maandag 28 november 2011

Het Bossche Broek (6); 'poosplaatsen'

Het Bossche Broek is vanaf ons huis een ‘boogscheut’ weg. Om er te komen, moesten we lang een omweg maken vanwege de Dommel. Sinds er bij de Vughterbrug een handveer ligt – De Moerasdraak – voert dat vehikel ons rechtstreeks naar de ‘tuin van Den Bosch’.

Zo ook op maandagmiddag 28 november. De zon schijnt, er staat nauwelijks wind en op ‘het warmst van d’n dag’ (9°C) draai ik mezelf naar de andere kant van de rivier. Ik volg een hobbelige steenweggetje en sla dan rechtsaf een zandpad in. Eerder trof ik daar twee zwerfkeien aan, elk met een ingehakte poëtische tekst. Geen idee wie daarvoor gezorgd had.

Een halfuur later heb ik het verste punt bereikt: de PTT-plas. Daar ga ik de dijk op, richting beginpunt. Die PTT-plas lijkt op een groot wiel, achtergebleven na een doorbraak van de Dommel. In werkelijkheid is het water ontstaan door zandwinning. De naam herinnert aan de tijd waarin de plas gepacht werd door de hengelsportvereniging van de PTT. Een soortement secundaire arbeidsvoorwaarde voor de ambtenaren van het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie. Dat icoon bestaat niet meer en het vissen lijkt me ook tot stilstand gekomen.

Aan de Vughterzijde van de PTT-plas blijkt inmiddels een derde zwerfkei te liggen. Ik lees dat het gedicht over het beleg van Den Bosch in 1629 geschreven is door Albert Hagenaars. Ik pak mijn iPhone, maak wat foto’s en heb in een mum van tijd des poëets naam gegoogeld. Thuis maar verder lezen.

Op de dijk langs de Dommel heb de zon in de rug. Het is aangenaam warm. Halverwege loopt een struinpad naar rechts. Inene liggen daar ook al twee beletterde keien. Gekker moet het niet worden. Welke reïncarnatie van Klein Duimpje strooit toch met die dingen? Of is het toch de Goedheiligman? Eén van die stenen heeft de vorm van een hart. Ik lees: ‘hoeven en billen kussen de krokusjes/in de voortuin van Den Bosch/grazen reeën/schichtig, snel en wendbaar/net als de hazen en wij tweeën/vinden ze elkaar’. Bedenk zelf maar waar leestekens zouden kunnen staan.

Een stukje verder zet ik mezelf weer over. Zijn alle gedichten van één en dezelfde auteur? Na enig gegoogel begrijp ik dat de stenen onderdeel zijn van het project ‘Poosplaatsen langs de Dommel’. Initiatiefneemster is Pien Storm van Leeuwen, die al meer van dit soort activiteiten op haar naam heeft staan. Zij heeft een reeks dichters gevraagd een bijdrage te leveren. Dat moet meer dan vijf keien opleveren. Uiteindelijk begrijp ik dat het er twaalf zijn of moeten worden. Toch eens op zoek gaan naar de rest van de verzameling gedichten.

Over dit kunstproject: http://www.sint-michielsgestel.nl/single-evenementnieuws/artikel/13377/59/?cHash=90a7d7fc986b18f7c648ea45ec01097d

Bolduque (16); tunnelvisie

Op zondag 27 november ga ik met een groep studentes in Den Bosch op pad. Ze verblijven tijdelijk in Nijmegen en komen allemaal uit Spanje. Deze samenstelling maakt het verhaal direct een hoop gemakkelijker. Ooit behoorden onze landen tot hetzelfde wereldrijk.

In de aanwezigheid van Latijnen vind ik een zekere bescheidenheid van mijn zijde op zijn plaats. Den Bosch heeft tot op heden niet echt een Romeins verleden, de resten van de Gallo-Romeinse tempel van Empel ten spijt. Op het Iberisch schiereiland lijkt het ontbreken van de Romeinse aanwezigheid eerder een uitzondering. Madrid, de stad waaraan de Romeinen voorbij gingen, lijdt daar vreselijk onder. De dames komen uit Santiago de Compostela en Sevilla en blijken goed bekend met hun erfgoed. Bovendien hebben ze Nijmegen als Romeinse stad al ontdekt.

Terwijl we beginnen met een koffie, plaats ik bij mijn inleidend praatje het ontstaan van Den Bosch in een periode dat in het zuiden de Reconquista van Spanje op de Mohammedanen in volle gang was. De voorouders van mijn gehoor waren in het geschiedenisboek al een heel eind op scheut toen wij nog pas de kaft opsloegen. Dat werkt gelijk relativerend op mij: onze stad is al lang niet meer 'de navel van Europa'. Of 'mooier dan Parijs', zoals in een 'roemrijk' lied gezongen wordt.

Parallel gaan onze lijnen lopen wanneer Filips de Schone in 1504 bij Jeroen Bosch een schilderij bestelt. Hij is toch in de stad en de aanbetaling is zo geregeld. De ‘knappe prins’ zal het nog ver schoppen. Hij wordt de eerste Habsburger op de Spaanse troon. En tot 1629 is aan onze kant van de grens de hertog van Brabant een telg uit de familie der Spaanse Habsburgers. En passant vertel ik over de aanwezigheid van de Bossche beeldhouwer Roque de Balduque in Sevilla. Zijn werk is nog steeds in die stad en omgeving te bewonderen. Zo was hij jaren de leider bij de vervaardiging van het Retablo Mayor in de kathedraal van Sevilla. Kijk, en zo is de band met Den Bosch of Bolduque weer mooi gelegd, denk ik.

Is het mogelijk je eigen stad te bekijken alsof je daar voor het eerst komt? Lastig, lijkt me. Ook vandaag, wanneer ik opnieuw met buitenlanders door het oude centrum sjouw. Af en toe lukt het me om afstand te nemen van wat ik in mijn tunnelvisie als waarheid meen te kennen.

We doen de route: oude haven, Uilenburg, St.-Cathrien, stadsmuur, Bastionder, Parade, St.-Jan, Hinthamerstraat, Markt en die meiden worden kampioen fotografie. Alles is aanleiding voor een opname. Hun Nederlandse (studie)begeleider en ondergetekende moeten vaak ‘mee op de foto’. Mijn mond staat 's avonds nog scheef van het lachen. Het in mijn ogen meest opmerkelijke plaatje schieten ze bij een voormalig bushokje aan de Zuidwal. Waar ik aan voorbijloop, blijkt in hun ogen bijzonder.

Bij de St.-Jan landt mijn verhaal over Jeroen Bosch prima. De dames kennen hun klassieken. Aan de Markt verwijs ik ze naar de twee bekende adressen van de meester. Nog een laatste foto bij het standbeeld van El Bosco en dan verdwijnen hun docent en ik in de kroeg voor een aantal glazen Westmalle Dubbel. Het is 16.15 uur en koopzondag; de studentes gaan vrolijk richting etalages.

Over Roque de Balduque: http://bolduque.blogspot.com/2011/07/bolduque-15-roque-de-bolduque.html

vrijdag 25 november 2011

Antwerpen (5); 'Mas' MAS

Vorige maand kregen we ons programma in de Sinjorenstad niet af. Dus dan maar terug naar Antwerpen voor (nog) een bezoek aan het MAS. 'Mas' MAS, dus, d.w.z. dat we nu eindelijk zouden toekomen aan wat daar tentoongesteld staat. En dat is heel wat; tenslotte is in het nieuwe cultuurpaleis een aantal lang bestaande musea opgegaan.

De vaste collectie neemt de grootste plaats in. De exponaten zijn thematisch gegroepeerd rond Macht, Antwerpen, Leven & Dood. Tijdens de rondgang prijs ik de teksten die ik in de vijf zalen lees. De maker(s) is (zijn) erin geslaagd om zowel zoveel eeuwen als dito details te comprimeren tot verhelderende en gemakkelijk te lezen verhaaltjes.

Alles vind ik boeiend. Hoewel me goed bekend, ben ik het meest geïnteresseerd in Antwerpen als 'Wereldstad'. Met name haar geschiedenis in de 16de en 17de eeuw krijgt mijn speciale aandacht. Verrassend vind ik op de achtste etage het materiaal over de sjamanen. En de film over een bijbehorende religieuze dans, opgenomen in het regenwoud van Brazilië. De in bruikleen aanwezige collectie Precolumbiaanse artefacten van Paul en Dora Janssen-Arts maakt zichtbaar indruk op de bezoekers.

De tijdelijke expo blijkt de moeite waard. Centraal staat 'het beeld' in de loop der eeuwen. 'Beeld' in de zin van 'verbeelding'. Van middeleeuwen, Vlaamse primitieven, Rubens en consorten tot hedendaagse kunst. Uiteraard met Antwerpen daarbij als middelpunt van de wereld.

Bijna drie uur museale lucht maakt dorstig. Dus pakken we een pint in de buurt van het stadhuis bij Den Engel. Op weg naar de auto eten we in de Kloosterstraat bij El toro loco. Te gek en te veel: de'mas'iado, dus. En een uur later zijn we weer thuis.

maandag 21 november 2011

Bossche taal (10); 'Onder ons gezegd in Brabant'

'Onder ons gezegd in Brabant' is een boek. Oud, uit 1993 en ook weer nieuw vanwege het verschijnen van een zogenoemde 'verbeterde en vermeerderde herdruk'. De presentatie daarvan vindt plaats op woensdag 23 november 2011 in Den Dungen. Het is een kloeke uitgave geworden van 447 pagina (een toename van 151 stuks), volgeschreven door 138 Brabantse auteurs van toen en nu met hun eigen top-tien van dialectwoorden.

Dat persoonlijke lijstje is op verzoek van de redacteuren in maximaal 900 woorden toegelicht. De ene keer in een verhaal, de andere keer 'zoals in een woordenboek'. De hele provincie komt aan bod, waarbij Tilburg met acht bijdragen de kroon spant. Het schrijven en optreden in het dialect kent in deze stad een grote traditie.

Er is ook een Bossche bijdrage. Hiervoor tekenen (de onlangs overleden) Lex Reelick, Nik de Vries en ondergetekende. De keuzes van Lex en Nik hebben één woord gemeen. Dat wil zeggen: 'zo goed als'. Dat staat ook nog eens bij alletwee op de bovenste plaats. Bij Lex is dat 'juske', dat hij omschrijft als 'liefkozend woord voor jongetje' en Nik kiest voor 'jungske'. Voor de 'verdere rest' hebben de drie Bosschenaren geen overeenkomstige keuzes gemaakt.

Zelf heb ik 'uwes' in mijn persoonlijke lijstje op één gezet. Vroeger moet deze beleefdheidsvorm een groter gebruiksgebied gekend hebben. Nu is het nog aanwezig in het reservaat van de Bossche stadstaal. 'Uwes' wordt als oude tweede naamval curieus genoeg gebruikt in de nominatief, genitief, datief en accusatief. 'Uwes lopt', 'Uwes huis', 'Ik doej dè veur uwes', Ik heur uwes praote' (u loopt, uw huis, ik doe dat voor u, ik hoor u praten).

As uwes nog meer wilt wete, nouw, dan kopte dè boek toch eiges!

'Onder ons gezegd in Brabant', redactie Cor Swanenberg en Michel de Koning, Uitgeverij Van de Berg, €29,95. Geïllustreerd.

zondag 20 november 2011

Oeteldonk (16); presentatie ‘Zô mooi!’

Een dag van uitersten. Na een Spaanstalige eredienst (plus lunch) ga ik 's middags naar de presentatie van een Oeteldonks boekje. Overigens is Oeteldonk voor een aantal Bosschenaren ook uitgegroeid tot een soortement religie, met het zogenoemde Protocol als een Erzatsbijbel.

De schrijfster van het 'buukske' heet Monique Gloudemans. 'De die' is mondfiat en ze kan ook nog schrijven als de beste 'ok nog ok nog'. Kleine pareltjes, behapbare poëzie. Oeteldonkers herkennen de onderwerpen, personen, voorvallen en vooral de 'emotie'. Al jaren geldt hier het adagium: 'Carnaval is emosie'.

'Zô mooi!' is als titel van haar tweede 'Oeteldonks Gedichtebuukske' ontleend aan de gelijknamige 16-regelige ode aan carnaval. ‘Ze zijn zô mooi, die rôôd-wit-gele daoge,’ waarmee ze de lezer direct duidelijk maakt wat haar passie is. De loftrompet over dit feest klinkt regelmatig deze middag. Bijvoorbeeld wanneer Dymphy van der Velden-Jansen en Danny van Nimwegen voorlezen uit de 50 gedichten van Monique. Of wanneer 'De Peer' er verbaal het zijne aan toevoegt. En niet te vergeten Leo van Gerwen, de opperspreelstalmeester. Uiteraard heeft Monique zelf ook wat te zeggen.

Ze declameert. In De Stallen luistert het publiek geboeid. Vervolgens overhandigt ze het eerste exemplaar (in tweevoud) aan Theo van de Zandt, de journalist die er steeds weer in slaagt om Oeteldonk positief te beschrijven.

Afgelopen voorjaar en zomer heb ik de oogst van Monique inspanning op het Bosch mogen bezien. Een waar genoegen. Met veel voorpret heb ik de teksten soms hardop gescandeerd om het gebruik van onze stadstaal 'te pruve'. Monique observeert scherp en gaat een kritische blik op haar liefde voor het feest der feesten niet uit de weg. Mijn favoriete gedicht wordt gevormd door 12 regels bij de titel ‘Ochèrrem’. Over een mènneke van 11 waarvan de ouders zo graag hebben dat hij Jeugdprins wordt. Dat zal ie vast ‘keileuk’ vinden. Het venijn zit ‘m in de staart: ‘Mar ja, papa die filmt en mama die jankt: ‘nne carnaval om nooit te vergete, nouw ge wordt bedankt.’

Monique, bedankt jong.

Zie ook: http://bolduque.blogspot.com/2011/11/oeteldonk-15-zo-mooi.html

Amor laetificat cor

Een drukke zondag. Om 11.00 uur naar het Bossche klooster Mariënburg. Daar wordt de mis opgedragen in het Spaans. Mijn vrouw en ik zijn uitgenodigd om deze maandelijkse dienst bij te wonen.

De aanwezigen komen uit diverse landen die 'Spaanstalig' zijn. Een wat versluierende term, want zeker in de 'Americas' is naast de officiële lingua franca Spaans ook een behoorlijk aantal 'inheemse' talen in gebruik. De celebrant heeft een groot deel van zijn leven gewerkt in Guatemala.

De eredienst volgt de internationale rite. De aanwezigheid van een versgebakken brood en een fles wijn bij de offerande vormt in mijn ogen een latijns accent. Op gewijde momenten wordt geknield. De sfeer is erg ontspannen en bij de de vredeswens schudden de aanwezigen elkaar de hand of gaan even met elkaar in de accolade. Iemand maakt de opmerking dat deze gang van zaken in de ogen van de huidige lijn binnen het bisdom wel eens als erg 'San Salvatoriaans' beschouwd zou kunnen worden. Wie weet. Overigens woont in hetzelfde klooster Jan Bluyssen, opvolger van bisschop Bekkers en tevens verlicht kerkvader. De muziek bij de liederen komt van een cd.

Daarna is er tijd om bij te kletsen. Het is vandaag de feestdag van Christus Koning, aanleiding om gezamenlijk te eten. De bezoekers hebben voor een feestelijk maal gezorgd. Met drank, uiteraard. Alles bij elkaar opgeteld, beleef ik het als een echte viering, ook na mijn afscheid van de kerk. Het gaat - en de pastor zei het al - om de liefde tussen de mensen. 'Amor laetificat cor', de liefde verblijdt het hart.

donderdag 17 november 2011

Skaten in de tijd

Veel is er deze donderdagochtend niet te zien. We skaten richting Drongelens Kanaal over het Limietpad. Hier moet ooit de wereld opgehouden hebben. Deze grensnaam lijkt vandaag weer erg toepasselijk: de lege polder hangt vol mist, met daarin solitaire bomen als bakens voor de reiziger. Gelukkig kennen we de weg in dit gebied en zijn lange, smalle percelering. Die vorm wijst op een wijze van ontginning die te boek staat als 'slagenverkaveling'. Langs het water neemt het zicht toe.

Aan de linkeroever staan bomen aan weerszijden van ons pad: een Van Goghlaantje. Of is er eerder sprake van een 'bidprentjeslaantje' zoals iemand in de groep suggereert? Iemand begint aan 'Wahaar heen'? We zijn nu zeker twintig minuten onderweg en nog niemand heeft ons pad gekruist. Opmerkelijk in een omgeving waarin het doorgaans wemelt van wandelaars en fietsers. Die zitten thuis, met warme worstenbroodjes als ontbijt.

Dit desoriënterende weertype heeft de klok op stal gezet: we skaten in de tijd. Het vertrouwde patroon van de gelimiteerde 24 uren in een dag geldt even niet. Ik vaar op mijn innerlijke kompas waarin de tijd alleen maar duurt. Dat werkt rustgevend. Eindelijk zien we de eerste fietser. Er is toch nog ander leven op deze planeet.

Als we bij het zwembad van Waalwijk aankomen voor de koffie en thee, blijkt alles weer bij het oude.