vrijdag 24 mei 2019

Bij de boer

Sinds afgelopen zomer kun je me met enige regelmaat op een boerderij bezig zien. In de Peel nog wel, waar aan Brabantse en Limburgse kant aan intensieve veeteelt, land- en tuinbouw wordt gedaan. Activiteiten die letterlijk en figuurlijk in een kwade geur zijn komen te staan.

Mijn overwegingen om - wanneer ik thuis ben - eens per twee weken ‘mee te helpen’ zijn van praktische aard. Genoemde melkveehouder zag vorig jaar dankzij de aanhoudende hitte en droogte zijn bed nog nauwelijks. En alle kleine beetjes inspanning van mijn zijde, zouden naar mijn idee van nut kunnen zijn. Vrijwilligerswerk kan op veel plaatsen.

De Berselaars waarvan mijn tak afstamt, waren generaties terug boer in Gemonde. De hang naar dit beroep zit echt niet in mijn DNA, een omschrijving waarmee allerlei lieden hun activiteit (meestal ‘passie’ genoemd) menen te moeten funderen. Het is evenmin zo dat ik tussen de flatsende koeien eindelijk een droom werkelijkheid zie worden. (Ook al zo’n tijdsgebonden bewering.) Ik vind het eigenlijk, nou ja, gewoon prettig. De eerste keren kwam ik bekaf, met stramme spieren en stinkend thuis. Nu alleen nog stinkend. De handigheid is gegroeid.

En al doende ook het zicht op de stelselmatige ‘mangeling’ van de vertegenwoordigers van deze sector. Vaak met de ballen tussen de bankschroef, om de klempositie met een beeldspraak duidelijk te maken. Boeren en boerinnen zetten in veel gevallen een familietraditie voort, en los van deze romantisch klinkende reden is het gewoon keihard werken. Zeven dagen per week. Met overtuiging. En met de verplichtingen aan de bank en de steeds veranderende overheidsregels in de nek. Waarbij dan ook nog de hete adem van het publiek is gekomen.

Ik schrijf het gewoon hardop: publiek dat ver van de natuur afstaat. Vijftig jaar terug verbaasde de jongste generatie me al met de vraag aan welke struik aardappels zouden groeien. Een paar weken terug gruwde de meest recente lichting Nederlanders bij de wetenschap dat een ei ergens bij de kont de kip verlaat. Ik zou willen dat ze vandaag bij de geboorte van een kalf (zie foto 1) geweest waren. Mooi man.

Vanuit een gemankeerd kennisveld spelen 20’ers en 30’ers voor eigen rechter door huisvredebreuk te plegen bij een Boxtelse varkensboer. Ze willen de vraag of de eigenaar - dan wel de sector - correct werkt, niet aan de rechter overlaten. ‘Als wij het niet doen, gebeurt er niks’. Met zo’n uitspraak schaart de niet georganiseerde groep zich bij het griezelige kamp waarin fundamentalisten al eeuwen hun heil en reden van bestaan zoeken. Het doel heiligt de middelen. Dat vond - om uit de talloze kandidaten maar ‘n voorbeeld te noemen - Pinochet destijds ook. Pinochet?

Vandaag was ik bij de boer. Van hem heb ik het devies overgenomen: ‘Als je goed bent voor de dieren, zijn zij goed voor jou’.
Dus: ‘Bertha 82, Toos 222 e.a.: het was prettig in jullie geurige gezelschap te verkeren’.

En nu gaan mijn kleren in de was en kruip ik onder de douche.

donderdag 23 mei 2019

Dagboek Portugal (4); eikels en stenen

17/05
Op vrijdagmorgen rijden we naar Comporta. Dit plaatsje hoort tot de gemeente Alcácer do Sal waar we twee dagen verbleven. De weg voert door een gebied dat ons aan Les Landes doet denken: lichtgekleurd zand, dennen, enigszins geaccidenteerd.

Na 20 minuten arriveren we in het plaatsje waar volgens een reisgids ‘bovenmodale Lissabonezen in het warme seizoen verkoeling zoeken aan zee’. Half mei is op deze bewolkte vrijdagochtend nog weinig van deze aanwezigheid te merken.

Temidden van de rijstvelden staat het Museu do Arroz, Comporta zelf is petieterig en aan het eindeloze en maagdelijke strand staan twee restaurants. Da’s alles. Waar al die lui onderdak vinden, is me een raadsel. Wellicht zien we niet alles.

Aan de horizon ligt Setúbal. Wat is het mooi aan deze kant van de oceaan.

Vervolgens terug naar Alcácer. We hebben de afgelopen dagen al wat politiecontroles gezien. Dit keer worden we staande gehouden. Voor ik het zijraam half open heb, worden we gemaand door te rijden. Onze nummerplaat bevat een X, zoals de meeste huurauto’s waarin toeristen hier rijden. En met de beste wil van de wereld zien we er samen niet echt mediterraan uit. 

Voorbij het stadje aan de Sado volgen we eerst een stuk met natte rijstvelden op rechts; later volgt aan weerszijden een landschap met eiken.

Bij Guadalupe bezoeken we een informatiecentrum. De bossen met eiken (de ene soort voor de kurkproductie en andere voor de varkenshammen) zijn beschermd. In Spanje heet dit oude landschap ‘la dehesa’; de zwarte varkens staan garant voor smeuïge ham. De naam hier is ‘a montada’.

De semi-open omgeving met bomen is ontstaan toen de menhirbouwers hier voer aan wal zetten. Ze waren geen jagers-verzamelaars meer: ze werden sedentaire boeren. De golf nieuwelingen waaierde uit tot in Bretagne.

Dat lezen we allemaal op borden die buiten opgesteld staan. Buiten d.w.z. naast een modern gebouw dat met  kurk bekleed is.

Binnen is te zien hoe de oude tv-cursus van Thea & Theo tot creativiteit heeft geleid. Nu de vraag naar afsluitende kurken afneemt, blijkt het materiaal ook geschikt als isolatiemateriaal in vliegtuigen. Of als ‘kunstleer’ voor basketbalschoenen.

Vervolgens gaan we in het bos op zoek naar de fallische Menir dos Almendres en de Cromeleque dos Almendres. Bij die laatste - met 100 megalieten de grootste steencirkel van het Iberisch Schiereiland - tot onze verrassing ook vijf in het wit geklede steenknuffelaars ‘los’. Waar je in gelooft, is een privé-zaak. Ze lopen ons niet in de weg; het oogt wel bizar. Afijn.

Dan richting Arraiolos. Het plaatsje valt al van verre op. Het is gebouwd tegen een solitaire heuvel en met name de ommuurde burcht domineert het landschap. Verschuilt zich daarin ons volgende onderkomen. Nog voor we de bebouwing bereiken, slaan we af en rijden een klein dal in. Daar bevindt zich de Pousada de Nossa Senhora da Assuncão Het zou zo nog bewoond kunnen worden door religieuzen.

‘s Avonds eten we in de pousada. De keuken blijkt ook hier sterk in de bereiding van lekkere gerechten op basis van de regionale traditie uit Alentejo.



Dagboek Portugal (3); ondergronds Alcácer do Sal

16/05 (2)
De ingang van de crypte ligt precies onder onze kamers in de pousada Dom Afonso II. Na een uitstekende inleidende film bezoeken we de ondergrondse etage. De permanente expositie begint met een samenvattende tijdsbalk ‘van nu naar toen’. Daarna lopen we tussen de fundamenten met elementen uit de IJzertijd, de Fenicische, Romeinse en Arabische periode. Ook zijn er grote en kleine vondsten uit deze tijdperken te zien.
Bij het herstel van het voormalige monument is er ‘sparend gebouwd’: de nieuwe dragende elementen hebben de aanwezige archeologische resten zo veel mogelijk gerespecteerd. 

Al lopende proberen we ons te oriënteren: ‘Op welke plek onder het hotel bevinden we ons nu?’

Op een bepaald punt valt licht naar binnen. Boven ons bevindt zich de glazen blok die we in het midden van de binnenplaats classificeerden als ‘kunstwerk in vijver’. Rond die open ruimte loopt de kloostergang. We zijn dus onder het claustrum, het centrale kloostergedeelte. 

In de loop der eeuwen hebben de sporen uit de verschillende bewoningsperioden zich met elkaar vermengd. Tekeningen en andere aanwijzingen maken duidelijk wat bij welke tijd hoort. 

De vitrines laten prachtige kleine vondsten zien. De Feniciërs brachten als eerste ‘bezoekers’ ook sieraden en amuletten mee uit bijvoorbeeld Egypte. 

Ik ben extra geïnteresseerd in wat ik tijdens deze reis tegenkom uit de Arabische periode. Voor Alcácer do Sal eindigde die - na iets meer dan vijf eeuwen - definitief op 18 oktober 1217. Dicht bij de pousada is met name de vestingmuur uit die tijd zichtbaar. Plus een opgeknapte toren die na zonsondergang mooi verlicht is. 

In de architectuur vallen meer zaken met Arabische wortels aan te wijzen. Typische schoorsteentjes bijvoorbeeld. Op sommige oudere plekken lijkt het alsof je in de kasba loopt. De rijstproductie die grootschalig langs de rivier plaatsvindt, kreeg een sterke impuls na 711. In de keuken-van-alledag is het nadrukkelijke gebruik van kruiden en specerijen als koriander en kaneel ook schatplichtig aan de periode tot 1217. 

Zoals in wat later Spanje werd, betekende ook hier de Reconquista geen abrupte breuk met de voorgaande tijd. Veel ‘Portugese’ Christenen waren Mohammedaan geworden, de oude moedertaal was verdwenen en daar waar het oude geloof en de romaanse volkstaal nog bewaard waren - bij de Moçárabes - bleken deze nauwelijks herkenbaar voor de ‘bevrijders’. 

In Portugal eindigde de Reconquista in 1249 met de herovering van Faro. De Spaanse in 1492 met de val van Granada. 

Voor ons is deze crypte een zeer verrassende ontdekking. Inhoud en vormgeving sluiten naar kwaliteit gemeten aan bij de grotere vindplaatsen in het Spaanse Mérida (Museo Nacional de Arte Romano) en Cádiz (la Casa del Obispo).
Een wat uitbundigere reclame voor dit fenomeen zou de pousada (en de gemeente) niet misstaan, suggereren wij ‘s avonds tijdens het diner aan de leidinggevende. 

Ter afsluiting van deze interessante en zonnige dag kiezen we opnieuw voor een menu dat de regionale keuken alle eer aandoet. Dit keer afgesloten met een Portugese cognac van het merk Macieira. 


Dagboek Portugal (2); bovengronds Alcácer do Sal

16/05 (1)
In 1834 vaardigde Portugal een wet uit die religieuze ordes en kloosters verbood. Eerder was zo’n maatregel al in Frankrijk genomen en later zouden ook Spanje en Italië zich niet onbetuigd laten.
Een aantal conventen ging verder als parochiekerk, seminarie, andere kwamen in particuliere handen. Of vervielen uiteindelijk aan de staat.

Hoe dan ook, aan de nodige (lege) kloosters ging de tand des tijds knagen. Zo is op oude foto’s te zien hoe het klooster op de berg van Alcácer do Sal erbij stond toen tegen het eind van de vorige eeuw toen met de ombouw tot een pousada begonnen werd.

Als we op donderdagmorgen vanuit deze ‘pauzeerplek’ (het Portugese etymologieboek verwijst voor de herkomst naar het Latijnse ‘een pauze of rust nemen’) aan een stadswandeling beginnen, lopen we eerst langs de voet van de Arabische muur die in de kleine bovenstad grotendeels nog aanwezig is. 

Uiteindelijk komen we bij de rivier de Sado waar we ter hoogte van het VVV een prachtig uitzicht op beneden- en bovenstad hebben. Langs straten, straatjes en trappen doen we verschillende bezienswaardige plekken aan. Soms onder begeleiding van het ooievaarsgeklepper vanaf de Igreja de Santiago.

Het mooiste zicht op het stadspanorama krijgen we als we via de fraaie Ponte Pedonal naar de overzijde van de Rio Sado wandelen. Hier bevindt zich de sport- en recreatiekant. Er liggen twee voormalige zeilschepen langs een mooie passage. Al dan niet gesteund met EG-gelden is het duidelijk dat het gemeentebestuur zijn best doet om de plaats aan weerszijden van de rivier aantrekkelijk te houden voor inwoners en bezoekers.

Terug in het oude kwartier naast de rivier is er een afwisseling van huizen, winkels en restaurants die strak in de verf staan en leegstand. Zo te zien hebben de laatste jaren met name vertegenwoordigers van de zogenoemde ‘kleine middenstand’ de deuren gesloten. De komst van grootgrutters zoals (ook) hier de Lidl, zal hieraan hebben bijgedragen. Het aantal inwoners over de laatste 40 jaar laat een afname van zo´n 15% zien.

We lopen terug naar ons tijdelijke onderkomen. Voordat het voormalige zwaar verwaarloosde  Clarissenklooster van Nossa Senhora de Aracaeli omgebouwd zou worden tot een pousada, vond er nauwgezet archeologisch onderzoek plaats. Dat bracht aan het licht dat de hele geschiedenis van de historische nederzetting opgeslagen lag onder de ruïnes van het voormalige convent.

Na de middag bezoeken we de crypte die onder de pousada ligt. In feite gaat het om een complete ondergrondse verdieping. (Zie volgende blog.)

woensdag 22 mei 2019

Dagboek Portugal (1); Alcácer do Sal


15/05
Lang waren we niet meer in Portugal. De laatste keer was in 2001. Dat jaar was (naast Rotterdam) Porto Culturele Hoofdstad van het Jaar. We bezochten deze plaats te voet, reden met de huurauto langs de Douro, staken bij een nationaal park de grens over met het Spaanse Galicië. En na een korte tijd vlogen we weer naar huis. Uitgebreidere tochten hadden we toen al achter de rug. De eerste vond zo’n 30 jaar geleden plaats; de tweede vlot daarna. Opgeteld voerden beide ‘ondernemingen’ ons met de auto kris-kras door bijna het hele land. ‘Bijna’: het noorden kwam (dus) later aan de beurt.

Meestentijds overnachtten we - m.u.v. Porto - ‘bij mensen thuis’. De term B&B werd nog niet gehanteerd. We meldden ons bij het plaatselijke VVV-kantoor waar we ‘op het oog’ een keuze maakten uit het overzicht particuliere overnachtingsplaatsen. Daaraan hebben we nog steeds goede herinneringen. We spraken meestal Frans met de Portugezen die we ontmoetten.

Tijdens de derde trip brachten we een nacht door in een pousada, een tot hotel omgebouwd voormalig klooster. En toen - zoals dat heet – onlangs ‘een aanbieding voorbijkwam’ om een week te logeren in pousadas tussen Lissabon en Faro, was de keuze snel gemaakt.

Op woensdagmorgen 15 mei 2019 vliegen we van Eindhoven naar Lissabon. Daar staan we tweeëneenhalf uur later bij de balie van Avis om de auto op te halen. Nummertje trekken, 06-nr achterlaten en ‘Gaat u ondertussen bijvoorbeeld wat eten en drinken; wachttijd zeker een uur’. Het is lunchtijd en om de hoek bevindt zich een restaurant. Bovendien kan de klok een uur terug. Als we weer richting balie zijn gegaan, krijg ik een sms met een in het Frans gestelde oproep: ‘Nog drie wachtenden voor u’. Vanaf dat moment is het snel gefikst.

Meer Frans is niet nodig: Engels zal tijdens de komende week de gezamenlijke taal zijn.

Met de Toyota is het even wennen: de auto is geen automaat. Snel daarna rijden we over de lange Vasco da Gamabrug (iets meer dan 12 km) en passeren we ‘zwevend’ de Taag. Een uur later zijn we bij de afslag Alcácer do Sal. De Pousada Dom Afonso II ligt uiteraard op het hoogste punt. Een alcácer, in het Spaans alcázar, komt uit de Moorse tijd van het Arabische woord voor kasteel ‘al-kassr’. En dit soort versterkingen bevindt zich bij voorkeur op de top van een heuvel: makkelijk te verdedigen tegen de vijand die al van verre gezien wordt.

In dit voormalige kasteel-klooster woonden Clarissen. De (enorme) ruimte die wij toebedeeld krijgen, heeft nog tralies voor de ramen. Het opgeknapte gebouw is sinds 1998 een pousada.

Het uitzicht op de rivier Sado en de omringende rijstvelden is prachtig. Het plaatsje blijkt een van Portugals oudste havens te zijn, gesticht door de Feniciërs en groot geworden in de Arabische tijd. ‘Sal’ verwijst naar de zoutwinning in het estuarium.

We bekijken het gebouw aan de binnenkant en wandelen buiten over de gaanderij die achter kantelen van de oude verdedigingsmuur loopt. Het is 32°C, het dubbele van de temperatuur bij vertrek in Eindhoven. We laten het zwembad links liggen en via de lange trap in de centrale hal trekken ons terug achter de deur van 201 waar Portugese zoetigheid en fruit met kaneel op een tafel staan.

Om 20.00 uur gaan we aan tafel. De 15de editie (2017) van The Rough Gide to Portugal zegt in een alinea over deze pousada o.m. dat er een ‘top-notch restaurant’ is. En dat blijkt helemaal waar te zijn. Prachtige op de regionale keuken van de Alentejo geïnspireerde gerechten. Met een zachte wijn uit de buurt.

woensdag 8 mei 2019

Palazzo della Ragione

Eind april was ik voor familiebezoek in Noord-Italië. Vanuit mijn logeeradres in Caravaggio bezocht ik met mijn neef en/of zijn gezinsleden Treviglio, Bergamo, Padua en Turijn. Turijn was nieuw voor me. Dankzij mijn (achter)nichtje - architecte en een wandelende ‘enciclopedia d’Arte Italiana’ - werd de stad ‘geopend’.

Voor Padua gold een ‘weerzien na  50 jaar’. Van vijf decennia terug was er het nodige blijven hangen: de wapenschilden op de binnenpleinen van de universiteit, de kerk van Antonius van Padua, de Cappella degli Scrovegni. Bij nummer een en twee kunnen we nu zo binnenlopen. Een bezoek aan nummer drie is niet anders mogelijk dan met een kaartje dat tijden tevoren besproken is. Toen, inmiddels lang geleden, moesten we voor de kapel met prachtige fresco’s van Giotto, laat in de middag nog op zoek naar iemand die de sleutel had (klik). Zelden heb ik zoiets moois gezien. Op vrijdag 26 april jl. lopen we er dus aan voorbij.

Het menselijk geheugen werkt selectief. Ik meen zeker te weten dat voor de basiliek van Antonius van Padua (die eigenlijk uit Lissabon kwam) een beeld van een man-te-paard staat, gemaakt door Donatello (1386-1466). En dat blijkt te kloppen: het ruiterstandbeeld van Gattamelata. In mijn herinnering was het kunststuk groter. Imposanter. Ruiter en dier lijken gekrompen. En van dat laatste m.n. de kloten. Het bekende verschijnsel van herinneringsverfraaiing is hier zeker niet van toepassing; ‘herinneringsverschrompeling’?

Nichtlief heeft een tafel(deel) gereserveerd in Osteria dei Fabbri (aanrader!). Tijdens de maaltijd spreken zij, haar pa en ik over de toegenomen toerismedruk in Italiaanse steden. Padua fungeert inmiddels als ‘overloop’ voor Venetië. Die kanalenstad is dichtgeslibd met bezoekers en vanuit het goedkopere Padua ben je er zo met hsl.

De regen die tijdens de maaltijd was begonnen, trekt al snel weg als we op weg gaan naar het Palazzo della Ragione, het oude bestuurs- en economische centrum van de stad. Binnen het samengeklonterde geheel van palazzi en pleinen, neemt de ‘Grote Hal’ (‘Salone’) een opvallende plaats in. Van een afstand tussen de oogharen bekeken, doet de koepel denken aan het Sportpaleis aan de Antwerpse Ring. Met de ogen wijd open, valt elke gelijkenis weg.

Het zou de grootste ‘hal’ in Europa zijn met een dak (in de vorm van een omgekeerde boot) dat niet door zuilen gedragen wordt. Zoals bij veel in het centrum is ook hier de Venetiaanse stijl duidelijk aanwezig. We kopen een kaartje en nieuwsgierig stap ik de trap op naar de ingang. Binnen sta ik met open mond te kijken: wat een ruimte, wat een grootsheid. En dan die fresco’s.

Aan de korte kant links bevindt zich een joekel van een paard; uitgevoerd in hout: ‘il cavallo ligneo’. In 1466 gemaakt naar het (kleinere) origineel van Donatello. Met inderdaad de forse kloten uit mijn herinnering!

Wat me sindsdien bezighoudt, is de vraag waarom juist het eerdere bezoek aan dit indrukwekkende interieur - want dat moet er lang terug echt geweest zijn - op een 'detail' na - uit mijn memorie weggevaagd is. Ouderdom? Selectieve werking? Hoe dan ook: een klotegedachte. Daar staat tegenover dat ik van het bezoek aan die salon genoten heb, alsof het de eerste keer was. Dat dan weer wel.

Voor mijn vertrek naar huis koop ik in Caravaggio bij La Bottega di Pepo twee gedroogde worsten. Vaste prik. Gemaakt van paardenvlees. En nee, wat daarin van dat beest verwerkt is, vraag ik me nooit af. 



.

zondag 5 mei 2019

Droomland


Deze tekst stond op 5 mei 2019 als Column in de rubriek ´Onder de Boschboom´ van de Bossche Omroep 

Sinds Pasen ligt er een nieuw tafellaken onder onze ontbijtborden. Het oude linnen geval kreeg rafelrandjes. Als eigentijds voorstander van hergebruik nam ik het sleetse kleed mee naar de nieuwe Bossche stadstuin. ‘Daktuin’ is beter: de ‘groene oase’ bevindt zich namelijk op het bovenste dek van parkeergarage De Wolvenhoek. Een troosteloos punt. Ik heb daar het laken over de enige tafel gelegd.

Die stadstuin heeft de afmeting van een aantal tafellakens. Er zijn wel 10 parkeerplaatsen voor opgeofferd: tel uit je winst. Zo´n daktuin van deze afmeting doet me eerder aan een platje denken. Ik voelde iets van plaatsvervangende schaamte: een trefpunt van postzegelgrootte in de Cultuurstad van het Zuiden. Beknibbelaars.

Zo´n kansrijke troosteloze plek heet sinds het ‘stadsdebat’ van 27 maart jl. een ´rafelrandje´. Voor cultuurminnaars een plek bij uitstek voor stadsvernieuwing. Innovatieve zustersteden Tilburg en Eindhoven zaten na de neergang als respectievelijk textiel- en industriestad opgescheept met winkelhaken en gaten. Zoiets triests inspireerde bestuur en bevolking tot gezamenlijke initiatieven. Inmiddels heeft de directeur van Babel het Bossche bestuur uitgedaagd om van dit fusiehuis iets te maken dat zo spraakmakend wordt als de Tilburgse LocHal. Ze durft.

Wie dat Tilburgse ontmoetingscentrum bezocht heeft, weet dat de Babelplannen gaan verdwalen in een spraakverwarrend debat. Den Bosch is een soortement Doornroosje. Mooi, ingeslapen, niet wakker te krijgen. Zelfs niet met ‘Er was eens …’ over Tilburg of Eindhoven. Of Veghel.

Ja Veghel. Met zijn rafelkade. Daar kwam een succesvol cultuurnest dankzij de ideeën van bevolking en bestuur. Niet echt verrassend dus, dat tijdens genoemde debatavond onze cultuurschepen de vraag kreeg naar de toekomst van onze Tramkade. Evenmin opzienbarend was zijn opgetekende reactie: ‘Eind van dit jaar komt er een kader over hoe wij om denken te gaan met dit gebied. Daar hoort ook cultuur bij. De Tramkade is een hotspot die we koesteren, maar in welke hoedanigheid weten we nog niet’. Hiermee heeft Mike van der Geld geschiedenis geschreven. Vooral met dat laatste visionaire zinnetje.

‘We’ verwijst natuurlijk naar ‘Wij van Markt 1’. Niet naar ‘Wij Bosschenaren’. Die worden ingeschakeld voor wat kanttekeningen als het ‘kader’ in ambtelijke kringen van de schaafbank komt. Eigenlijk ligt alles dan dus al vast.

In mijn fantasie reed de wethouder na het debat op de fiets naar zijn huis aan een rafelrand van de stad. Tevreden over het feit dat hij de Tramkade dus mooi geparkeerd had. Toen kwam de twijfel: ‘Een kader geeft ook grenzen aan. Beknibbelend. Het plan moet juist een venster bieden. Grensoverschrijdend zijn. Op een lonkend perspectief uitkijken. Bosch Droomland, dat had ik moeten zeggen. Niks kader!’

Dit soort inzichten ontstaat echter pas in het heldere licht van de kennis achteraf. Het kan dus nog anders.