woensdag 12 april 2017

Dagboek VS (13); Spanjaarden, Engelsen en ook nog Grieken

28/03 Gisteren zagen we laat in de middag bij het oude havenkwartier van Savannah een jonge man aan komen lopen terwijl hij beide armen uitgestrekt naar de hemel hield. Een 'blij' type, dacht ik op dat moment. Ineens renden van achter ons drie jonge kinderen op hem toe en klemden zich enthousiast aan hem vast. Dat stelde mijn beeld bij, zeker toen ook de moeder lachend naderbij kwam. Een gemixed koppel, op het eerste gezicht, zij zwart en hij wit en de kinderen in tussentinten. Gemengde stellen zijn geen uitzondering; dikgezaaid lijken ze niet tijdens onze tocht.

Dichterbij moest ik opnieuw mijn beeld bijstellen: de man had weliswaar een lichte huid met sproeten en tegelijkertijd duidelijk Afrikaanse trekken. 'You're pretty popular', riep ik hem toe. Hij antwoordde dat dit zeker zo was; nu althans. En of dat over tien jaar ook nog zo zou zijn? ‘Geniet dus van dit moment’, reageerde mijn vrouw, waarna zich een gesprek ontspon. Of we uit Londen kwamen (ons accent), hoe het Zuiden ons beviel, hoe lang we bleven. En nee, deze hoek was geen 'tourist trap', wel een 'tourist attraction'. Ik vroeg hem hoe een keuze te maken uit dit aanbod van eetgelegenheden. 'Waar zou jij met je vrouw gaan eten?', een vraag die ik graag stel aan localo's in een voor ons onbekende omgeving. 'Joe's', zei hij zonder aarzelen. Dus zaten we om 20.00 uur bij Joe's Crab Shack.

De morgen daarop gaan we na het ontbijt de (oude) stad in. Voorbij de wijk rond de City Market, lopen we door een reeks elkaar opvolgende prachtige lanen, waarin de brede kronen van Spaans-mosdragende eiken voor de nodige schaduw zorgen. Om 09.30 uur is het al warm; er is een middagtemperatuur van 29°C aangegeven. Een prettige omgeving om te wandelen. Ik zie een jonge vrouw met een parasol en het is alsof ik rondloop in het decor van een kostuumfilm uit vervolgen tijden.

De indeling is gedaan volgens het bekende dambordsysteem, waarbij alle ruimte is genomen voor de lommerrijke straten, de woningen en parkjes waarin de nodige borden staan waarop de teksten het verhaal achter wat je ziet, duidelijk maken. Opvallend veel is in steen gebouwd, waarbij vaak de voordeur van de woning zich op de eerste verdieping bevindt; bereikbaar via een trap. Rond 1850 is er flink wat neergezet. De katholieke St.-Jan Baptist is uitgevoerd in de neo-gotische stijl. Prachtig glas-in-lood.

De stad is aantrekkelijk om de evenementen en vieringen die er plaatsvinden, volgens de dame die vanmorgen in het hotel de gasten wegwijs maakt. 'Erg populair', geeft ze aan voor we in de wagen stappen om verder te rijden. De laatste jaren is de politie in verband met de evenementen hele wijken gaan afzetten voor het verkeer. De reden voor of het thema van de feestdag blijkt onbelangrijk: drinken is de rode draad. 'Zinloos Zuipen', denk ik bij mezelf. In mijn stad zijn ook Koningsdag, Bevrijdingsdag en Carnaval sterk op elkaar gaan lijken. Allez dan.

We verlaten rond 14.00 uur Alabama en zijn weer terug in Florida waar het doel van de dag Saint Augustine is, volgens eigen zeggen als oudste stad van Amerika, gesticht door de Spanjaarden in 1565. Het hotel ligt aan Avenue Ponce de León, vernoemd naar de man die het gebied verkende in 1513, 21 jaar na de ontdekking van dit continent door Columbus.

Florida was Spaans tot 1821, onderbroken door een Engelse periode (1763-1784). In 1821 sloot de staat zich aan bij de Unie van de Verenigde Staten. Borden maken duidelijk dat er een ‘Camino Real’ liep richting Tallahassee.

St. Augustine is op het oog een populair strandstadje. De oude Spaanse wijk is wel erg veramerikaanst, lees eet- en drinkwijk geworden, met voor Amerikanen erg oude roots. De Cathedral Basilica of St. Augustine stamt uit 1565; het oorspronkelijke gebouw blijkt regelmatig vernieuwd. Voor ons zijn er twee ‘snoepjes’: een Grieks-orthodoxe gebedsruimte en een fort uit 1672: het Castillo de San Marco, een nationaal monument, strategisch gelegen aan het water. Het is opgetrokken uit grote blokken waarin met oude technieken (coquina en tabby) schelpkalk en hele oesterschelpen verwerkt zijn.

In 1768 - tijdens het Engelse intermezzo - werden 1.403 Grieken (aangevuld met inwoners van Sicilië en Menorca) naar Californië ‘gehaald’. 1.255 overleefden de tocht, waarna ze ten zuiden van St. Augustine in New Smyrna op een indigoplantage gingen werken. Ze hadden het er onder de Britse eigenaars zo slecht, dat ze revolteerden en tenslotte liepen en zwommen er in 1777 zo’n 600 kolonisten naar St. Augustine om daar onder hopelijk betere omstandigheden de draad weer op te pakken. De gebedsruimte houdt deze geschiedenis in leven.

St. Augustine kent een groot aantal eetgelegenheden. Dan dus de bekende vraag aan de m/v achter de receptie van het hotel, in dit geval aan Garry. Hij adviseert ons het een beetje in de luwte gelegen Barnacle Bill's. Dit visrestaurant, bezocht door localo's, blijkt een lekkere keuze.

Weer in de hotelkamer bel ik mijn neef in Houston (TX). Gisterenavond kreeg ik een telefoontje van zijn zus die in San Diego (CA) woont. Het gevoel van 'uit en toch thuis'.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten