maandag 17 december 2012

Karel en de bultrug



Wat hebben Den Bosch, Gent en Toledo gemeen: Karels Kop. In de eerste stad is dat letterlijk. Daar staat het hoofd van Karel V, hertog van Brabant, koning van Spanje, keizer van Duitsland op de koer van Het hof van Zevenbergen. Dat stadspaleis aan de Keizerstraat was zo'n vijf eeuwen geleden het logeeradres van de vorst binnen onze muren.

Met name dankzij de inspanningen van de Kring Vrienden van 's-Hertogenbosch is dat konterfeitsel daar gekomen. Het loopt niet erg in het oog. 

In Gent zit nog een heel lijf aan die kop. Misschien niet zo verwonderlijk: Karel V werd in deze Vlaamse stad geboren. Ook daar bevindt de vorst zich niet echt 'in de loop'. Je moet de keizer zoeken in de toeristische luwte aan het Prinsenhof.


Wie het eenmaal heeft gevonden, kan in de directe omgeving de nodige herinneringen aan de landsheer vinden



Deze vertoont in zijn moederstad twee gezichten: dat van de geëerde én van de gevreesde heer. In die tijd was er weinig discussie. Een aangespoelde bultrug werd ongetwijfeld met gejuich onthaald en vervolgens opgegeten door de strandjutters en hun familie. Hoezo een stille tocht voor zo'n gedesoriënteerde berg vlees? Karel liet lieden die hun routeplanner richting Luther hadden gezet, zonder vorm van pardon naar een andere wereld helpen. Hun namen hangen in het 'Donkere Poortje' als een teken aan de wand.

En dan Toledo: ook een compleet beeld. Bijna een tweelinghelft van wat in Gent staat. Ook dit hoeft niet zo verwonderlijk te zijn, want het Gentse exemplaar is een geschenk van deze Spaanse zusterstad. 


In de voormalige Spaanse hoofdstad zie je Karels Kop niet echt over het hoofd. Volg de wandelroute langs de oude stadsmuur en in een draai naar buiten van zo'n prachtige Arabische poort - en die zijn er daar méér dan een - tref je de granieten keizer aan.


Karel staat daar als een wachter. Zijn grootouders van moeder kant, hadden in 1492 een eind gemaakt aan de Moorse overheersing. En wie van de overwonnenen uiteindelijk niet van zins was om katholiek te worden, kon vertrekken. Al sneed het land zich daarmee flink in de vingers - veel arbeiders en boeren konden niet opgevolgd worden - geen gemeut. Zo was dat toen.


Toledo is als een openluchtmuseum aan de Taag. 3000 jaar Spaanse geschiedenis, in steen gedocumenteerd op een heuvelrug.

Had ik me toch bijna 'bultrug' geschreven. 

woensdag 12 december 2012

Kapel aan de Maas


Den Bosch staat dezer dagen bol van wat er nog meer op de Markt moet komen. De aanwezigheid daar van een stenen Jeroen Bosch en drie blikken viskramen laat zo’n zee aan ruimte over, dat zelfs een blind paard er nauwelijks kwaad kan. Plek zat dus voor nog het een en ander. ‘Het puthuis moet terug’, roept de ene club. ‘En het Mariakapelleke’, vindt de andere partij. ‘Want’, zeggen ze allebei, ‘Die stonden er in het verleden ook en ze passen bij de identiteit van de stad. Bovendien vormen ze voor de toeristen een leuk fotodecor’. Volop discussie in de gemeenteraad, alarmfase rood bij de afdeling ‘ingezonden brieven’ van de lokale krant. Een curieus verschijnsel, deze commotie. Misschien ook een teken aan de wand. ‘Gezeik op ‘nne riek’, als je het mij vraagt.

Terwijl de opgewonden palavers dag na dag een vervolg krijgen, ontwikkelt zich binnen onze gemeente één monumentje tot een  plek van betekenis. Het daar aanwezige gebouwtje stond er, weliswaar in een ander formaat, vroeger ook. Het sluit volkomen aan bij de identiteit van Den Bosch en ach, het valt beslist fotogeniek te noemen. Zeker in de winter, terwijl de bomen geen blad dragen. De Mariakapel van Empel. Inderdaad, ongeveer tegenover die lachende uitspanning. Hoezo?

Ik heb hier al eerder een blog aan gewijd. Het gebedshuisje verwijst naar een slag die er ter plekke in 1585 plaats vond tussen de Spaanse troepen en de Staatse opstandelingen. Uiteindelijk behaalden de soldaten van de landsheer een nipte overwinning. Dankzij de hulp van Maria, zegt het verhaal. En dankzij dit wonder is Maria Onbevlekte Ontvangenis de patrones geworden van zowel de Spaanse Infanterie als van geheel Spanje. De viering daarvan mocht ik eerder deze maand meemaken op het thuishonk van de landmacht: de Academia Infantería de Toledo. Een indrukwekkende gebeurtenis.

In 2007 hebben Spaanse militairen de weg die hun voorgangers in 1585 tussen Genua en Empel te voet aflegden, herhaald. Nou ja, vooral per bus dan. Sindsdien groeit het aantal bezoekers uit ons voormalige moederland naar die lieu de mémoire. Afgelopen 8 december 2012 betrof het een groep van 40 personen.

Religieuze en historische motieven vormen de basis voor de komst van die zuiderlingen naar dit monumentje aan de Maas. Soms ben ik zelf bij dit soort bezoeken aanwezig, zoals op 8 juli van dit jaar. Steeds weer raak ik bewogen door de betrokkenheid die ik ontmoet. Ik respecteer de uitingen van geloof en deel de geschiedkundige band. Het staat me niet bij dat aan de bouw van die kapel ook maar enige discussie in gemeenteraad of krant is voorafgegaan. De waarde van dit monument heeft zich in de tijd bewezen. In alle rust.

maandag 10 december 2012

La cocina (16); salmón con manzana

Na een drukke 7de december 2012 gaan we ’s avonds met een aantal ‘Amigos del Camino Español de Los Tercios' aan tafel. Het centrum van Toledo is prachtig aangelicht als we rond 21.00 uur richting ‘Museo de Productos de Castilla la Mancha’ wandelen. Dat is net zomin als het Madrileense ‘Museo del Jamón’ een museum: je kunt er eten. In ons geval ‘raciones’, hebben we van tevoren te horen gekregen. Fors uitgevallen tapas, zeg maar.

En passant zullen journalist-auteur Fernando Martínez Laínez, vice-voorzitter Juan Vicente Elices Mateos en ik de opzet voor en de haalbaarheid van een Spaans-Nederlandse studiedag bespreken. Die zou in de lente van 2013 in Den Bosch plaats moeten vinden.

Met ons gezelschap van 15 personen vullen we maar een klein gedeelte van de eetgelegenheid. Naar Spaanse begrippen zijn we wat aan de vroege kant. Als we iets na middernacht het etablissement verlaten, zit de tent aardig vol. En wij ook. Een keur aan heerlijke gerechten is door ons met smaak soldaat gemaakt. Curieus woordgebruik overigens in dit gezelschap houwdegens van de Spaanse Infanterie. Tevreden zijn Alfonso, Juan Vicente en ik over het gekozen thema: ‘De Tachtigjarige Oorlog en propaganda’.

Die ochtend heb ik binnen de muren van de Academia Infantería de Toledo voor een zaal van 450 toehoorders een voordracht gehouden waarin dit onderwerp ‘meeliep’. Bijvoorbeeld bij de weging van Willem van Oranje en de hertog van Alva. In beide landen wordt dit tweetal totaal anders gewaardeerd. In ons land excelleert Willem in het volkslied als de vader des vaderland, die het als gewetensbezwaarde moet opnemen tegen de ko-ho-honing van Hispanje. Inmiddels blijkt ook bij de Academie de studie van de onlangs overleden Leo Adriaenssen bekend waarin diezelfde Pater Patriae genocide aangewreven wordt. Beeldvorming. Propaganda. Eerder heb ik daaraan rond wat gebeurtenissen in 1629 - de val van Den Bosch - een artikel gewijd.

Tevreden dus na  afloop op weg naar ons onderkomen bij de Academie.

Als ik een paar dagen daarna thuis in de keuken sta, probeer ik een van de gerechten ‘na te maken’: gerookte zalm met appel. Als bodem dienen sneetjes korstloos wittebrood. Die bedek ik met flinterdunne schijfjes zure appel. In dit geval Granny Smith. Vervolgens breng ik een laagje zachte smeerkaas aan, die opgepept is met een mespunt mierikswortelpasta en wat zout. Dan volgens gerookte zalm, weer wat zachte kaas en appelschijfjes. Het geheel wordt afgemaakt met aangelengde Limburgse rinse appelstroop. Het komt aardig in de buurt van wat wij bij voorgeschoteld kregen. In elk geval zit ik nog na te genieten terwijl ik dit schrijf. Groente? Gemengde sla met wat mosterd-honingdressing. Que aproveche.

zondag 9 december 2012

Toledo: wonder

Om een lang verhaal kort te maken: dezer dagen valt de naam van het Brabantse Empel vaak in het Spaanse Toledo. Daar staat de Academia de Infantería; de voorgangers van de huidige grondtroepen vochten in 1585 bij het Maasdorp tegen de opstandige Hollandse troepen. De koninklijke infanteristen hadden het zwaar te halen. Dankzij de hulp van Maria kregen ze op 8 december de wind mee, in elk geval lang genoeg om behouden naar Den Bosch terug te keren. Hun aanvoerder maakte Maria tot de patrones van zijn troepen en in de loop van de jaren werd zij als Maria Onbevlekte Ontvangenis de beschermvrouw van zowel de Infanterie als geheel Spanje.

De nationale feestdag ‘Maria Inmaculada’ wordt uitgebreid gevierd op de Toledaanse Academie. Net zoals vorig jaar mag ik die viering bijwonen in het gezelschap van een Empelse vertegenwoordiging. In het kader daarvan sta ik op vrijdag 7 december 2012 voor een volle zaal met 450 cadetten en hun officieren. Mijn lezing heb ik genoemd 'El milagro de Empel. Españoles, Flamencos, holandeses'. Het verhaal over het Empelse wonder van 1585 is ook aanleiding tot een kort relaas over mijn onderzoek naar de Spaanse periode van Den Bosch. En over hoe de Spanjaarden in de loop van de Tachtigjarige Oorlog een onderscheid gingen maken tussen Flamencos en holandeses. Met Flamencos  - Vlamingen dus - duidden zij aanvankelijk zowat alle bewoners van de Lage Landen aan. Om begrijpelijke redenen gingen de opstandelingen holandeses heten. Ik heb me goed voorbereid en mijn vrouw laat onder mijn verhaal de plaatjes op het scherm verschijnen.

Een paar uur later lopen we door het centrum van Toledo. Onderweg komen we drie cadetten tegen en we begroeten elkaar in het voorbijgaan. Een minuut later staan ze weer bij ons. Ze zijn op weg naar de kathedraal en de studenten vertellen dat ze daar een banier aan de toren gaan hangen met daarop een afbeelding van María Inmaculada. Ik dank ze voor de informatie en ga een uur later kijken bij de kerk. Ze zijn bijna klaar met hun werk en we groeten elkaar nogmaals. Het zit er kleurrijk uit. Ik bedenk me dat dit land een scheiding kent van kerk en staat. Inmiddels verwonder ik me niet meer over de praktijk daarvan.

's Avonds op weg naar een concert van de 'Unidad de Musica' van de Academie, is het zicht op de verlichte stad van een grote schoonheid. Morgen vindt de grote parade plaats; ongetwijfeld weer een indrukwekkende gebeurtenis.

vrijdag 30 november 2012

Helemaal oké


Vóór mij bij de slager is een jonge, goed verzorgde vrouw. ‘Ik heb graag twee biefstukjes’. Ze mag kiezen: haas, kogel of Hollands. ‘Oké, wat is het verschil?’ Verbaasd volg ik de toelichting van de vakman; een geboren pedagoog.  ‘Oké, doe dan maar van de haas’. Op de vraag naar het gewenste gewicht, komt als reactie: ‘Oké, wat is normaal?’ Dat vraag ik me zo langzamerhand ook af. Met twee maal 150 gram gaat ze richting pinapparaat. Op het punt de winkel te verlaten, draait de dame zich abrupt om: ‘Oké zeg, hoe bak ik die dingen eigenlijk?’ Verbijsterd hoor ik aan hoe de slager onverstoorbaar uitleg geeft. ‘Helemaal oké. Bedankt meneer. Fijne avond’. 

donderdag 29 november 2012

'Hij bestuit zijn vrouw'


Het is vooral in ‘den vreemde’ dat het taaleigen opvalt. Zoals woensdagavond 28 november, samen met de jongedame aan tafel bij ‘Tíos’. Daar, op de miniboulevard van Kijkduin, peuzelen we al keuvelend de lekkere verzameling hapjes op, vanaf een etagère voor ons. Een aanrader, dit gerecht: Tíos’ Trots, zeg maar.

Kijkduin dus, 140 km bij mij vandaan, voor haar bij wijze van spreken om de hoek. Mijn accent moet in die ruimte voor een buitenstaander boterzacht klinken tussen wat hier van de verschillende tafels opklinkt. Ik heb al iemand een oudere dame met ‘buuffie’ – hoe spel je dat eigenlijk? – horen aanspreken. ‘Even een bakkie doen’ kan elk ogenblik gezegd worden. Uiteraard vermijd ik typische brabo-woorden in contact met bijvoorbeeld de bediening en waag mij niet aan ‘schoonbroer’ of ‘mondfiat’. In mijn gezelschap schakelt ook de jongedame een bietje over, en wel richting zuid, wanneer zij vertelt dat ze die ochtend om 08.00 uur aangereden is. Thuis vertrokken dus. Wellicht daardoor aangezet ontvalt mij in een beschrijving achteloos dat in mijn gezelschap iemand zijn vrouw ‘bestuitte’.

Ik merk het onmiddellijk op en zeg: ‘Da’s brabo voor complimenteren’. Thuis zou zo’n voetnoot nog niet bij me opgekomen zijn.

‘Stuiten’ en ‘bestuiten’ hangen samen. Beide bewegen zich in de gewestelijke sfeer. In Brabant en Limburg betekent het eerste - met het vaste voorzetsel voor - volgens Antoon Weijnens Dialectwoordenboek snoeven: ‘Hij stuit over zijn auto’. Bestuiten krijgt een lijdend voorwerp, zoals bij die ophemelende man van: ‘Hij bestuit zijn vrouw’. Dit bestuiten hoort als Zuid-Nederlands woord tot mijn taaleigen. Het wordt gebruikt aan weerszijden van de Belgisch-Nederlandse grens. Bestuiten is ook een van die woorden – zoals aanrijden – waarvan ik jaren dacht dat het wel in heel Nederland zou voorkomen. Mooi niet dus. Zo brengt een uitstapje naar een andere linguïstisch landschap de eigen taaltuin scherper in beeld. Bovendien heb ik het vermoeden dat ik vanaf nu niemand meer kan bestuiten zonder aan een étagere te denken.

maandag 26 november 2012

De meut

Mijn voorgaande blog ‘De preut’ leidde na publicatie onmiddellijk tot reacties. Nou is ‘preut’ ook niet echt een woord dat je bijvoorbeeld hardop tijdens recepties uitgesproken hoort. Of tijdens de Nieuwjaarstoespraak van een burgemeester  of captain of industry wanneer de resultaten van de afgelopen twaalf maanden ter sprake gebracht worden. Ook als die prestaties echt ‘kut’ genoemd kunnen worden. Zo, voor wie nog twijfelde, mag nu de betekenis van preut duidelijk zijn.

Hoe komen we aan zo’n woord? Het Bosch Woordenboek biedt geen informatie. Opmerkelijk, want zoals de lezer van de eerdergenoemde Bossche tekst kan begrijpen, moet het horen tot het taaleigen van mijn stad. Dus verder bladeren, waarbij blijkt dat verschillende onderzoekers zich aan een verklaring hebben gewaagd. Echt veel uiteen lopen de lezingen niet en hier volg ik die van de grote Brabantse prof. Toon Weijnen in zijn Etymologisch Dialectwoordenboek. Hij geeft vindplaatsen aan voor de varianten ‘preut, prot, brot’ in Brabant, Oost-Vlaanderen, Groningen en Noord-Holland.

Hij legt een verband met koffiedik dat behalve ‘prut’ ook  ‘preut’ heet. In mijn jeugd stond koffiedik op zeer laag vuur te ‘pruttelen, of zoals Weijen schrijft: te ‘preutelen’. Dat koffiedik was een weke massa van waaruit ‘plofjes’ klonken. Waarna die zachte substantie dus ‘preut’ ging heten. Een volgende stap zou zijn geweest om ook andere weke delen met dat woord te omschrijven. Voor het woord ‘trut’ wordt eenzelfde verklaring gegeven door etymologen.

En wie nou denkt, ‘wat een gemeut’, bedoelt ‘wat een geklets’. Dit woord staat wel in Het Bosch Woordenboek. Meuten is kletsen. Los van wat het in Markelo betekent, is meuten geklets  in verschillende betekenisvarianten. ‘Lig nie te meute mens’ betekent in het Bosch – en andere thuistalen – ‘zeur niet mens’. Waarbij ‘mens’ een man of vrouw kan zijn. Iemand die oeverloos kan ouwehoeren, is ook aan het meuten. Klinkt dus iets positiever. Meuten kan zelfs ook gehanteerd worden om aan te geven dat iemand grappig uit de hoek kan komen. Een meuter is ’n meut’ wanneer het een vrouw betreft, en ‘nne meut’ voor een manspersoon.  En misschien denkt de lezer na dit verhaal wel: ‘wenne meut, dieje mens’.