zaterdag 29 januari 2011

Strijp-S

Eindhoven is een conglomeraat van dorpen. Er zijn nog steeds inwoners die vinden dat het Gestels, Woensels of Strijps verschillend klinken. Het is uiteraard vooral de ontwikkeling van Philips geweest die voor de samenklontering zorgde plus en passant zijn stempel drukte op de stad. Ook in bouwkundig opzicht.

Op 25 januari bezoek ik Strijp-S, onderdeel van Strijp waar Philips zich in 1918 vestigde. De mensen volgden het werk: het Drents Dorp en het Philipsdorp ontstonden. Volgens planning zal dit stadsdeel tussen spoor, Beukenlaan, Kastanjelaan en Glaslaan in 2020 een nieuw aanzien hebben, met behoud van markante kenmerken. Niet in zijn omvang, maar wel in de ambitie doet het project me denken aan de ‘herwaardering’ van ’t Eilandje, aan de rand van Antwerps centrum.

Inmiddels is de mensheid erachter gekomen dat een samenleving niet ‘maakbaar’ is. Mogelijk kun je wel condities creëren waaruit iets ‘vermakelijks’ ontstaat. Dat bedenk ik me althans wanneer ik in een gedeelte van de zogenoemde ‘Hoge Rug’ door de ruimte loop waar een zalenverhuurbedrijf zit. Dit woord raakt wel de kernactiviteit, maar niet de kwaliteit en uitstraling van die onderneming. Ik ben onder de indruk en dat wil wat zeggen: in de loop van de jaren heb ik in heel wat grauwe vergaderruimtes mogen dan wel moeten verblijven. Hier is lichtheid troef, wat niet zo vreemd lijkt in een voormalige werkplaats van een lampenfabrikant. Een aantal overlegruimtes is ingericht door kunstenaars en dat maakt het bestaan als vergadertijger ineens benijdenswaardig.

In een lange open hal zitten mensen achter computers, maar dan wel op de manier alsof ze er even hun pauze houden: het nieuwe werken. Werken op Strijp-S wordt opnieuw een belangrijke activiteit. Zo zullen zich in het voormalige NatLab de wizzkids vestigen, de toppers op het gebied van ‘media’. Verder is er ruimte voor wonen&werken en natuurlijk wonen. Statige allees vormen de verbindende zones. Nu al rijdt er een bus, waarvoor bij nadering alle lichten op rood gaan. Werk-in-uitvoering. Ambitie per vierkante meter.

Strijp-S, een voorbeeld voor herinrichting. Vlissingen krijgt het Scheldekwartier op het terrein van de voormalige Scheepswerf De Schelde. Ook daar blijven oude industriële gebouwen en constructies voor beeldbepalende elementen zorgen. Het verhaal is er al, nu de mensen nog. In Nijverdal zijn plannen voor het gebied dat de Koninklijke Textielfabriek Ten Cate verruilt voor een nieuwe vestiging. Herbestemming, een tweede leven voor wat eerdere generaties bouwden. Met wat humor doet het denken aan de reclame die adviseert om je oude schoenen gewoon naar de schoenmaker te brengen, want ze kunnen nog lang mee.

Strijp-S: ‘Geschiedenis schrijft geschiedenis voor de toekomst’.

woensdag 26 januari 2011

Kuitbier

Bier drinken is leerzaam. Vaak hoor je dat alcohol gaten slaat in je hersenmassa, maar het bier dat ik vandaag geniet, voegt nieuwe kennis toe aan mijn brein. Hiertoe aangezet door de eerdere consumptie van het vrolijk klinkende Jubeljoop III (zie de twee voorgaande blogs), zit ik nu aan Jopen Koyt (8,5%), uit de stal van dezelfde Haarlemse brouwerij.

Jopen Koyt wordt geafficheerd als een roodbruin bier van hoge gisting, gebrouwen volgens een Haarlems stadsrecept van 1407. Nou hoeft die oude traditie niet per se garant te staan voor een lekkere smaak, maar deze drank krijgt al snel mijn sympathie. Aanvankelijk vind ik de hoeveelheid ingrediënten wat erg uitgebreid (gerste- en tarwemouten, plus haver), met bovendien de toevoeging van ‘gruit’.

Dan volgt het leerzame gedeelte, dankzij google. Gruit en hop waren eeuwen geleden concurrerend als natuurlijk conserveringsmiddel in bier. Uiteindelijk won hop, maar het oude kruidenmengsel blijkt dankzij brouwactiviteiten in bijvoorbeeld Haarlem en Gent te werken aan een bescheiden come-back. De samenstelling van gruit is streekafhankelijk, waarbij rozemarijn, gagel, salie, duizendblad en laurierbessen volgens Wikipedia de standaardingrediënten zouden zijn. Gagel of mirtedoorn ken ik wel als struik waaraan je onder het wandelen kuiten en scheenbeen openhaalt, maar (dus tot vandaag) niet als leverancier van een smaakmakend element voor bier. Een aangename verrassing.

Gruit en gagel, wat een namen. Ze doen me denken aan een verleden taalstadium. Aan de tijd waarin Karel ende Elegast ‘manlic ten swaerde vinghen’ (‘gingen benzen’, op zijn Bosch gezegd). In datzelfde Middelnederlands verwijst ‘coyte’ (kueyte, keute etc.) naar ‘kuit’, een biersoort dat de ‘coytebrouwer’ vervaardigde met gebruikmaking van tarwe, gerst en haver. ‘Grute’ (gruut of gruyt) werd betrokken van de ‘gruter’ (gruyter) of ‘gruutmeester’, die vaak ook bij assisteerde bij de menging van de gruit in het brouwsel. Er bestond ook zoiets als ‘gruutcijns’.

Ik ben na twee flesjes Jopen Koyt zo vrij om ‘gruit’ (en binnenskamers spreek ik dat uit als ‘gruut’) bij te zetten in de eregalerij van Klein Vaderlands Culinair Cultureel Erfgoed. Een mondvol, en dat is ook precies wat die klassering nastreeft. Op het vignet lees ik dat Jopen Koyt in 2009 een prestigieuze prijs won in de categorie ‘Herb and Spice Beer’.

Na het drinken van een Jubeljoop III bier, een week geleden, had ik een opmerkelijke droom (zie blog Klotofonie). Met de inhoud van 66 cl Jopen Koyt achter de kiezen leg ik mij om 23.00 uur te ruste. Als ik op dinsdag 25 januari ontwaak, heb ik een rustige nacht gehad. Mmm, dan toch maar weer eens met een Jubeljoop III de proef op de som nemen? Zo krijg ook ik mijn droomproject!

maandag 24 januari 2011

Klotofonie

In de vroege ochtend van 21 januari bevind ik mij op een oorlogsschip. Ik droom dat ik daar op het achterdek word voorgesteld aan een man die ‘citatenmaker’ van beroep is. Het gedeelte ‘maker’ blijkt wat misleidend. Wel verstaat hij de kunst om ietwat lange verhalen van anderen terug te snoeien tot één boeiende zin. En die maakt daarna geschiedenis als geniale uitspraak van de oorspronkelijke stamelaar. ‘Citatenmaker’, ‘What’s in a name’, zoiets dus.

Hij heeft een citaat laten aanbrengen op het achterste gedeelte van het schip. Ik kijk ernaar en vraag waarom de woorden juist daar staan. Welnu, (citaat): ‘Het voorstuk van de boot krijgt altijd als eerste een voltreffer’. Dat argument snijdt hout en ik schakel over naar de volgende slaapfase, zonder beelden. Eenmaal wakker laat ik het verhaal nog eens de revue passeren om met genoegen te kauwen op de schijnbare logica achter de treffende redenering.

Van droomduiding heb ik geen kaas gegeten. Maar wat is de aanleiding om uit te komen bij een zot beroep als ‘citatenmaker’? Nou moet ik zeggen dat ik voorafgaand aan die droom een voor mij nieuw bier dronk: Jubeljoop III, een Haarlemse tripel (zie blog Mooie stad (5)). Er moet heel wat gebeuren voordat ik iets merk van alcoholinname. Trots ben ik daar niet echt op; ik constateer gewoon een feit. Zou de drank desondanks geleid hebben tot die vreemde hersenspinsels?

Hoeveel bizarre beroepen kun je bedenken? ‘Klotofonist’ stond jaren als nummer 1 op mijn privé-ranking van onnutte professionele activiteiten. Wie bekend is met de muziek van Malando, weet waarover ik spreek. Bij bepaalde Zuid-Amerikaans deuntjes hoor je op een gegeven moment - na een korte pauze - ‘oe’ roepen. Iedereen denkt dan dat die persoon deze kreet opzettelijk slaakt, dus dat die ‘oe’ gewoon in de partituur staat. Misschien is dit zo, maar daarmee komt die ‘oe’ nog niet spontaan uit mond. Dat gebeurt slechts wanneer de muzikant die in het orkest achter de roeper staat, zijn rechter (spitse) schoenpunt op het juiste moment hard en loepzuiver laag plaatst in het vrij hangende kruis van de collega voor hem. ‘Oe’ dus. In tegenstelling tot de oe-roeper hoeft de klotofonist niet per se een man te zijn.

Via Facebook vernam ik van een andere notoire bierproever dat Jubeljoop III ook verkrijgbaar is in een drankzaak binnen mijn eigen stadsgrenzen. Daarvoor hoef ik dus niet Haarlem of Den Haag. Ik kan deze week de proef op de som nemen. Volgt na zo’n biertje opnieuw een opmerkelijk droom, dan weet ik wel waarvan ik een paar kratten in de garage zet.

zaterdag 22 januari 2011

Mooie stad (5); De Regentes

Op donderdagavond zitten we in een voormalig zwembad: De Regentes. Misschien kun je van elk oud gebouw wel een theater maken. Alleen al de naam geeft aan dat deze cultuurtempel in de hofstad moet staan. Daar lanceerde in 1919 wat heren van stand het idee om hun soort mensen op niveau te laten badderen. Zulks geschiedde en wat jaren later konden in Den Haag de deuren open van wat toen de grootste bad- en zweminrichting moet zijn geweest van Europa. Uiteindelijk voldeed de tent niet meer aan de eisen van hygiëne en dreigde sluiting. Op aandringen van de buurt volgende in 1995 plannen voor een verbouwing. Zo kwam er een extra vloer boven het bassin en in de zaal die daarmee ontstond, zitten wij op 20 januari in afwachting van de voorstelling. Beneden ons is een kleinere zaal, die schuin afloopt naar wat vroeger ‘het diepe’ was. Smalle donkere markeringen over de gehele lengte geven de verdeling in banen aan. In het gehele gebouw is een overdaad aan schelle, witte tegels.

We kijken hoe de moderne dansvoorstelling ‘Home Again’ van Danshuis Station Zuid greep krijgt op het publiek. Producties van deze organisatie zagen we al op de gekste locaties, zoals een voormalige kerk, veemarkt, kasteelboerderij en fort. Nu dus moderne dans in een oud-zwembad. Choreograaf Itamar Serussi Sahar heeft er opnieuw een boeiend geheel van gemaakt. Genevieve Osborne-Horvath en collega’s houden elke minuut mijn aandacht vast.

Na afloop nog even napraten en een borrel. De architect die de inrichting herinrichtte heeft ook in de kelder zo veel mogelijk gebruik gemaakt van wat daar al was. Het enige wat er moest gebeuren, was iets toevoegen aan de reeds aanwezige sfeer. En zoals dat gebruikelijk is binnen een omgeving die een herbestemming krijgt, is er veel metaal aangebracht, onder andere voor buizen en leidingen. Ik word gewezen op de lampen boven de bar: dit soort begaasde gevallen tref je vooral aan in kippenlegbatterijen.

Ik ben enthousiast en wil een dubbele Westmalle (zie blog Tripel), maar helaas. Er is wel iets uit die hoek, geeft de barkeeper aan, van Jopen Bier. Nooit van gehoord en na overleg besluit ik tot een Jubeljoop III, een tripel (9%). Jopenbier blijkt ook een product van herinrichting te zijn. Lang na de sluiting van de laatste plaatselijke brouwerij, besloten goedwillende amateurs de naam die Haarlem als bierstad had, weer nieuw leven in te blazen. Binnenkort mondt dit initiatief uit in een echt bedrijf dat onderdak vindt in een oude kerk. ‘Jopen’ was de benaming voor grote houten biertonnen. Jubeljoop III blijkt bijzonder smakelijk te zijn. Desondanks houd ik het op één bokaal: soms weet ik mezelf te verrassen.

woensdag 19 januari 2011

Waalbrug

Wie zichzelf nu een groot plezier wil doen, gaat sito presto naar Zaltbommel. Inderdaad: om de brug te zien. Of liever: om vanaf de brug te zien hoe de Waal op dit moment als een brede rivier traag door een oneindig laagland gaat. Van winterdijk tot winterdijk, zoals in het Aardrijkskundeboek. Nou heb ik makkelijk kletsen, want voor mij is het een boogscheut weg. Maar dan toch, gun je de inspanning en je zult merken dat dit zicht een gedicht waard is. Rij niet gedachteloos met de auto van de ene naar de andere kant, maar loop, fiets, skate, skike, pak de trein of ga desnoods met de step.

Een brug passeren is in Nederland een dagelijkse bezigheid. Zo’n verbindend element leidt nauwelijks tot een rimpeling in mijn bestaan. Althans in óns land (op de Bommelse brug na). ‘Bruggevoelig’ als ik ben, beschik ik vanzelfsprekend over een Bruggen Top-10. Mijn meest overweldigende brugervaring deed ik op in Portugal. Die ene overspanning bij Lissabon, potjandorie! 17 kilometer lang genieten van de Vasco da Gamabrug, terwijl je schijnbaar een zee oversteekt die voortklotst in eindeloze deining. Voor iemand met brugangst moet zoiets de hel zijn. Maar zonder deze aandoening kun je je als pontofiel bijna niks mooiers wensen.

Maar goed, de brug bij Zaltbommel, de Martinus Nijhoffbrug. Slechts 990 meter, maar in dit tijdsgewricht die 90 miljoen guldens van toen (18 januari 1996!) meer dan waard. Wie een blik werpt op het water, ondergaat sensaties die er toe doen. Ga bij de oostelijke railing staan, kijk richting Duitsland, fixeer je ogen op één punt in de verte en heb even geduld. Al na een paar minuten lijkt het alsof je achterwaarts met de stroom meegaat, richting Noordzee. Voor wie niet graag achteruit reist, lijkt me dat het vagevuur, maar zonder die handicap is het een geweldige reis door de ruimte. Jules Verne in Bommel.

Misschien is de belangrijkste reden om naar de Waalbrug af te reizen de volgende: in het huidige debat over het hoge water win je aan gezag. Want wie kan namelijk zeggen dat hij of zij een watermassa van die omvang mocht ontwaren in eigen land. Sterker nog: je ervaart dan nog steeds in je lijf wat het betekent ‘to go with the flow’. Deze gewaarwording maakte je vrij en liet je achter, zonder een gevoel, zonder een gedachte.

Leg de waarneming digitaal vast voor het nageslacht. Stuur mijn part de foto naar het Achtuurjournaal, afdeling Weerbericht. Die prent komt beslist op het scherm. Zet er als het kan ook de moeder de vrouw of je vent op, en wellicht de koters. Maar wat ik eigenlijk wil zeggen is: onderga de grootsheid van de natuur en wees één moment bescheiden. Daar groei je van. ‘God behoede de mens en geve hem een zoen’.

Ter zijde: wie in deze tekst de allusies op vijf vaderlandse dichters mocht herkennen, heeft op school ook buiten Aardrijkskunde goed op zitten letten.

zondag 16 januari 2011

Zeezeilschool

Vrijdag 14 januari is een dag met wind en regen. Zo-eentje die naar oliejas en zuidwester doet verlangen. Voldoende reden om met de jongedame af te spreken in Scheveningen, na de nodige uren fanatiek schuren, schoonmaken en schilderen in haar nieuwe appartement met uitzicht op zee. Opnieuw blijkt het Brouwcafé aan de Tweede Haven een terechte keuze. De menukaart is vol fantasie en wat belangrijk is: ze brouwen ter plekke hun eigen bier. Uit het assortiment kies ik ‘Frisse Wind’ (5,3%), een zoetig bier. Heeft de brouwmeester - die elke dag vanuit Brabant zou pendelen - ketumbar gebruikt? Hoe dan ook: erg lekker.

Als voorgerecht kiezen we beiden het Torentje van Rode Alaskazalm. Even zo vrolijk had de kok dit smakelijke bouwsel ook lasagna met wontons kunnen noemen. Daarna kiest mevrouw als hoofdgerecht opnieuw een constructie met zalm, dit keer omgeven door chimmichurrisalsa (bedenk het maar). Mijn middenstuk heeft heilbot als uitgangspunt. We delen een bak friet waar zelfs een heel weeshuis nog moeite voor zou moeten doen om die op te krijgen, maar het meisje heeft kennelijk honger. De vis is verrukkelijk en om die zó vers te mogen genieten moet je aan zee zitten. En dat doen we dus. De keukenploeg verdient een sterretje: wat een kwaliteit. De ambiance is helemaal uit de kunst en mijn voorraad ‘Frisse Wind’ wordt met enige regelmaat op peil gehouden.

Toetje: crème brûlée voor madam en een simpel glaasje Pedro Ximénez voor monsieur. Na de bestelling aan ober A verschijnt zijn vrouwelijke collega B aan onze tafel: die crème was duidelijk, maar ober A is vandaag pas in dienst, dus wat had meneer? Na deze interventie belandt het nagerecht probleemloos op onze tafel. Geweldig allemaal en dat voor die prijs ook nog ook nog. Als je wil weten hoe schandalig duur culinair Den Bosch is, moet je bijvoorbeeld hier gaan eten! ‘Aan democratische prijzen’ heet dat in Latijns Europa.

Gebogen tegen de wind gaan we na afloop weer naar de auto. Mijn tafeldame is traditiegetrouw de BOB. Ze wijst me bij de parkeerplaats subtiel op een bordje aan de haven, precies tegenover haar auto. 'Een mooie zin voor al die buitenlandse genieën waarmee je werkt: 'Zeezeilschool Scheveningen'.

Een sjibbolet in duplo dus. Ik ga proberen die beheerst en kwansuis onverstoorbaar uit mijn mond te krijgen. Maar vooraf lijkt het me raadzaam om, gelet op de genoten hoeveelheid ‘Frisse Wind’, eerst maar aan de slag te gaan met de uitspraak van de doorgaans lastige 'flanellen lap'. Da’s geen probleem. ‘Zeezeilschool Scheveningen’ vormt daarna wel degelijk een niet te overwinnen hindernis. Sterker nog, zelfs zoveel uren later op zaterdagmorgen, in volkomen broodnuchtere conditie bovendien, blijkt ‘Zeezeilschool Scheveningen’ nog steeds niet eenvoudig. Op dat moment word ik wel erg benieuwd naar wat mijn zogenaamde ‘genieën’ er later van zullen gaan ‘brouwen’. Hoor ik mijzelf al bij voorbaat gniffelen?

vrijdag 14 januari 2011

Tanden

Tante J. knapte steevast af op vuile nagels. Zo erg zelfs, dat ze een keer bijna weigerde om de communie te ontvangen uit de handen van een priester met weinig propere vingers: hij had rouwrandjes. Netjes verpakte ze haar weerzin in de formulering ‘Jongen, en ik kreeg me ineens een degout!’. Zelf heb ik dat met tanden. Vorige week nog liep het me koud over de rug toen een burgemeester op de tv vertelde hoe zijn dorp aan een ramp ontsnapt was. Keurig geknipt en net in het pak, maar met een gebit om van te walgen. Zo’n vent geloof je niet. Overigens bracht ik de dames in mijn gezelschap bijna over de emmer met de argeloze opmerking dat je die kerel toch maar eens haaks op de bek zou moeten kussen.

Het komt nauw, met die tanden. Linda de Mol had ooit zo’n wegvallend stukje ivoor, las ik jaren terug in Die Bunte Illustrierte. Dat tandje stond wat naar achteren en dit was voor haar voldoende reden om het onopvallend weer ordentelijk op de rooilijn te laten plaatsen. Meer in het oog lopend is de gebitsmetamorfose die Marco Borsato in zijn carrière heeft ondergaan. Google er maar eens oude foto’s op na. Hebt u die verandering toentertijd opgemerkt?

Minder subtiel is de aanpak van leeftijdsgenoten die zomaar ineens met een puntgave bek op de proppen komen. Jarenlang de weg naar de tandarts gemeden, en dan ineens zit je tegenover zo’n dwingendwitte dubbele rij. Die glanzende stukken marmer dragen niet echt bij aan de geloofwaardigheid van de eigenaar. En dat vind ik wel hun taak: tanden hoeven niet echt te zijn, zo mogen gebruikssporen dragen of zelfs verkleurd zijn, als ze maar vertrouwen geven. Bovendien - maar dit terzijde - breng zo’n kloeke verzameling ongeschonden ivoren wachters het verval in de rest van het smoelwerk wel erg prominent in beeld.

Als ik kennis maak met iemand, kijk ik bij een eerste inschattende blik meteen naar de tanden. Die zeggen veel. Ik moet altijd onbedaarlijk lachen als ik bij een dertigplusser een beugel ontwaar. Of een minuscuul diamantje. Een nog grotere afknapper dan deze dingen of zelfs dat geïmplanteerde prodentbekkie vind ik een lachende mond met aan de zijkant, net iets achter de hoektand(en) een gat. Ik weet uit eigen ervaring wat het dichten daarvan kost, maar stel dan de aanschaf van de nieuwe auto even uit. Sinds enige tijd ‘deel’ ik mijn waarneming met de geobserveerde gatendrager en er blijkt altijd wel een verhaal achter te zitten. Zelden heeft dat te maken met financiële overwegingen. Wel blijkt er sprake te zijn van gemakzucht, angst, een negatief toekomstbeeld en moedwillige verwaarlozing. Ook zelfhaat is meer verbreid dan u denkt.

Misschien kan een Nationale Gebitsbon als verjaardagscadeau een betekenisvolle bijdrage leveren aan het levensgeluk van onze naasten.