zaterdag 24 december 2011

Geheugenpaleis (2); vergeten kunst

Ik lees het Geheugenpaleis. Wie is de legendarische Joe Greenstein? Nooit van gehoord en hij staat al meteen vooraan de tekst. Dit boek is niet voor Europeanen geschreven. Of voor lieden uit Tibet, Thailand en Terschelling. Zo Amerikaans als Thanksgiving Day. Of 'Let’s have lunch together'. Dat was het dan: gestopt op pagina 14.

Toevallig of stiekem verder kijken. Mmm, er blijkt nog een ‘wereldkampioen geheugen’ te bestaan. Niet afhaken dus en gewoon doorlezen?

Mirakels, dan wordt het verhaal interessanter: een fotografisch geheugen zou niet bestaan en onthouden is volgens de dan regerend kampioen 'geheugenatleten' slechts 'een kwestie van techniek en inzicht in de werking van het geheugen'. Iets dat voor eenieder weggelegd is. Kijk, nu wordt het aantrekkelijk om toch de volgende pagina om te slaan. Ook voor mij.

Ik kom op bekend terrein: dat van de verteller, de éénoog in het land der blinden. Als nog nauwelijks iemand leest, vertelt hij het volk 'Van den vos Reynaerde'. Zomaar uit de kop, want in die tijd gaat veel mondeling van generatie op generatie. Als boeken uiteindelijk gemeengoed worden, raakt de kunst van het onthouden vergeten. Op pagina 18 raak ik écht nieuwsgierig.

Zet mij voor publiek en dan weet ik van geen ophouden. Vraag me dan niet elk woord volgens een vastgelegd script te reproduceren, want dat is er absoluut niet bij. Ik kan nog geen twee zinnen van een populair lied onthouden. Ook niet als ze – hoewel niet wereldberoemd – van eigen makelij zijn. Gewoon niet. Zou ik dat vasthouden dan toch kunnen leren? Ik stel me al voor de 15 coupletten van het Wilhelmus onder enige hapering feilloos uit mijn bolle toet te kunnen opzeggen. Zingen zelf, indien gewenst. Dat is geen vaderlandslievende daad: het nut zit hem in het weten te onthouden. Ik ben nu wel zeer benieuwd wat de volgende pagina's van het Geheugenpaleis aan mijn raderwerk gaan brengen.

vrijdag 23 december 2011

Toledo (6); soldatenvolk

Als de Nederlanden onder de Spaanse kroon vallen, reizen allerlei lieden uit het zuiden hierheen. Overheidsdienaren, zakenlieden en natuurlijk soldaten. Van die laatste beroepsgroep zijn er steeds meer nodig. Zeker als het morren onder edelen en burgers toeneemt.

Veel militairen komen te voet. In de jaren ontstaat de zogenoemde Camino Español, de Spaanse weg van de havenstad Genua naar Namen of Brussel. Geoffrey Parker heeft daarover een boek geschreven. En later Fernando Martínez Laínez.

De weg is in gebruik van 1567 tot 1623. De eerste lichting staat onder commando van Alva. Die moet na de Beeldenstorm van 1566 op bevel van Filips II orde op zaken gaan stellen in de Noordelijke gebieden. Overigens wordt er ook wel gebruik gemaakt van een zogenoemde ‘Zwitserse weg’ en tot 1640 kwomen er ook per boot. Met uitzondering van het Twaalfjarig bestand, kan de ‘permanente’ troepenmacht gemiddeld uit zo’n 64.000 personen bestaan.

Dat soldatenvolk wordt ‘ingehuurd’. Parker heeft berekend dat het ‘echte’ Spaans aandeel in onze contreien hooguit 12-14% bedroeg. Bourgondië, Wallonië, de Italiaanse en Duitse landen zijn belangrijke ‘hofleveranciers’. Dat huurleger komt niet automatisch tot stand. Ronselen is aan de orde van de dag. Als in Spanje de oogst verbrandt of verzuipt, staan de boerenzonen in de rij. Blijven ze thuis, dan gaan de autoriteiten er zelfs toe over om de gevangenissen open te zetten. D'r komt dus ook tuig van de richel mee met de meute. Die kan zo'n 4.000 monden tellen. 'Monden', want onderweg is het steeds weer zaak om aan eten te komen voor de soldaten, hun vrouwen, kinderen en andere begeleiders. Alleen al daarvoor is constant een legertje diplomaten en kwartiermakers in de weer ter voorbereiding van de (bijna) jaarlijks aanvoer van nieuwe troepen.

Op 7 december 2011 loop ik in de militaire academie van Toledo door een ruimte met herinneringen aan de Spaanse infanterie in de Nederlanden. Portretten van Alva, Parma en Juan van Oostenrijk hangen tegenover kleurrijke vlaggen. Ook zijn er de nodige wapens in deze 'Vlaamse zaal'. Hieronder een exemplaar van de bekende 'picas'; deze lansen waren berucht. Nu nog bestaat er een uitdrukking in het Spaanse die verwijst naar de moeilijke tocht van Spanje naar het noorden: 'Poner una pica en Flandes'. Dit betekent nu 'iets realiseren wat bijna onmogelijk is'.

woensdag 21 december 2011

Geheugenpaleis (1); leesdwang

Fascinatie voor boeken: ik weet niet beter. Gelukkig stuurden ze me al vroeg naar een Montessorikleuterschool. Het woord dyslexie kon toen nog niemand bedenken, laat staan lezen en met vier oudere zusjes was sprake van een leerrijke omgeving. Dat schiet op.

Als ik vijf ben, lees ik de Volkskrant, nou ja, het beeldverhaal rond Smidje Verholen. Mijn kerkboekje ken ik al wel van buiten. Makkelijk zat, met die tekst in lettergrepen. 'Wat je niet weet, kun je aan Je-zus vra-gen'. 'Hoe kunnen ze daarboven nou weten dat mijn zussen al mijn vragen beantwoorden?', denk ik. Een domme gedachte, want voor de hemel is niets verborgen.

Die meiden bij ons, die blijken inderdaad een omgevallen boekenkast. Ze weten ontzettend veel, hoewel toch wat cruciale uitgaven ontbreken. Daarnaar 'moet' ik zelf op zoek. Dus meer dan 60 jaar later lees ik nog steeds. Bijna als een verplichting. Sinds kort doe ik dat om te achterhalen waarom ik toch al die decennia doe wat ik doe.

Dat laatste komt door mijn nichtje dat de stomme vraag stelde 'Van wie moet je toch al die dingen in je leven?' Ze heeft er pas de helft van mijn leeftijd opzitten en lijkt soms veel wijzer. In elk geval stond ik toen met mijn mond vol tanden. Anderzijds ben ik een laatbloeier en zoals bekend, hebben die nog alles voor zich. Lezen dus.

Vóór mij ligt 'Het Geheugenpaleis'. Een cadeau van mijn vrouw. Geen stille wenk hoor ('Waar zijn mijn sleutels?'), want ik vroeg het zelf. Ik zit er gefascineerd naar te kijken. Het kijkt terug naar mij en lijkt te zeggen: 'Ik wil jou!'. Nou, dat is dan wederzijds. Wordt dit de steen der wijzen? Snap ik na afloop wat mij beweegt?

Tot nu toe ben ik echt al wat meer aan de weet gekomen van de zaken die mij regeren: vooroordelen, verwachtingen, overtuigingen. En over de luiheid van mijn geheugen, de aannames in een gesprek, de samenhang tussen dingen, woorden en begrippen. Dat mag ook wel na 'Het slimme onbewuste', 'Waarom ik voel wat jij voelt' (over spiegelneuronen), 'Wij zijn ons brein', 'Verander je leven met NLP', 'Een tijd voor empathie', 'Stil de tijd' en 'Word zelf filosoof'. Da's toch 'ginne flauwekul'. Nu dan 'Het Geheugenpaleis'.

Ik laat wel weer wat van me horen; ik moet nu aan de slag: leesdwang.

dinsdag 20 december 2011

Toledo (5); 'por un hermano perdido'

Spanje lijkt begin december te grossieren in feestdagen. Als we op 6 december in Toledo arriveren, blijkt de stad mooi aangelicht vanwege de 'Día de la Constitutión'. De dag - zeg maar - waarop het land in 1978 drie jaar na Franco's dood een doorstart maakte als democratische natie.

De 7de is gewijd aan de H. Ambrosius. De Academía de la Infantería herdenkt de gevallen soldaten. Op de 8ste is het feest van María Inmaculada, Maria Onbevlekte Ontvangenis. 'Patrona de la Infantería en de toda Espana', lezen we op een spandoek. Op het kazerneterrein gaat dit groots gevierd worden. De hoofdaalmoezenier die 's morgens de kerkdienst leidt, begint zijn preek met een verwijzing naar Empel. Daar vormt een strijd in 1585 de basis voor de toewijding aan Maria Onbevlekte Ontvangenis. Hij legt in zijn preek een direct verband tussen de humanitaire functie van het huidige leger en de inzet van de troepenmacht in 1585. Wat bindt, is de hoop op een betere toekomst. 'Als die hoop ontbreekt, kun je het leger net zo goed opdoeken'.

Op het enorme binnenterrein vindt een huldiging plaats. Allerlei (hoge) gasten (zie foto generaal boven) zien hoe het-kader-in-opleiding defileert en ten slotte een krans legt voor de gevallen collega's. Terwijl een afvaardiging met de krans statig naar het monument marcheert, zingen de andere militairen - begeleid door de muziekkapel - het lied 'Por un hermano perdido' (zie video benden). Het gezang golft door de omsloten ruimte en mij schieten de tranen in de ogen. De eigenlijke titel luidt 'La muerte non es el final'. In de periode 1981-1986 werd het Spanjes officiële muziekstuk bij dodenherdenkingen. Diplomatiek verwijst het naar alle soldaten die door de vele eeuwen heen stierven in dienst van het vaderland. Het is een religieus lied in een republiek waar zoals in ons land een scheiding heerst tussen kerk en staat. Voor ik met het Nederlandse vingertje wijs, realiseer ik me dat het zesde couplet van 'ons' Wilhelmus begint met 'Mijn schild ende betrouwe zijt Gij, o God mijn Heer'.

Na een kort defilé aan de buitenzijde van het kazernegebouw volgt in de middag een 'Vino de honor'. Een receptie waarbij de gasten staande aan tafels peuzelend en koutend elkaar op een aangename wijze ontmoeten. Ook de generaal die hierbij een proost uitbrengt, refereert aan Empel. De afvaardiging uit deze verre uithoek aan de Maas netwerkt. Ik krijg de gelegenheid met een aantal aanwezigen te spreken over mijn onderzoek naar Spaans Den Bosch. En uiteraard over 'Het wonder van Empel'. Voor mijn gehoor lijkt wat in 1585 plaats vond, niet ver weg. Als ik gaandeweg te tijd vergeet, geldt dat ook voor mij, de verteller.




vrijdag 16 december 2011

Bossche taal (11); akkedere

Toen ik als 12-jarige naar het gym ging, bleken ze daar net iets anders te praten dan ik gewend was. Uiteraard verstond ik alles, maar het werd vaak iets anders uitgesproken. Ik leerde nieuwe woorden aan en oude af. Dat laatste was een langdurig proces, want van een fiks aantal bleef ik nog jaren denken dat ze gewoon in het woordenboek van het ABN stonden. Niet dus.

Zo ben ik nog eeuwen blijven zeggen ‘akkederen’ en inmiddels weet ik ook wel dat het tot het dialect behoort. ‘Akkederen’ bekt lekker, het is afgeleid van het Franse ‘accorder’ en in mijn omgeving weet iedereen dat het om zoiets gaat als ‘het samen goed kunnen vinden’. Er is dus sprake van ‘een hoge klikfactor’ als mensen die elkaar pas kennen, ‘samen prima met elkaar door de bocht’ kunnen. Collega’s, bijvoorbeeld. Of nieuwe buren. Noem maar op. ‘We akkedere goed’, zeg je dan. In het Bosch hoor je ook ‘Neeje’, dè akkedeert wel’. Hiermee kan iemand zijn of haar vertrouwen uitspreken over het vervolg van een nog jonge samenwerking.

Inhoudelijk ver weg van ‘akkedere’ staat ‘verrinnewere’: kapot maken. ‘Ge het oew boek himmaol verrinneweerd’ betekent dan ook dat iemand genoemd eigendom geheel en al ‘geruïneerd’ heeft. Want dat wordt bedoeld. ‘Lig de boel toch nie te verinnewere’ is ook zo’n uitspraak. Gericht tot bijvoorbeeld een kind dat erg ruw omspringt met speelgoed.

‘Der Dritte im Bunde’ om het zo te zeggen, is ‘aanrikkemedere’. Dat betekent ‘aanbevelen’. Daarmee is duidelijk dat hier sprake is van een contaminatie: het foutief aaneenplakken van woorddelen. ‘Aan’ komt van ‘aanbevelen’ en ‘rikkemedere’ is een vervorming van het Franse ‘recomander’.

Het Bossche dialect: 'ik kan 't oe aanrikkemedere'.

donderdag 15 december 2011

Beulingstad

Als de bode hem de brief brengt, gaat zijn hart sneller kloppen. Hij herkent het logo en eigenlijk hoeft hij de envelop niet meer te openen. Het is zo al duidelijk en hij belt gelijk naar huis: ‘We zijn de fietsstad van Nederland geworden!’ Hij schrikt van zijn eigen volume als hij hoort met wat voor een enthousiasme hij dit nieuws door de hoorn brult. ‘Fijn jongen’, zegt zijn vrouw, ‘en wat wordt je volgende doel?’

Die vraag brengt hem weer met beide voeten op de grond. Zijn stad heeft nu ongeveer elke titel behaald die hij zich kan wensen. Zijn volgende horizon, miljaar, hij weet het even niet. Als troost leest hij dan toch maar even de brief waarmee hij nog in zijn handen zit. Vervolgens verlaat hij zijn werkplek, zet zijn mobiel uit en doolt depri, zonder iets of iemand te zien uren door het centrum. Uiteindelijk ziet hij voor de etalage van een slagerij het licht. Nog net voor 18.00 uur doet hij de aankoop die zijn leven een nieuwe impuls kan geven. Nu naar de vrouw.

Hij komt in een leeg huis. Op tafel ligt een briefje: ‘Ben een uurtje spinnen. (Magnetron). X.’ Hij glimlacht: al is het dan niet buiten, zijn echtgenote zit wel op de fiets. Snel haalt hij een pan uit het keukenkastje en memoriseert de instructies van de slager. Boter bruin laten worden, de worst in schijfjes snijden – niet te dik en niet te dun – die krokant bakken en ze daarna meteen eten met wat brood. Verhip, en meepesant wat appelschijfjes smoren.

Terwijl een heerlijke geur de keuken vult, trekt hij een fles witte wijn open. Een godenmaal wacht hem: echte Bossche beuling. Net zo authentiek als het woord ‘uwes’. En net zo uniek. Hij heeft zijn target gevonden: ‘Den Bosch, beulingstad van het jaar’.

‘Helemaal niet slecht’, stelt hij vast bij de eerste hap. ‘Sterker nog: mirakels lekker. Een streekproduct ook nog.’ Dat weet hij nog van toen Den Bosch hoofdstad van de smaak was. Ook al afgevinkt. Streekproducten zijn eerlijk, ambachtelijk, duurzaam en ze kunnen bogen op een eeuwenlange traditie; hij heeft dit in 2010 vaak uitgesproken vanachter de microfoon. ‘Het wordt de échte Jeroen Bosch Beuling’, zegt hij ferm. ‘Die is vast nog wel op een van zijn schilderijen terug te vinden. Of was dat nou bij Brueghel?’

Hij snijdt de rest ook en bakt de schijfjes knapperig bruin. ‘Da’s een flinke hap’ en hij zet wat in de magnetron staat weer in de koelkast. ‘Echte Jeroen Bosch Beuling, de Bossche tapa.’ Verdomd, dat klinkt magnifiek. Hij wil dit direct naar zijn contacten in Madrid sms’en maar zijn mobieltje staat uitgeschakeld. ‘Mañana, señor’, zegt hij en hij begint aan zijn tweede bord Bossche tapa.

Als zijn vrouw terugkomt van haar uurtje spinning plus cooling-down vindt zij haar man gelukzalig kijkend achter zijn lege bord. ‘Lieve schat’, zegt hij, ‘we worden de beulingstad van Nederland’. Ze glimlacht verheugd. Een man met een missie lééft!

Column Bossche Omroep, De krant op zondag, 18 december 2011

Toledo (4); kathedraal

'España son más que las playas'. Dat schreef een Spaanse dame me jaren terug. 'Spanje is meer dan strand'. En dat is zo: er is veel prachtig binnenland. Met natuur, dorpen en steden. Dat begon ik toen net te ontdekken.

Toledo blijkt zo'n stad. Dat was zo toen ik er in 2007 voor het eerst verbleef en nu begin december 2011 opnieuw. Als we op de woensdagmiddag vóór het feest van Maria Inmaculada door de straten richting kathedraal stappen, is dat voor oog en oor een groot genoegen. Romeinse, Arabische, Joodse en vooral Castiliaanse elementen vormen een bont geheel. Met temidden van dit alles een gotische kerk die zo overgeplaast lijkt uit noordelijker streken.

Vreemd is dat niet. Als in de dertiende eeuw aan dit godshuis begonnen wordt, is de Franse gotiek populair. Bovendien komt de eerste bouwmeester Martín uit Frankrijk en een belangrijke vijftiende-eeuwse opvolger uit Brussel: Hanequin de Bruselas. Hij, zijn broer Egas Cueman en hun nakomelingen vormen een zeer productieve 'bouwfamilie' in Spanje.

De kathedraal van het Franse Bourges is het uitgangspunt voor de Toledaanse architecten. Om een aantal redenen krijgt het Spaanse bouwwerk een eigen vorm. Alleen al omdat zowel de oude moskee als de aanpalende omsloten 'tuin' door respectievelijk middenschip en klooster 'overkapt' moeten worden. Of liever 'weggemoffeld'. Als je erop gewezen wordt, blijken de resten van de moskee nu nog duidelijk zichtbaar.

Dat Arabische erfgoed is hier niet zo een-twee-drie in het oog lopend. Gemakkelijker ligt dat in Cordoba, waar de moskee goeddeels gehandhaafd blijft. Als teken van de triomferende kerk is in dat tere gebedshuis wel een katholieke kathedraal opgetrokken. Helemaal met de botte bijl ging Karel V aan de slag. Die liet in het delicate Alhambra van lomp paleis planten. Alsof hij hiermee wilde zeggen: 'Granada behoort echt tot het territorium van het Spaanse koningshuis'.

Honden palen hun gebied gemakkelijker af. En bouwkundig ook minder desastreus. Nou ja, da's natuurlijk geklets achteraf.