vrijdag 8 juli 2011

Pelgrimsstad

'Het is maar een kleine stad', zegt de mevrouw van het VVV. Daarvoor heeft ze me in sneltreinvaart alle plaatsen op de kaart aangewezen die ik zeker moet zien. 'Klein en mooi'. Het kantoor ligt tegenover de trots van León: de gotische kathedraal. León, gesticht door een Romeins legioen. De muren uit die periode zijn nog op verschillende plaatsen in de oude stad te zien. Daarna zaten de Visigoten er en vanaf 712 de Moren. Die werden hier in 850 verjaagd waarna de stad langzamerhand herbevolkt raakte en zich kon ontwikkelen. Onder meer tot rustpunt op de 'camino' naar Santiago de Compostela.

De gotische kathedraal domineert de stad. Ik vind het de meest complete kerk in zijn soort. En zelfs als Bosschenaar kost het me geen moeite om dat te zeggen. Het retabel bij het hoofdaltaar bevat 24 geschilderde panelen. Het imponeert me. Aan de latere koorafsluiting hebben beeldhouwers uit de Nederlanden gewerkt. Als in mijn vorige blog aangegeven, was de aanwezigheid van dit soort specialisten uit de Lage Landen in die tijd normaal geworden.

Het 'retablo mayor' in de romaanse Real Colegiata de San Isidoro kan zich meten met dat in de kathedraal. Ook dit romaanse godshuis is magnifiek. Hierna volg ik het lijstje dat ik eerder 'opkreeg' van de VVV-dame. En inderdaad: klein en mooi. Het voormalige Monasterio de San Marco, (nu parador), het Casa de los Botines, een vroeg neo-gotisch werk van Gaudí, het Palacio de los Guzmanes. En naturlijk de paseo langs de rivier, de wirwar van veelkleurige straatjes en pleintjes.

Tijdens mijn wandeling door de binnenstad wordt me duidelijk hoe León zich manifesteert als stad voor pelgrims. Beelden, onderkomens, speciale menu's en natuurlijk de mannen en vrouwen op weg naar Santiago de Compostela accentueren deze status. Mijn bewondering voor de Santiagogangers groeit. Het is warm en het platteland hier komt me dor en hard over. Dan zijn dorpjes als datgene waar ik ovenachtte ongetwijfeld oases.

Ik ga op weg, in de auto, naar de volgende stad aan de camino: Burgos.

donderdag 7 juli 2011

Bolduque in Spanje

Na 400 km dan eindelijk in Medina de Rioseco. 'Eindelijk' omdat de afstand - ook via de goede wegen - lang blijkt. 'Eindelijk' ook omdat ik dit plaatsje boven Valladolid al lang wil bezoeken.

In de 15e en 16e eeuw was dit stadje van groot belang. 'Het was groter dan Madrid', zegt de medewerkster van Museo San Francisco. 'Het koningshuis bleef ondanks alle verhuizingen dicht in de buurt. Medina de Rioseco was een knooppunt van wegen. Handel, plus veel opdrachten vanuit het koningshuis aan de ambachtslieden en kunstenaars die hier gevestigd waren. Bovendien was het de stad van de Almirantes'.

Ze legt me uit dat een 'almirante' in die tijd het bevel voerde over de vloot. Hij zat in zeggenschap hoog op de regeringsladder. En die functionaris was natuurlijk rijk. Door al deze omstandigheden bruiste het hier van leven en het voormalige klooster en de kerken getuigen hier nog van. Tja, Filips II verplaatste het hof van Valladolid naar het kleine Madrid, dat al snel uitgroeide tot een stad van formaat. Medina de Rioseco doet op deze warme namiddag ingedommeld aan. Het ligt midden een een uitgebreid leeg stuk Spanje waar het graan wordt binnengehaald en de velden zonnebloemen nog enige kleur geven aan een dor land.

In die gouden tijd waren er veel beeldhouwers werkzaam in Medina. De belangrijkste was ongetwijfeld Juan de Juni. Hij kwam uit Frankrijk (mogelijk Joigny) en hij werkte samen met andere vakgenoten. Een daarvan was Pedro de Bolduque en diens neef Mateo Enrique. De Bolduque betekent Van 's-Hertogenbosch, en elders in Spanje ging ik al op zoek naar werk dat hij achterliet. Hier dus ook in verschillende gebouwen. Ik krijg van die spraakzame medewerkster voorafgaande aan de officiële (en mooi vormgegeven presentatie) een snelle rondgang langs de 'Bossche' werken in het museum. Daarna zie ik nog twee kerken/musea.

En dan naar Mansilla de las Mulas.

woensdag 6 juli 2011

Vergezicht

Het regent flink. Zelfs de poncho moet In Portonovo uit de rugzak terwijl ik op de boot wacht. Isla de Ons, het doel van de trip, is onzichtbaar in de wolken. Er moet ook een groot gezelschap kinderen mee. Die laten zich keurig opstellen in rotten van vier en verdwijnen gedisciplineerd naar het benedendek. Ik ga boven zitten. Het is inmiddels droog. Vrij uitzicht naar alle kanten maar van vergezichten is geen sprake. De kleine ferry vertrekt om precies 12.30 uur en ploetert een half uur tegen de wind in. Af en toe is de deining zo pittig dat een er een groepskreet opklinkt vanuit het vooronder.

Isla de Ons is een nationaal park. Je mag er niks van meenemen of er iets achterlaten. Bij het ticket hoort ook een plastic vuilniszakje. Vol weer weg te gooien op het vasteland. Op dezelfde hoogte liggen meer eilandjes die de zuidelijke Rias van Galicië beschutting bieden tegen de wind van de Atlantische Oceaan. Deze streek is duidelijk warmer dan de het noordelijke deel van dit gewest. De plantengroei is hier kleurrijker en het doet mediterraan aan. De Rias Baixas vormen ook een bekend wijngebied. En voor Spanjaarden een bekende vakantiestreek. De standen en strandjes zijn er mooi. Op sommige plaatsen, zoals bij Portonovo en eigenlijk heel de gemeente, is de kust wel erg vol met die hoogbouw van hotels.

Isla de Ons is de rust zelve. Vanwege het slechte weer zijn weinig mensen deze kant op gekomen. Al snel breekt de zon door en het geweldige Praia de Melide is geheel verlaten. Het is een plaatje uit de Bountyreclame. Op het eiland wonen nog 70 mensen, geconcentreerd aan de oostkant. Zestig jaar terug waren er dat nog zo'n 450; de meesten trokken naar de overkant. Wel barst het eiland van de vogels. Het telt met 30.000 broedparen de grootste kolonie geelpootmeeuwen ter wereld. Die informatie lees ik op een bord. Ze hebben jongen en als je te dicht in de buurt komt, vliegen ze laag over je heen.

Op veel plaatsen zijn de uitzichten grandioos. Het is helemaal helder geworden en vanaf een bepaald punt bij de vuurtoren zie ik naar het noorden en naar het zuiden de hele eilandenrij. En magnifiek vergezicht. Ik loop het hele eiland rond en neem om 19.00 uur de boot terug naar Portonovo. Isla de Ons, een kleurrijke ervaring blijft stil achter in de Oceaan.

maandag 4 juli 2011

Spaanse molens


Vandaag loop ik de 'Ruta de los Molininos en Samieira'. Een wandeling langs 23 voormalige watermolentjes. De tocht begint bij het strand van Samieira, wat in het Spaans 'Santa Maria' is.

De bedoeningen waren tot 50 jaar geleden nog in bedrijf. Ze maalden graan. Naar het schijnt dag en nacht in het hoogseizoen. Nu behoren ze tot het Gallisisch cultureel erfgoed. Het merendeel lijkt aan restauratie toe. Ze liggen als parels van een ketting langs een stroompje. 's Morgens belt de eigenaar van hotel Linares nog naar het stadhuis van Poio met de vraag of er een molen kan draaien. Helaas is het zo'n droge periode dat er te weinig water is.

Na het laatste exemplaar loop ik naar een aantal hooggelegen plekken met fraai uitzicht over de schitterende baai. De stranden lichten op in de zon. Op een daarvan zag ik voor ik aan de molentocht begon een interessant schouwspel. Zo'n 100 vrouwen liepen met bakken op wielen en met harken richting vloedlijn. Bij eb gingen ze schelpdieren verzamelen. Die zouden vervolgens 24 uur verwateren, om daarna 'gezuiverd' door de visserscoöperatie verkocht te worden.

Ik kom zojuist terug uit het restaurant van dit familiehotel. Eten kan hier ook, maar dan wel op verzoek vooraf. Er is een dunne scheidslijn tussen keuken en klanten. Veel groente, lekker vlees en 'gele wijn'. Die komt in tegenstelling tot de witte wijn uit de eigen streek. Sterker nog: de eigenaar zelf is de producent van deze drank. Daarna schenkt hij een 'blanco', geen wijn, maar wat in Italië een grappa genoemd wordt. Het is weer bijzonder lekker.

zaterdag 2 juli 2011

Paradijs met briesje

Santiago de Compostela: druk op het plein bij de kathedraal. Daar is het lichaam van de apostel Jacobus begraven. Volgens de overlevering bracht hij het christendom naar Spanje. Hij werd onthoofd in Palestina waarna zijn resten terug kwamen naar Galicië. Zijn graf raakte vergeten en pas eeuwen later kreeg die bijzonder plek opnieuw bekendheid. Het eerste godshuis ontstond. Voor de grote kerk die er nu staat, arriveert en groep fietsers uit Portugal. De mannen leggen hun bepakte rijwielen neer, omarmen elkaar en gaan geëmotioneerd en bekaf in de zon liggen bijkomen. Meer pelgrims bereiken dit omvangrijke plein, te voet.

De plaats kon zich ontwikkelen als pelgrimsoord toen Jeruzalem in de 11de/12de eeuw voor de christenen moeilijk bereikbaar werd. Langs de route naar Santiago kwamen kerken en kloosters. De wegen liepen door het gebied dat niet of slechts kort door de Mohammedanen bezet was. De bouw van religieuze werken bracht handwerkslieden en kunstenaars uit andere delen van Europa naar het Iberisch schiereiland. Vanaf de 15de eeuw groeide de toestroom uit met name de Zuidelijke Nederlanden. Zo bouwde Enrique Egas in 1492 het 'gasthuis' naast de kathedraal van Santiago. Hij was de zoon van Egas Cueman. Die vestigde zich rond 1440 met zijn broer Hanequin de Bruselas in Spanje. Zij en hun nazaten werden hier de architecten van veel bekende kerken en kloosters. Hun Vlaams-Spaanse stijl geeft bijvoorbeeld de kathedraal van Toledo een opmerkelijke aanblik.

Santiago doet op deze zonnige zondagmorgen aangenaam aan. Ik drink en eet wat op de binnenplaats van het Costa Vella Café. In de beschutte tuin vormen schaduwrijke druivenranken en een klaterend fonteintje voor een klein paradijsje. De wandeling die ik daarna door de oude binnenstad maak, voert langs verstilde en authentieke hoekjes. Op een klein plein bruist het ineens van leven met de komst van een Gallicische dans- en muziekgroep.

Rond drie uur rijd ik naar Poio, gemeente Pontevedra. Daar heb ik gisterenavond laat via internet nog een kamer gereserveerd. Bij aankomst blijkt het kleine en nieuwe hotel Linares prachtig gelegen. De ontvangst door de familie is allerhartelijkst. Als ik wil, kan ik er 's avonds wat eten. Het zwembad heeft uitzicht op zee. In de verte zie ik het Isla de Ons. Ik bedenk met niet lang en installeer me lui op een ligbed. Het water blijkt zout en verfrissend. Met gemak houd ik het tot half negen uit. ' 'Paradijs met een briesje', denk ik halfsoezend. Om negen uur ga ik aan tafel. Moeder heeft heerlijk gekookt en vader bedient. Ik voel me verwend.

De lange kust van Galicië

Vandaag een rustige dag. Ik rijd toeristisch van een bewolkt Cabo Finisterre langs de kust naar het zuiden. De warmte van de afgelopen dagen is weg. De zon komt al snel door en de route is een lust voor het oog. Hemelsbreed kruip ik vooruit, want de weg kronkelt enorm. Het aantal baaien en baaitjes is niet bij te houden. Als ik denk al uren onderweg te zijn, zie ik aan de overkant van het water de vuurtoren van Cabo Finisterre in het licht liggen. Ik stop om van het uitzicht te te genieten. Is dit Galicië waar het altijd regent?

Ik passeer stranden en strandjes. Pareltjes. Sommige dorpjes hebben zich ontwikkeld tot echte vakantieoorden, terwijl de meeste gewoon een verzameling huizen gebleven zijn. Een mooie tocht. Ik stop in Noia, sla bij Eroski wat te eten in en lunch aan een klein en volkomen stil strandje.

Dan gaat het via de snelweg naar Santiago de Compostela. Ik verblijf in hotel Castro, tien kilometer ten noorden van de stad. Ik lees wat en laat met me 's avonds door de receptionist naar een restaurant in de buurt verwijzen. Ik loop erheen, eet uitstekend in 'Mar de Esteiro' en ga via de Camino door het bos weer naar het hotel. Morgen Santiago de Compostela.

vrijdag 1 juli 2011

Waar de wereld eindigt

De Romeinen wisten ook niet precies waar de wereld ophoudt. Was dat nou in Bretagne of in Galicië? Aan die onduidelijkheid danken we vandaag de aanwezigheid van 'wereldeinden' die teruggaan op de aanduding 'finis terrae'. Eentje in Frankrijk dus en die andere in Spanje. Grappig is dat beide districten met zo'n finale plek prat gaan op hun Kelitsiche afkomst.

Vandaag ben ik na een mooienochtend in A Coruna aangekomen in Cabo Finisterre, of in het Gallicisch 'Fisterre'. Het ligt aan de 'Kust des Doods'. Het weer kan er zo beroerd zijn dat schepen tegen de rotsen kapot slaan. Dat heeft veel mensen het leven gekost. De laatste dagen is het mooi weer. Vandaag geeft de thermoneter om 17.00 uur 29C aan. Ik zit dan onder een boom in de buurt van de vuurtoren stukjes krokant knoflookbrood te eten met een zachte tomatenpasta.
Vlak voor de toren bevindt zich de laatste routeaanduiding voor de bedevaartsweg naar Santiago de Compostela. Op de het betonnen paaltje staat 0,00 K.M. Deze plek is om een aantal redenen ook het eindpunt geworden van 'Camino'. Ik spreek een landgenoot die op 23 mei uit Noord-Nederland vertrok en een aantal dagen geleden in Santiago de Compostela aankwam. Hij had zonder problemen gelopen. Zijn verhaal over de reden achter deze tocht was erg persoonlijk.

Bijna aan de uiterste punt van het schiereiland staat een witte houten paal. De wens daarop luidt vertaald 'dat de vrede voorrang krijgt'. Pelgrims hebben daarbij schoenen, stokken en andere wandelattributen achtergelaten. Hun wens is uitgekomen. Nu die eerste nog.