zondag 27 februari 2011

Rijssen-Holten

Nog niet eerder in Rijssen geweest, althans niet bij vol bewustzijn. Natuurlijk een belachelijke toevoeging, want het is hier mooi. Buiten het stadje dan, want in het centrum heeft het megalomane denken desastreuze gevolgen: de bebouwde kern is met het nieuwe stadhuis en een aantal winkelsilo's voorgoed uit balans.

Groots denken blijkt toch ook buiten het centrum aanwezig. We passeren namelijk een stuk bos dat 'Hollands Schwarzwald' heet, waarna we even later via 'Klein Zwitserland' bij het startpunt van onze wandeling arriveren. Al in mijn jeugd bezocht ik een ‘Klein Zwitserland’, en wel in Limburg. Zelf kom ik uit ‘Het Venetië van het Noorden’, en daar heb je d’r in ons land ook een aantal van.

De verder authentieke route valt grotendeels samen met die van het Wereldtijdpad. Op enige afstand van elkaar staan dus bordjes met rond een jaartal de beschrijving van de op dat moment actuele historie in de regio, streek, Nederland, wereld. Een wellicht opmerkelijk citaat uit de tekst van het jaar 300: ‘Het kustgebied van Zeeland is in de achterliggende decennia geteisterd door overstromingen als gevolg van de stijging van de zeespiegel. De bevolking trekt weg, omdat het land onbewoonbaar is geworden.’

Opvallend is het aantal namen van veldwegen met daarin het woord turf of veen. Rijssen gebruikte zijn turf voor het opstoken van de ovens in de steenfabrieken. Aan de keileem die voor die bedrijvigheid in de omgeving gewonnen werd, herinnert nu nog een smalspoorweg. Als wij op zaterdag 26 februari dat spoor passeren, wijdt net een groep zich aan het onderhoud van deze stalen verbindingsweg. ‘Om de hoek’ bevindt zich een joodse begraafplaats, gelegen in de oksel van een voetbalstadion. Zaterdagcompetitie: les extrêmes se touchent ook hier.

Alles bijeen wordt het een gevarieerde wandeling door geaccidenteerd bosgebied en vlak bouwland. Het barst er van de uitgezette wandelroutes. Na een kort intermezzo (powernap) eten we in het restaurant van ons hotel. Voortreffelijk-plus. Plus een kok die bij de kabeljauw een zachte Oostenrijkse rode wijn (druif: Blauer Zweigelt) adviseert. Nieuwe durf? Relatieve durf misschien, want er zijn streken - in Portugal bijvoorbeeld - waar ze drinken wat ze willen. Maar goed: magnifiek. En op zondag wacht ons de Holterberg in het tweelingstadje Holten! Voor wandelaars kennelijk zoiets als de Muur van Geraardsbergen voor wielrenners.

Voilà, zo kent elke sport zijn helden.

vrijdag 25 februari 2011

Bolduque (5); lintje

Het is altijd verrassend om de naam van je stad elders in de een of andere vorm tegen te komen. In het Spaans heet onze stad Bolduque, afgeleid van het Franse Bois-le-duc. In juni 2005 bezochten wij in Valladolid het Museo Nacional de Escultura (zie blog Bolduque; de naam). Tussen alle beroemde Spaanse en andere meesters op het gebied van houtsnijwerk was daar ineens Pedro (de) Bolduque, Piet van den Bosch, zogezegd. Hij behoorde tot een bekend geslacht van kunstenaars. In Spanje komen naast (de) Bolduque ook (de) Belduque en (de) Balduque als familienaam voor.

In Kuijers meesterwerk over ’s-Hertogenbosch staat op pagina 329 een ‘bolduque’ afgebeeld. Hierbij gaat het om een mes dat in de 16e eeuw in onze stad werd gesmeed. Het was van grote kwaliteit, en werd ‘wereldwijd’ gewaardeerd. En dat tot op de dag van vandaag, want Mexicaanse en Texaanse verzamelaars blijken het te beschouwen als een voorloper of zelfs equivalent van het beroemde Bowie-mes. In Chili schijnt de bolduque, of liever belduque nog steeds gebruikt te worden in de oesterteelt.

Zou zo’n woord nou ook een plaats hebben veroverd in (zeg maar) de Spaanse Dikke van Dale? In het woordenboek van ‘la Real academia de la lengua Española’ komt ‘bolduque’ niet voor. ‘Belduque’ wel, met de verwijzing dat het woord in het Colombiaans en Mexiaans gebruikt wordt ter aanduiding van een groot mes met spits lemmet. Er is ook een verwijzing naar de plaats van herkomst van dit scherpe voorwerp: Den Bosch. Volgens datzelfde woordenboek komt daar ook de ‘balduque’ vandaan. De ‘balduque’ is een smal, meestal roodkleurig lint, gebruikt om de kartonnen zijden van dossiermappen bijeen te houden. De oorsprong voor de ‘balduque’ ligt ongetwijfeld in de 16e-eeuwse Bossche linnenweverij. ‘Balduque’ wordt in het Spaans in beperkte kring gebruikt, bijvoorbeeld door ambtenaren die nogal eens in (oude) dossiers moeten snuffelen.

De echtgenote van zo’n Spaanse ambtenaar raakte geïnspireerd door de herkomst van die rode Bossche sluitlintjes. Ze bedacht een mooi verhaal, dat begint bij het bevel van Filips II (1527 - 1598) om al zijn besluiten punctueel vast te leggen. Omdat hij nogal nauwgezet was, leidde elke beslissing tot een stapel paperassen die op de een of andere manier bij elkaar gehouden moesten worden. Dat gebeurde in een dossiermap die uit twee kartonnen bestond, bijeengehouden door linten.

Filips II wilde in zijn wereldrijk graag uniforme linten gebruiken, en om daartoe te komen, schreef hij een openbare offerte uit. Heel wat producenten deden een bod, waaronder ’s-Hertogenbosch. Laat nou het karmozijnrode ontwerp van de Bossche linnenwevers winnen. Boze stemmen beweerden dat daarvoor de stad een Madrileens jurylid omgekocht zou hebben, maar à la bonheur. Uiteraard kwam hiermee een massaproductie op gang die zijn weg vond binnen het grote Spaanse rijk. Het lintwerk ging ‘bolduque’, en uiteindelijk ‘balduque’ heten. En met die laatste naam worden de dossierlinten in archaïsch Spaans taalgebruik nog steeds aangeduid.

Dat laatste is waar, en de rest is ontsproten aan de fantasie van een Madrileense. Of …?

dinsdag 22 februari 2011

Oeteldonks (4); de jaarvergadering

Voorafgaande aan de carnaval vergadert Oeteldonk zich suf. Het gaat dan wel om een spontaan feest, ‘mar niks komt vaneiges’. Ons ‘gruupke’ dat al jaren op carnavalszondagmorgen meeloopt met de Intocht van de Prins, overlegt dus ook vooraf. Volgens traditie vindt de jaarvergadering in januari of februari plaats bij café ‘M’n Tante’. Dit jaar was dat op 8 februari en tijdens die bijeenkomst ontwikkelden we het idee voor de O.E.T. Uiteraard is de inhoud daarvan op dit moment nog strikt geheim.

Als ik op 22 februari bij ‘M’n Tante’ verschijn, is de helft van het spul al in druk overleg. Vanavond willen we de opzet voor onze deelname nog eens ‘doornemen’. Eigenlijk is dat voor het draaiboek niet echt nodig, maar het hoort wel bij de opmaat.

Onlangs was er enige commotie in de stad over de te volgen route. Omdat het op sommige punten barst van het volk, acht de gemeente het in het kader van ‘crowd management’ gewenst om smalle straten te vermijden. Gelukkig voor ons geldt dat nieuwe stratenplan nu nog alleen voor de Grote Optocht op maandagmiddag. En die zien we toch nooit omdat er dan geen doorkomen aan is.

‘Fine tuning’, daarvoor zijn we dus bij elkaar. Al snel staat de drank op tafel en kunnen we aan het ene punt op de agenda beginnen. Met grote discipline gaan we aan de slag, daarbij gesterkt (uiteraard) door Westmalle Dubbel. In een mum zien we door de bomen het bos.

Voor wie het fenomeen ‘Intocht van de Prins’ of ‘Afhalen van de Prins’ toch nog terra incognita is, volgt nu de volgende alinea. Na zijn aankomst op carnavalszondag om 11.11 uur op Stesjon Oeteldonk volgt een glorieuze intocht van Prins Amadeiro XXV. Het volk juicht hem toe en achter zijn Prinsenwagen trekt een bonte stoet mensen. Veel deelnemers beelden individueel of in groepjes een actueel, veelal aan de stad gerelateerd onderwerp uit. Uiteraard voeren spot en humor de boventoon.

De voorbereiding op de Intocht vormt de ene helft van het plezier, de deelname de andere 50%. Dit jaar zoeken we met de O.E.T. nadrukkelijk de zwijgende dialoog met het publiek. Geëngageerd carnaval? Ga zelf maar tussen de kijkers staan, bijvoorbeeld in de Postelstraat. Wie zich daar aan de goede bevindt op het moment dat de zon doorbreekt, kan zich koesteren in een kattenhemel.

De vergadering verloopt naar wens. Nu is het nog een kwestie van aftellen. Op zaterdagmiddag 5 maart vindt de generale plaats. Die is in de regel zeer inspannend. Sinds de keer dat ik na afloop met de fiets aan de hand werkelijk doodmoe naar huis moest, ga ik gewoon te voet. Dan hoef ik me ook niet te herinneren waar ik mijn tweewieler gestald zou kunnen hebben.

zondag 20 februari 2011

Brabants Boekenweekboek 2011

Onderweg in de auto naar Lith zeg ik: ‘Als er vanmiddag een vliegtuig op sociaal cultureel centrum ‘De Hoeve’ valt, verdwijnt er veel kennis en kunde rond de Brabantse dialecten.

Bij aankomst blijkt het bargedeelte al goed gevuld. Het heeft iets van een reünie, al die mannen en vrouwen voor wie hun Brabantse thuistaal nog steeds een wezenlijk onderdeel van het leven vormt. Waar het de middag van deze 20ste februari om draait, is de presentatie van het zesde Brabantse Boekenweekboek 2011. Het heeft als titel meegekregen ‘Alzeleeve’, een stevige ogend werk met 54 verhalen van Brabantse auteurs. Die gingen dit keer aan de slag met het thema: ‘Curriculum Vitae - geschreven portretten’. Het is het vierde jaar op rij dat ik meedoe. Mijn reisgenote Gerlaine Piters-Jansen was er al één editie eerder bij, evenals plaatsgenoot Frank Finkers. Misschien komt het door de spreekwoordelijke ‘grôten bèk’ die ons Bosschenaren wordt toegedicht, dat onze stad met drie schrijvers zo sterk vertegenwoordigd is.

Tot mijn grote verrassing blijkt er een prijs te worden uitgereikt. Misschien stond dat in het programma, maar voor mij is het een nieuw gegeven. De burgemeester van Oss heeft koud het eerste exemplaar van ‘Alzeleeve’ dankbaar aanvaard, of hij mag de Willem Ivenprijs uitreiken. Na enkele citaten uit het juryrapport, mag Elly Schepers-Corstjens zich de blije winnares noemen.

Schrijver en verteller Willem Iven stierf op 25 oktober 2009 in Nuland; hij werd 76 jaar. De eerste keer dat ik hem hoor vertellen, is in Oirschot. Misschien door zijn werk bij Staatsbosbeheer door de buitenlucht getekend, staat hij daar als een in mijn ogen weerbarstig mènneke. Hij weet het publiek te boeien met zijn ‘vertelselkes uit de Peel’. Dit optreden maakt mij duidelijk dat verhalen in het dialect een klein gehoor hebben én tegelijkertijd een grote zeggingskracht. Ik koop ‘Vidi Aquam’ en de volgende (naar schatting) 30 jaar bouw ik een flinke BraboBieb op. In 2003 verschijnt mijn monografie over de Bossche stadstaal. Deze spraakkunst bevat 'als extraatje' tien verhalen in mijn Bossche moedertaal. Vanmiddag word ik me bewust van het rechtstreekse verband tussen die knoest uit de Peel en mijn band met het Bosch.

Tijdens de presentatie in ‘De Hoeve’ treden twee Brabantse zangers op. Ook wordt voorgelezen uit ‘Alzeleeve’. Gerlaine bijt het spits af met ‘De sprong’. Een mooi verhaal en ik ‘geur ‘m’ als ik hoor hoe vreselijk mooi het Bosch uit haar mond komt. ‘Ik mag hope dè ze dè aan die drie jong van d’r meegift’. Dat moet wel lukken, want de vliegtuigen weten vanmiddag zonder problemen het luchtruim boven het ‘dorp aan de rivier’ te passeren. Prachtig.

vrijdag 18 februari 2011

Bolduque (4); Bosch in Spanje

Het bezoek van een Bossche delegatie afgelopen week aan Madrid was volgens burgemeester Ton Rombouts niet bedoeld om schilderijen los te weken: dat vindt hij straks een taak voor het Noordbrabants Museum en de Stichting Jheronimus Bosch 500. ‘Wij proberen alleen het pad naar die samenwerking te plaveien’.

Die eerder met veel elan aangekondigde grote tentoonstelling rond Jeroen Bosch gaat in 2016 toch nog wel door? Wat hebben de eerdere Bossche missies naar het Iberisch Schiereiland opgeleverd? Heb ik Jan Peter Balkenende niet zelf horen zeggen, dat het allemaal geweldig wordt? En dat zijn Spaanse collega Zapatero toch ook sympathiek stond tegenover het initiatief uit Nederland? Op het moment dat ik Rombouts’ woorden lees, krijg ik – om het populair te zeggen – ‘zoiets van een déjà vu’. In al die tijd geen millimeter opgeschoten dus, maar het komt wel goed. Die sussende verzekering staat in de laatste alinea, want de bezochte museumdirecties en conservatoren zijn genegen om samen te werken in het researchprogramma dat vanuit Den Bosch gestart is. Bovendien blijkt de nieuwe Nederlandse ambassadeur ‘bereid in te springen waar het nodig is om onze stad te vertegenwoordigen’. Fijn, ook deze positieve intentie, maar daarmee gaat nog altijd geen schilderij op transport naar de plek waar het ooit vervaardigd werd.

De volgens de krant bezochte musea zijn het Galdiano en het Escorial. José Lázaro Galdiano was een rijke meneer die kunst verzamelde. Met stille bewondering heb ik op een zonnige dag zijn collectie bekeken. Daartoe behoort een mediterende Johannes de Doper in de Woestijn, toegeschreven aan Bosch; in het fascinerende Escorial hangen er nog drie die van ‘onze Jeroen’ zouden kunnen zijn. Het is uit het oogpunt van PR wel aardig om twee kleine JB-bezitters te bezoeken, maar het Madrileense Prado heeft meer van Bosch in huis dan dit duo samen en de bekendste werken bovendien. Maar ik lees niet dat ook dit museum op het lijstje stond.

Wat me het meest verbaast in de uitspraken van Rombouts is de volgende: ‘De Bossche Zwanenbroeders hebben als genootschap veel overeenkomsten met het Spaanse Fundación Carlos de Amberes, het zou mooi zijn als we die konden verbinden met elkaar’. Doen, zou ik zeggen, altijd leuk, maar wat draagt dat bij? Overigens vertoont de Fundación Carlos de Amberes (Karel van Antwerpen) die ik ken nauwelijks overeenkomst met onze Broederschap; van het opgetekende ‘veel’ is absoluut geen sprake. Het is een instituut dat op een geweldige manier het onderzoek stimuleert naar met name de wederzijdse beïnvloeding tussen de (voormalige Spaanse) Nederlanden en Spanje. Op haar initiatief vinden seminars plaats, tentoonstellingen, muziekoptredens en komen waardevolle boeken tot stand. Waarom die geambieerde band tussen beide organisaties? Omdat het wel vrolijk klinkt?

Ik zit niet te wachten op dit soort quasi interessante berichten. Zeg dan gewoon: ‘Beste Bosschenaren, voor die tentoonstelling in 2016 stellen we onze ambitie bij, want na oktober 2008 is de realiteit weerbarstiger gebleken dan de droom.’ Soit. Dat kan ik begrijpen en respecteren. In de boodschap echter dat het wel goed komt, lees ik in dit geval de moedwillig volgehouden flirt met verschijnselen die op een ernstige vorm van ‘hybris’ wijzen. En in de klassieke verhalen der Grieken volgde op deze vorm van blinde hoogmoed, een verschrikkelijke afloop.

donderdag 17 februari 2011

Bolduque (3); frontlinie

‘Eindelijk is het dan zo ver!’ Een cliché, maar daarom niet minder waar. Na vier maanden ‘kunnen de schaatsen weer uit het vet’, nog zo’n kaalgevreten uitdrukking. Bovendien zeg je zoiets niet van skates: die staan gewoon te wachten in de garage. Excuses zat: buitenland, het weer, buitenland en klussen in het nieuwe huis van de jongedame (zie blog Zeezeilschool). Maar nu sta ik er dan weer bij, om 09.15 uur. ‘Het zonnetje laat op zich wachten’. De temperatuur komt net boven het vriespunt.

De route is bekend. Ze loopt langs de noordzijde van de stad, door de zogenoemde rafelranden. Een woord dat bedacht moet zijn door een gebiedsplanner. De prijsvraag luidde: ‘Hoe noem je in vaktaal de strook waar aan de grens van dorp of stad een al dan niet onbestemde bebouwing steeds weer een hap neemt uit het omringende groen?’

Met Oud-Empel voor ons, gaan we linksaf over een breed fietspad de wijk De Maaspoort in. Dit toen nog landelijke gebied vormde de frontlinie in de herfst van 1944. Eeuwen daarvoor stond het onder water tijdens schermutselingen tussen de opstandelingen en het Spaanse leger. Dat was eind november 1585. In dat jaar zitten 3.000 Spanjaarden op dijken en rivierduinen de voeten droog te houden terwijl de Hollanders ze vanaf platte boten met succes beschieten. Als het laatste paard verorberd is, kan alleen gebed nog redding brengen. Maria verhoort de smeekbeden der dapperen met een strenge vorst in de nacht van 8 december. De Spanjolen verlaten ‘hun benauwde veste’ over het ijs en doden, gehuld in witte camouflerende hemden, en passant de nodige afvalligen. In Bolduque - zoals ze Den Bosch toen noemden - komen ze weer op temperatuur Een kapelletje aan de Maasdijk herinnert aan Het Wonder van Empel.

Bij Treurenburg naar links, verderop de weg over, richting Gemaalweg. Opnieuw een gedeelte waar tijdens de Tachtigjarige Oorlog het nodige afgevochten is. Parma zelve zou in 1583 in kasteel Meerwijk geresideerd hebben. Wie weet. Als we de Dieze oversteken, ligt rechts een landtong waar vier eeuwen terug een fort de bootbrug beschermde die beide rivieroevers met elkaar verbond. Trapjes aan weerszijden markeren de plek waar toentertijd die drijvende verbinding lag. In 1629 laat Frederik Hendrik brug en fort voor wat ze zijn en verlegt hij als een ware Herakles de Diezeloop. Alleen al hiermee demonstreert de man dat de zoveelste belegering van Den Bosch een fenomenale onderneming wordt. Eentje die door aanpak en omvang internationale aandacht gaat trekken. Weliswaar kan ik nu nog janken over afloop en gevolgen, maar dat is een ander verhaal.

We drinken koffie in Engelen en de zon breekt door. We rijden verder. Over de sluis langs fort Crèvecoeur (inderdaad, ook een memorabele plek) en dankzij het fantastische weer ‘schaatsen we er lustig op los’. Opnieuw door De Maaspoort en wat later keren we ‘moe maar tevreden huiswaarts’. In de omgeving van de stad 'ligt het verhaal voor het oprapen'. Zo blijkt maar weer eens wat een fantastische sport skaten is.

woensdag 16 februari 2011

Oeteldonks (3); de subtiliteit

Een aantal vierders heeft bij de carnaval een aanloop nodig. Noem het een gewenningsproces. In Oeteldonk gaat voor hen een verzameling speciale activiteiten aan het ‘echte feest’ vooraf. Eentje daarvan is zonder meer een pareltje te noemen: de Poemiekavond. Bij die gelegenheid strijden de deelnemers in de Knillispoort om de eeuwigdurende roem en een soortement van kunstwerk. Wie niet wint, wordt tweede en voor allen is er de warme sympathie van het publiek.

Tijdens de Poemiekavond van dit jaar, op dinsdag 15 februari, nemen acht individuele deelnemers of duo’s het tegen elkaar op. De bedoeling is dat zij een carnavalslied ‘declameren’. Dit mag zelfs uitgroeien tot een eenakter. Er kan ook een rol weggelegd zijn voor muziek, maar die moet dan wel los staan van het gekozen nummer. De afgelopen jaren heb ik de meest fantastische interpretaties van ‘Bij ons staat op de keukendeur’, ‘Ooit’ en andere songs voorbij zien komen. Vijf jaar als presentator (2005-2009), en nu in 2011 als publiek. Opnieuw een avond smullen.

De presentaties en de reacties van het publiek laten zien hoe subtiel en ingetogen carnaval kan zijn. De amateurs die hun opwachting maken, mogen in sommige gevallen barsten van de zenuwen, niemand wordt afgebrand, ieder ontvangt waardering van jury en toeschouwers. Zo ook tijdens deze versie. Het tweetal dat de avond opent, blijkt inventief. Omdat ze met z’n tweeën ‘een lange rij’ willen suggereren, hebben ze allebei een pop op de rug. Zo marcheren ze met z’n vieren.

Het gaat tijdens de Poemiek in belangrijke mate om de vondst van het beeld en het publiek weet dit te appreciëren. Zo vergaat het ook de anderen: wie een origineel beeld weet op te roepen, maakt een bekende tekst nieuw. Ieder die iets verrassends toevoegt, krijgt instemmend gemompel en applaus. Soms gebeurt dat in het klein, zoals tijdens het optreden van een Spaanse schone die de truc van de metanalyse toepast. Hierdoor krijgt het Brabantse ‘enen dag’ een andere betekenis en wordt ‘één en dag’. Een volgend duo weet met een onverstoorbaar en tekstvast optreden het refrein dat uit een eindeloze herhaling van het kikkergeluid ‘kwak’ bestaat, tot een komisch geheel om te vormen. De uiteindelijke winnaars van zowel publieks- als vakjuryprijs brengen een Surinaamse versie van de tekst ‘Roddels’.

Poemiek sluit aan bij een vertelvorm die eeuwenlang populair was in ons land. In vroeger tijden zonder radio, tv, film of zelfs boeken-voor-de-massa, vormde het optreden van vertellers een bekende vorm van vermaak. Ze brachten ‘Karel ende Elegast’, ‘Floris ende Blanchefloer’ en; ‘Mariken van Nieumeghen’. De meeste toehoorders kenden het verhaal en het vermaak zat ‘m in het eigen accent dat de artiest wist aan te brengen. In de persoonlijke interpretatie. Zo zie ik ook hoe in de Knillispoort de toeschouwers regelmatig de woorden ‘meemimen’. Het lachen begint op het moment dat de poemieker op het toneel een ‘trouvaille’ uit de hoge hoed tovert. De kwaliteit van de vondst, bepaalt het succes van het optreden. Het publiek bestaat uit fijnproevers die de vindingrijkheid weten te waarderen, vooral wanneer deze van fijngevoeligheid getuigt.

De winnaars blijken op afstand meesters in de subtiliteit: feest op de vierante meter.