Nu is het - met stichting als rechtsvorm - open voor het publiek. Het gebouw is - aan het ruime centrale plein in Vila Viçosa - de grote buurjongen van ‘onze’ pousada

We bezoeken het paleis o.l.v. een gids. Op zondag vinden de rondleidingen alleen in de landstaal plaats. We blijken de enige buitenlanders in de groep. Het Portugees lijkt op het Spaans. Zeker als je het leest. Uitgesproken klinkt het als ‘boejz de goejz de beujz’. Dankzij de kennis die we van het Spaans hebben, weten we voldoende te ontcijferen om het verhaal te kunnen volgen. In navolging van de Duitse komiek Hans-Peter Kerkeling noemt mijn vrouw onze prestatie ‘baby-Portugees’.

Als eerder gezegd, is het in tegenstelling tot onze vroegere tochten hier, niet (echt meer) nodig om Frans te spreken: Engels is de gezamenlijke taal geworden. Spaans had ook gekund, alleen is dat in dit land net zo geliefd als het Duits in Polen.

Het voelt als een bezoek aan Het Loo in Apeldoorn. (Met dit verschil uiteraard dat het huis Oranje-Nassau nog op de troon zit en de regerend vorst zijn getwitterde felicitaties aan Duncan Laurence lekker zen kan onderteken met WA en Máxima.)

Heel prachtig allemaal. Veel kunst en ambacht. Waaronder wandkleden uit Brussel en Mechelen, plus tapijten uit (inderdaad) Arraiolos. Op het toppunt van macht woonden er 500 personen: de hertog, een roedel edelen en bedienden. ‘En maar mee-eten’, riep Wim Sonneveld. In de keuken tel ik al gauw 300 koperen pannen. (Er was een blinde hoek; ruw geschat kom ik 400.) Hierna  gaan we naar de tuinen en hier mogen we foto's maken. We verlaten het complex via de 'Poort der Knopen'.

Na de laatste koning volgden tot 1926 de verschillende (45) kabinetten elkaar snel op. Om een eind te maken aan de stoelendans, verscheen er (zoals vaak) een sterke man op het toneel en wel in de persoon van António de Oliveira Salazar. In buurland Spanje gebeurde in ongeveer dezelfde tijd ongeveer hetzelfde. De republieken van Salazar en Franco hielden het op dictatoriale wijze bijna vier decennia uit. Van Salazar moet gezegd worden dat hij al snel de staatskas op orde had en het analfabetisme in 1940 teruggebracht had van 80% tot onder de 50%. Verder was het, zoals in Spanje, ellendig voor wie niet in de pas liep. Tot veler verbazing werd in 2007 tijdens een radio- en tv-referendum dezelfde Salazar met 41% verkozen tot de grootste Portugees aller tijden.
Toen ik drie weken terug op een zeer verlate boemel stond te wachten in het Italiaanse Caravaggio, riep ik naar mijn nichtje toe dat onder Mussolini - ook zo’n frisse fascist - in elk geval hún treinen op tijd liepen!

Terwijl ik naar de rijke inrichting van het paleis kijk, denk ik: ‘Mijn ouders konden in 1910 al lezen: aap-roos-zeef-muur. Met het katholieke leesplankje. Van R.K. Jongensweeshuis Zwijsen in Tilburg. Op hun 12de moesten ze aan het werk; dat dan weer wel. Op het platteland van de Alentejo moeten in de landbouw de middeleeuwen tot in de jaren ‘50 voortgesudderd hebben.

Iets verderop bevindt zicht het Museo do Mármore. Op veel plekken in deze streek zie je - vergelijkbaar met de afvalbergen bij de (voormalige) steenkolenmijnen - in dit geval hopen witte, dooraderde blokken boven het landschap uitsteken. Onbruikbaar. Wat voldoende zuiverheid bezit, maakt Portugal, na Italië, tot tweede marmerproducent van de wereld. Over een oppervlakte 40 bij 12 km zit hier (voorlopig nog) genoeg in de grond. Het resultaat van eeuwen ‘druk’ op samengeperste (schelpen)kalk uit tropische zeeën, over klimaatverandering gesproken.

De stad noemt zich ‘Vila de Mármore’. In de periode 19  28  juli vindt hier de eerste editie plaats van een internationale ‘marmermeeting’ plaats: ‘Alstones. Alentejo’s Stones in the World’.

Dit en andere wetenswaardigheden komen we aan de weet in het museum. We worden hier rondgeleid door een dame die tot onze verrassing uitstekend Nederlands spreekt. Geleerd in Rotterdam toen zij daar op school (havo) zat.

De familie keerde zoals bij veel gastarbeiders uit Griekenland, Spanje en Portugal het geval was, na enige tijd terug. Haar vader - hij had in zijn jonge jaren in het marmer gewerkt - kreeg op latere leeftijd last met ademhalen. 80% van de beroepsbevolking van het stadje is rechtstreeks of indirect betrokken bij de marmerindustrie. Het werken in de dagbouw (bij de particuliere ondernemingen) wordt in de praktijk geleerd. Omdat mond-neuskapjes en oorbeschermers niet populair zijn, komen stoflongen en doofheid vaak voor. 

Mijn moeders vader Harrie en haar broer Jan - steenhouwers - leden eveneens aan silicose.

Wat is niet wist: marmer is poreus. 

Dan rijden we verder naar de volgende halte: Beja. Daar melden we ons bij de receptie van Pousada Convento Beja. De historie van dit voormalige klooster der Minderbroeders gaat terug tot 1268. Oorspronkelijk lag dit Franciscanenklooster buiten de muren van de oude vesting. Inmiddels bevindt het zich aan de rand van het oude centrum.