maandag 28 februari 2011

Oeteldonks (6); grachtengordelconcert

Bosschenaren, of liever ‘Oeteldonkers’ lazen het deze morgen in het Brabants Dagblad: ‘Gin Nôôt’ staat te trappelen om met de carnaval weer op pad te kunnen. Gewoon lekker muziek maken en dat in 2011 al 11 jaar!

Op carnavalsmaandagmorgen 7 maart speelt ‘Gin Nôôt’ de sterren van de hemel tijdens haar Eerste Oeteldonkse Grachtengordelconcert! De club heeft daarvoor een magnifieke plek gevonden bij, aan, rond én boven de Dieze, achter de Knillispoort. Bij Dieske dus. Het ‘Jubelconcert’ begint om 11.11 uur en als eindtijd wordt 12.22 uur aangehouden, maar ‘ge wit ooit nooit nie’.

Eigenlijk is Oeteldonk al jaren toe aan een eigen grachtengordelconcert. Nog niet eerder stond de Dieze zo in de belangstelling! Het aantal varende toeristen is gequoteerd (!), stukken in de krant over accijnzen (!), en dan ook nog een heuse krokodil? Dan ben je als stad volwassen geworden en is er plek voor dit concert.

‘Gin Nôôt’ maakt er op maandagmorgen 7 maart ‘’nnen bènde’ van. Maar wel een mooie, met ontroerende en hilarische taferelen aan de boorden van de Dieze, moeder van alle rivieren. Aangevuurd en -gestuurd door Guido Wetzer zoekt het orkest de muzikale dialoog met het publiek onder het motto ‘Spelen & Speulen’. Presentator is Harry van den Berselaar.

Oeteldonks (5); gesloten

Nou moet je je het volgende proberen voor te stellen. Je bent een Bosschenaar-in-hart-en-nieren en door de omstandigheden gedwongen, woon je niet meer in die geweldige stad. Het is niet zo dat het heimwee aan je hart vreet, aangezien te op gezette tijden de tocht naar de oude hertogstad kunt ondernemen. Tijdens Jazz in Duketown pak je een biertje, bij de Boulevard ben je zelfs niet weg te slaan, maar de Carnaval, tja, dat is de moeder aller feesten. Dus ben je hier.

Geweldig om al die bekenden weer te zien. Je hebt nauwelijks in de gaten dat de helft van die lui ook al eeuwen geleden de stad verlaten heeft om carrière dan wel partner te volgen naar barre oorden. Eenmaal weer terug – al is het maar voor even – blijkt het accent weer snel te wennen (wè hiet), en lijkt het alsof je nooit bent weggeweest. Volgens een stilzwijgende afspraak zie je ‘iedereen’ bij ‘t Casino, ’t Pumpke, de Knillispoort of Limburgia.

Dat ’t Casino al generaties Theater aan de Parade heet vormt geen enkel obstakel. Evenmin als het feit dat Limburgia eeuwen terug de naam veranderde in ‘Achter het Wild Varken’. Wat een sfeer. En het hangt er met die dagen altijd met de benen buiten!

Hu ‘s, ho ‘s, correctie: hing er met de benen buiten, want ‘Achter het Wild Varken’ is niet meer!

Wat ik voor me zie, is een oploop van expats (Bosschenaren-in-den-vreemde) die met de carnaval gewoontegetrouw richting Limburgia zijn gelopen, om daar te ontdekken dat deze kroeg (voorgoed?) verdwenen is.

Het zij zo. ’t Is mar dègget wit.

Bolduque (6); hofkapel

De vroegere hertogen van Brabant hielden van muziek. Om daarvan in kerk en kamer te kunnen genieten, huurden ze begaafde lieden in. Zo engageerde onze Bourgondische landsheer Filips de Schone in 1492 de bekende Pierre de la Rue als zanger en componist. Wanneer Filips in 1506 sterft, is zijn zoontje Karel pas zes. Dus neemt tante Margaretha van Oostenrijk voor haar neefje de honneurs waar. Pierre wordt ook haar lievelingscomponist; hij blijft tot 1516 aan het hof in Mechelen verbonden. De la Rue komt uit Doornik (Tournai), in die tijd onderdeel van de Nederlanden. Vóór zijn carrière in Mechelse kringen is hij van 1489 tot 1492 als zanger in dienst van de Bossche Illustre Lieve Vrouwe Broederschap en het kapittel van de Sint Jan.

In 1515, zet Philips’ zoon als Karel V de regering én de muzikale traditie voort. Als hertog, koning en keizer moet hij vaak op pad. Te lezen valt dat hij daarbij graag zijn koor meeneemt: zijn Capilla Flamenca. ‘Flamenco’ verwijst hier niet naar een zuidelijke muzieksoort, maar naar een gebied. Soms is dat het oude hertogdom Vlaanderen, maar vaker nog de Lage Landen als geheel. Het oogt wat vreemd om onze eigen Jeroen Bosch in Spanje geafficheerd te zien als ‘pintor flamenco’.

Maar goed, ook Karels zus - en volgende waarneemster in de Nederlanden - Maria van Hongarije, blijkt voorzien van een muzikaal oor. Zij heeft bijvoorbeeld als organist de Antwerpenaar Christiaen de Marez in dienst. Deze musicus gaat met haar in 1556 nog een paar jaar mee van (inmiddels) Brussel naar het hof in Spanje. Daar kennen ze hem als Cretien de Morien. Zijn echtgenote Caterina Hemessen is er hofdame. Als Maria in 1558 in Valladolid sterft, gaat het echtpaar De Marez-Hemessen voorzien van een aardig pensioen terug naar Antwerpen.

Christiaen treedt halfweg 1561 in dienst van de Bossche Illustre Lieve Vrouwe Broederschap en het kapittel van de Sint Jan. Met name de broeders willen hem zo graag als organist hebben, dat ze o.m. de verhuiskosten Antwerpen - Den Bosch van hem en zijn vrouw betalen. Die echtgenote is een bijzonder mens: ze schildert! In die tijd is dat echt nog opmerkelijk voor een vrouwspersoon. Caterina van Hemessen (ca.1527) is de dochter van Jan Sanders van Hemessen (1500-1556), schilder in Antwerpen. Een bekend schilder: werken zijn in het bezit van het Spaanse hof. Hij leert het vak aan zijn dochter; ook van haar is nu nog werk in Spanje te zien. Het echtpaar vertrekt eind 1565 zonder spoor achter te laten uit onze stad.

Karels zoon Fiips II heeft ook graag een koor in de buurt. Een zeker niet carnavaleske ‘hofkapel’, die voor de helft uit zangers uit de Lage Landen bestaat. Om de kwaliteit en omvang van zijn Capilla Real de Su Majestad op peil te houden, treden Philips’ familieleden op als ‘intercesores’, dus als ‘bemiddelaars’. Zo laten rekeningen uit 1568 van de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap zien dat Margaretha van Parma, Philips’ halfzus en tevens plaatsvervangster in de Lage Landen, de twee zangers Thomas en Hensken verordonneert om hun betaalde zangwerk in het koor van haar broer voort te zetten. Ze gaan naar Spanje, maar wel tegen hun zin. Maar ja, als de majesteit beveelt …

zondag 27 februari 2011

Holten-Rijssen

27 februari, zondag. Als we ’s morgens door Rijssen richting Holten rijden, gaan net de kerken uit. Sinds mijn tienerjaren niet meer zoveel gelovigen zich naar huis zien haasten. Donkere kledij, hoeden, paraplu's en wind. Voor iemand uit het zuiden een inmiddels verdwenen wereld: hier wordt Gods woord op zondag nog gehoord.

Het tweelingstadje Holten blijkt van een andere snit: in deze tijd van het jaar heet het ‘Keunedarp’. Op het oog zijn er ook redelijk wat cafés. In Twente zijn er meer katholieke enclaves waar carnaval gevierd wordt. Volgende week is ook hier een optocht.

Vanaf het stationnetje lopen we door een prachtige abelenlaan richting Holterberg. Niet rechtstreeks, maar via een route in de vorm van een veiligheidsspeld. Veel dennenbossen waar stapel stammen op vervoer wachten; hier hangt de geur van hars. Het regent niet echt; eerder lijkt het alsof er iemand met een grote plantenspuit voor een natte nevel zorg.

De Canadese Oorlogsbegraafplaats aan de linkerkant van de zandweg zorgt met een bord ongewild voor een komisch effect: ook konijnen worden gekenmerkt als schadelijke wezens (zie foto). Eerder waren we in Normandië; ook hier in Holten blijken de knapen niet ouder te zijn geworden dan 18, 19 jaar. Zouden ze geweten hebben waarvoor ze onderweg gingen?

Langs oude paden komen we bij het uitzichtspunt Holterberg op 59,5 meter boven N.A.P. Op zonnige dagen moet het hier beslist mooi zijn. Dit gedeelte is ook onderdeel van het Pieterpad.

We zigzaggen vanaf het hoogste punt een stukje naar beneden. Voorbij het Natuurdiorama Holterberg komt het stationnetje al weer bijna in zicht. In het Grand Café hebben ze 'eigen appeltaart'. We horen er dat Holten inderdaad een grote katholieke bevolkingsgroep huisvest en dan heb je zó carnaval.

Rijssen-Holten

Nog niet eerder in Rijssen geweest, althans niet bij vol bewustzijn. Natuurlijk een belachelijke toevoeging, want het is hier mooi. Buiten het stadje dan, want in het centrum heeft het megalomane denken desastreuze gevolgen: de bebouwde kern is met het nieuwe stadhuis en een aantal winkelsilo's voorgoed uit balans.

Groots denken blijkt toch ook buiten het centrum aanwezig. We passeren namelijk een stuk bos dat 'Hollands Schwarzwald' heet, waarna we even later via 'Klein Zwitserland' bij het startpunt van onze wandeling arriveren. Al in mijn jeugd bezocht ik een ‘Klein Zwitserland’, en wel in Limburg. Zelf kom ik uit ‘Het Venetië van het Noorden’, en daar heb je d’r in ons land ook een aantal van.

De verder authentieke route valt grotendeels samen met die van het Wereldtijdpad. Op enige afstand van elkaar staan dus bordjes met rond een jaartal de beschrijving van de op dat moment actuele historie in de regio, streek, Nederland, wereld. Een wellicht opmerkelijk citaat uit de tekst van het jaar 300: ‘Het kustgebied van Zeeland is in de achterliggende decennia geteisterd door overstromingen als gevolg van de stijging van de zeespiegel. De bevolking trekt weg, omdat het land onbewoonbaar is geworden.’

Opvallend is het aantal namen van veldwegen met daarin het woord turf of veen. Rijssen gebruikte zijn turf voor het opstoken van de ovens in de steenfabrieken. Aan de keileem die voor die bedrijvigheid in de omgeving gewonnen werd, herinnert nu nog een smalspoorweg. Als wij op zaterdag 26 februari dat spoor passeren, wijdt net een groep zich aan het onderhoud van deze stalen verbindingsweg. ‘Om de hoek’ bevindt zich een joodse begraafplaats, gelegen in de oksel van een voetbalstadion. Zaterdagcompetitie: les extrêmes se touchent ook hier.

Alles bijeen wordt het een gevarieerde wandeling door geaccidenteerd bosgebied en vlak bouwland. Het barst er van de uitgezette wandelroutes. Na een kort intermezzo (powernap) eten we in het restaurant van ons hotel. Voortreffelijk-plus. Plus een kok die bij de kabeljauw een zachte Oostenrijkse rode wijn (druif: Blauer Zweigelt) adviseert. Nieuwe durf? Relatieve durf misschien, want er zijn streken - in Portugal bijvoorbeeld - waar ze drinken wat ze willen. Maar goed: magnifiek. En op zondag wacht ons de Holterberg in het tweelingstadje Holten! Voor wandelaars kennelijk zoiets als de Muur van Geraardsbergen voor wielrenners.

Voilà, zo kent elke sport zijn helden.

vrijdag 25 februari 2011

Bolduque (5); lintje

Het is altijd verrassend om de naam van je stad elders in de een of andere vorm tegen te komen. In het Spaans heet onze stad Bolduque, afgeleid van het Franse Bois-le-duc. In juni 2005 bezochten wij in Valladolid het Museo Nacional de Escultura (zie blog Bolduque; de naam). Tussen alle beroemde Spaanse en andere meesters op het gebied van houtsnijwerk was daar ineens Pedro (de) Bolduque, Piet van den Bosch, zogezegd. Hij behoorde tot een bekend geslacht van kunstenaars. In Spanje komen naast (de) Bolduque ook (de) Belduque en (de) Balduque als familienaam voor.

In Kuijers meesterwerk over ’s-Hertogenbosch staat op pagina 329 een ‘bolduque’ afgebeeld. Hierbij gaat het om een mes dat in de 16e eeuw in onze stad werd gesmeed. Het was van grote kwaliteit, en werd ‘wereldwijd’ gewaardeerd. En dat tot op de dag van vandaag, want Mexicaanse en Texaanse verzamelaars blijken het te beschouwen als een voorloper of zelfs equivalent van het beroemde Bowie-mes. In Chili schijnt de bolduque, of liever belduque nog steeds gebruikt te worden in de oesterteelt.

Zou zo’n woord nou ook een plaats hebben veroverd in (zeg maar) de Spaanse Dikke van Dale? In het woordenboek van ‘la Real academia de la lengua Española’ komt ‘bolduque’ niet voor. ‘Belduque’ wel, met de verwijzing dat het woord in het Colombiaans en Mexiaans gebruikt wordt ter aanduiding van een groot mes met spits lemmet. Er is ook een verwijzing naar de plaats van herkomst van dit scherpe voorwerp: Den Bosch. Volgens datzelfde woordenboek komt daar ook de ‘balduque’ vandaan. De ‘balduque’ is een smal, meestal roodkleurig lint, gebruikt om de kartonnen zijden van dossiermappen bijeen te houden. De oorsprong voor de ‘balduque’ ligt ongetwijfeld in de 16e-eeuwse Bossche linnenweverij. ‘Balduque’ wordt in het Spaans in beperkte kring gebruikt, bijvoorbeeld door ambtenaren die nogal eens in (oude) dossiers moeten snuffelen.

De echtgenote van zo’n Spaanse ambtenaar raakte geïnspireerd door de herkomst van die rode Bossche sluitlintjes. Ze bedacht een mooi verhaal, dat begint bij het bevel van Filips II (1527 - 1598) om al zijn besluiten punctueel vast te leggen. Omdat hij nogal nauwgezet was, leidde elke beslissing tot een stapel paperassen die op de een of andere manier bij elkaar gehouden moesten worden. Dat gebeurde in een dossiermap die uit twee kartonnen bestond, bijeengehouden door linten.

Filips II wilde in zijn wereldrijk graag uniforme linten gebruiken, en om daartoe te komen, schreef hij een openbare offerte uit. Heel wat producenten deden een bod, waaronder ’s-Hertogenbosch. Laat nou het karmozijnrode ontwerp van de Bossche linnenwevers winnen. Boze stemmen beweerden dat daarvoor de stad een Madrileens jurylid omgekocht zou hebben, maar à la bonheur. Uiteraard kwam hiermee een massaproductie op gang die zijn weg vond binnen het grote Spaanse rijk. Het lintwerk ging ‘bolduque’, en uiteindelijk ‘balduque’ heten. En met die laatste naam worden de dossierlinten in archaïsch Spaans taalgebruik nog steeds aangeduid.

Dat laatste is waar, en de rest is ontsproten aan de fantasie van een Madrileense. Of …?

dinsdag 22 februari 2011

Oeteldonks (4); de jaarvergadering

Voorafgaande aan de carnaval vergadert Oeteldonk zich suf. Het gaat dan wel om een spontaan feest, ‘mar niks komt vaneiges’. Ons ‘gruupke’ dat al jaren op carnavalszondagmorgen meeloopt met de Intocht van de Prins, overlegt dus ook vooraf. Volgens traditie vindt de jaarvergadering in januari of februari plaats bij café ‘M’n Tante’. Dit jaar was dat op 8 februari en tijdens die bijeenkomst ontwikkelden we het idee voor de O.E.T. Uiteraard is de inhoud daarvan op dit moment nog strikt geheim.

Als ik op 22 februari bij ‘M’n Tante’ verschijn, is de helft van het spul al in druk overleg. Vanavond willen we de opzet voor onze deelname nog eens ‘doornemen’. Eigenlijk is dat voor het draaiboek niet echt nodig, maar het hoort wel bij de opmaat.

Onlangs was er enige commotie in de stad over de te volgen route. Omdat het op sommige punten barst van het volk, acht de gemeente het in het kader van ‘crowd management’ gewenst om smalle straten te vermijden. Gelukkig voor ons geldt dat nieuwe stratenplan nu nog alleen voor de Grote Optocht op maandagmiddag. En die zien we toch nooit omdat er dan geen doorkomen aan is.

‘Fine tuning’, daarvoor zijn we dus bij elkaar. Al snel staat de drank op tafel en kunnen we aan het ene punt op de agenda beginnen. Met grote discipline gaan we aan de slag, daarbij gesterkt (uiteraard) door Westmalle Dubbel. In een mum zien we door de bomen het bos.

Voor wie het fenomeen ‘Intocht van de Prins’ of ‘Afhalen van de Prins’ toch nog terra incognita is, volgt nu de volgende alinea. Na zijn aankomst op carnavalszondag om 11.11 uur op Stesjon Oeteldonk volgt een glorieuze intocht van Prins Amadeiro XXV. Het volk juicht hem toe en achter zijn Prinsenwagen trekt een bonte stoet mensen. Veel deelnemers beelden individueel of in groepjes een actueel, veelal aan de stad gerelateerd onderwerp uit. Uiteraard voeren spot en humor de boventoon.

De voorbereiding op de Intocht vormt de ene helft van het plezier, de deelname de andere 50%. Dit jaar zoeken we met de O.E.T. nadrukkelijk de zwijgende dialoog met het publiek. Geëngageerd carnaval? Ga zelf maar tussen de kijkers staan, bijvoorbeeld in de Postelstraat. Wie zich daar aan de goede bevindt op het moment dat de zon doorbreekt, kan zich koesteren in een kattenhemel.

De vergadering verloopt naar wens. Nu is het nog een kwestie van aftellen. Op zaterdagmiddag 5 maart vindt de generale plaats. Die is in de regel zeer inspannend. Sinds de keer dat ik na afloop met de fiets aan de hand werkelijk doodmoe naar huis moest, ga ik gewoon te voet. Dan hoef ik me ook niet te herinneren waar ik mijn tweewieler gestald zou kunnen hebben.