zondag 11 augustus 2013

Thüringen (6); Pimpernelblauw

Met de auto van het hotel In Jena-Lobeda naar Jena-Göschwitz, waar bij het station de wandeling begint. Bij de receptie hebben we een uitdraai voor de route gekregen. De eerste versie was in het Nederlands, machinaal gemaakt. We hebben er flink om gelachen en uiteindelijk gewoon de Duitse tekst opgevraagd. Die begrepen we tenminste. 

Op weg naar het Leutrathal, ook bekend als het ‘dal van de orchideeën’. Rond het jaar 1000 moet hier op de kalkhellingen wijnbouw geweest zijn. Toen kwam de ‘kleine ijstijd’ en tegenwoordig staat de streek bekend om de aanwezigheid van orchideeën die in deze tijd van het jaar wel uitgebloeid zullen zijn. Meteen maar heuvelopwaarts. Göschwitz verdwijnt achter ons. We lopen kennelijk ook een deel van de Lutherroute. Zijn naam is - naast die van de latere Goethe, Schiller en Bach - overal aanwezig in Thüringen. In elke kerk van enig formaat die we passeren, heeft hij wel gepredikt.

Over de eerste heuvel - meer een kalkbreuklijn - zien en horen we de snelweg naar Dresden. Bergafwaarts is het geluid 'erg aanwezig'. Grote percelen zijn afgezet met bordjes: de Friedrich Schiller-Universtät doet hier onderzoek. Het lijkt me een bloemenparadijs voor botaniseertrommelbiologen. En in onze ogen is er een rijkdom aan vlinders, waaronder - wat we denken - het pimpernelblauwtje. De dame maakt druk foto's en ik denk aan de vergeten tv-serie 'Luipaard op schoot'.


Aan de overkant passeren we een gehucht dat volgens de kaart Leutra zou moeten heten. Vissen schieten weg in de smalle betonnen waterloop richting riviertje. Een lange tijd gaan we parallel aan de snelweg tot we dat pad, na enig gezoek, linksaf 'omhoog' kunnen verlaten. We laten het ‘basso continuo’ van de E40 achter ons. In het eikenbos eten we op een houten jachtstoel onze broodjes op. Als we naar de heuvelkam lopen, springt een ree voorbij.

Warm en stil is het op de weide. Veel vals plat. Op de kam ligt het gehucht Dürrengleina in de zon. De schuur van de Vrijwillige Brandweer is van poppenhuisgrootte: wat staat daar nou in? Een bluspomp met twee zwengels? Tegenover dit petieterige gebouwtje ligt een waterbassin (Schwimmen verboten) met daarnaast een brandkaan. Overdag komt hier elk uur een bus voorbij. Lief, stil authentiek voor de een; uitgestorven, gruwelijk saai, een boerengat voor de ander. Hoe is het hier in de winter met 30 cm. sneeuw?

Achter het dorp een magnifiek uitzicht over dit deel van Thüringen. Bossen, velden, kammen met hier en daar een kasteel. We komen al de hele dag niemand tegen op onze route. Ook hier niet. In de verte gaat een tractor. 

De rijkdom aan bloemen en vlinders houdt aan tot we over weer een kam aan de terugweg beginnen. Voor Maua loopt het pad steil naar beneden. We zijn blij dat we de route niet andersom gedaan hebben.

In het centrum van dit plaatsje raken we de weg kwijt. De werkzaamheden aan een fly-over bij het centrum hebben kennelijk geleid tot het verdwijnen van wat wit-geeltjes op palen en bomen. Moeten we langs het spoor en de Saale naar Göschwitz? Ook de aanwijzingen op onze routebeschrijving geven geen uitsluitsel. Dan maar verder over het nieuwe fietspad. 

Bij het stationnetje bestuderen we de lijst van aankomst en vertrek. Morgen zullen we vanaf hier met de trein naar Erfurt gaan.


Een aantal dagen later thuis lees ik dat het in ons land geherintroduceerde pimpernelblauwtje een zeer klein woongebied heeft bij de Moerputtenbrug in de buurt van Den Bosch. Nóg en reden om naar Thüringen te gaan.

zaterdag 10 augustus 2013

Thüringen (5); Vrolijke meisjes

Jena: de glazen van Zeiss. En daarnaast natuurlijk de bijzondere aanpak voor scholen. Dat is zo’n beetje onze voorkennis. Plus uiteraard het gegeven: voormalig Oost-Duitsland. Opvallend genoeg is van het tweede beeldvormende element tijdens een stadswandeling op 8 augustus niks terug te vinden. Van de andere twee des te meer.

Van ons hotel bij Jena Lobeda-Ost gaan we met de tram naar het centrum. Onderweg veel woonblokken hoogbouw uit de communistische tijd. Premier Helmut Kohl formuleerde het ongeveer zo na de 'Wende': 'Ieder een andere woning geven, zal zo snel niet gaan'. Hij zei het met spijt. Zoals op veel vergelijkbare plaatsen is en wordt ook hier massaal gerenoveerd en bijgeschilderd. Wat blijft is een omvangrijk opbergsysteem aan de voet van Lobeda.

Dat houdt op bij de rand van het centrum. We stappen uit bij het 'Paradiesbahnhof' (mooie naam) en wandelen richting VVV. Wat meteen opvalt tussen de historisch aandoende gebouwen is een wolkenkrabber in de vorm van een glazen beschuitbus. ‘Welke bezopen stadsplanner heeft dat ding hier kunnen bedenken?’ is mijn eerste gedachte.

Tijdens het oude regime werd het neergezet voor Zeiss Optik. Onder het nieuwe beleid kreeg het zijn huidige aanzien. Zo van: het staat er nou eenmaal en laten we er het beste van maken. Jentower heet het glazen busbrood en de aanwezigheid ervan went. Sterker nog: we nemen zelfs op enig moment de lift naar de 28ste verdieping en genieten van het uitzicht. Duidelijk van zo hoog is de aanwezigheid van de bebouwing voor Zeiss, Schott en Abbe. 

Los van deze eenzame schitterzuil blijkt Jena bijzonder charmant als stad. Heropgebouwd na de Tweede Wereldoorlog met gevoel voor schoonheid en historie, interessante straatjes en pleinen, veel heuvelend groen, de overal aanwezige universiteit, een rustig tempo en de naar onze maatstaven democratische prijzen. Ik begrijp - desgevraagd - van mijn neef die al een mensenleven in Hamburg zijn draai heeft gevonden, dat lonen en pensioenen hier iets lager zouden liggen dan in het westen. 'Niet te veel', appt hij, want de wil om in het oosten te wonen, is niet echt groot’. Ik zal me thuis eens wat gaan verdiepen in deze materie. Welke Duitser zou op welke landgenoot jaloers moeten zijn?

Het duo Schiller-Goethe dat we vorig jaar dominant aanwezig zagen in het nabijgelegen en magnifieke Weimar, is ook hier bekend. De eerste heeft in Jena gewoond en we bezoeken die plek. Grappig zijn de tuinkeuken en zijn schrijfhuisje. De bekendheid van deze Duitse icoon heeft geleid tot de naam Friedrich-Schiller-Universität. Op het oog lijken veel studenten tijdens deze zomerperiode de stad niet verlaten te hebben. Zoals in elke universiteitsstad vind je ook hier overal studentenmenu’s aangeprezen.

Tijdens onze VVV- wandeling krijgen we de aangeschafte ‘Stadtfüher’ niet helemaal uit. Het Zeiss Planetarium moet wachten tot een volgend keer. We hebben genoeg aan de Markt met het historische stadhuis, de St.-Michaelskerk, restanten van de stadsmuur met een kruittoren, wat opvallende panden, die hoge Jena-toren en de Schiller-residentie. Daarna relaxen met Apfelschorl en het onvolprezen Köstritzer Schwarzbier in de Wagnergasse.


Het centrum is rijk aan beelden. Aan het eind treffen we twee vrolijk dansende bronzen meisjes aan. Iemand heeft ze voorzien van wild-brei- of haakwerk. Ik vind ze de sfeer van deze dag prima weergeven. En voor de komende tijd bepalen ze mede mijn beeld van deze stad. 

maandag 5 augustus 2013

Kleingeldstraat

Als het al een begin moet hebben, dan ligt dat in de Kleingeldstraat. De ‘Rue Petite Monnaie’, in een Frans stadje waarvan ik me de naam niet meer herinner, in een jaar dat ik alleen bij benadering kan benoemen. Misschien is het sindsdien dat me opmerkelijke namen van straten en andere geografische punten opvallen.

In de alsnog doorgebroken zomer van 2013 zijn we flink aan de wandel. En meer nog fietsen we. Activiteiten die op de meest onverwachte momenten een pauze kennen omdat ik zo nodig een foto moet maken van bijvoorbeeld het bordje Zomervreugdweg.

Dat was op 13 juli terwijl we de route van Achtkastelentocht fietsen in de omgeving van Vorden. De zondag daarna - in dezelfde omgeving - kwamen we de Zaterdagweg tegen. Afgelopen vrijdag liepen we - op de warmste 2 augustus ooit - over de Hemelse Berg bij Oosterbeek. Richting Doorwerth passeerden we de Italiaanseweg.

De topper dit seizoen noteerde ik op zondag 28 juli in de buurt van Vinkel: de Gedwongen Arbeidstraat. Eerder kwamen we door buurtschappen met namen als Zoggel, Berkt en Munnekens-Vinkel. 'Alles op de fiets', gaat het steeds bij het lezen van dit soort substantieven door mijn hoofd. 'Alles op de fiets', een gedichtenbundel van Rutger Kopland. Hier zie ik de poëzie op blauwe bordjes.

Achter al die opmerkelijke namen schuilt een verhaal. Sommige daarvan leidden de afgelopen jaren al tot blogs. En inmiddels weet ik dat in 1848 Baron van Brakell van kasteel Doorwerth de Italiaanseweg liet aanleggen naar het pas geopende treinstation van Wolfheze. ‘Italiaans’ vanwege het aanzien, mede door de aanwezigheid van haarspeldbochten op de stuwwal.

Bij de Gedwongen Arbeidstraat was mijn eerste impuls: werkverschaffing. Die gedachte blijkt bij meer mensen opgekomen te zijn. Zo ook - lees ik op het internet - bij medewerkers van het BHIC, dat ik gemakshalve nog steeds het Rijksarchief noem. Om zeker van hun zaak te zijn, wordt het grote publiek om raad gevraagd, want altijd is er wel iemand die elders in een vergeten boek heeft gekeken. Een heemkundenaar, in dit geval die aangeeft dat de straatnaam al voor 1890 bestond. Dus ver voor de georganiseerde werkverschaffing van voor en na de Tweede Wereldoorlog. Aannemelijk lijkt volgens de onderzoekers dat de aanwezige arme zandgrond de eigenaar of pachter tot harde arbeid dwong. Hard labeur, om het met de generatie Stijn Streuvels te zeggen.

zondag 4 augustus 2013

Nationaal Hitteplan

De fietstocht begint in Oosterbeek. Een naam die in niets lijkt te verwijzen naar de aanwezigheid van bossen en heuvels. Die zijn er wel degelijk: het dorp ligt op een stuwwal uit de zoveelste IJstijd, met aan de ene kant schaduwrijke landgoederen en aan de andere kant de Rijn, met uiterwaarden.

Via de knooppuntenroute naar Arnhem, waar het voor het zoveelste jaar nog steeds een warboel is vanwege de werkzaamheden bij het station. De Nelson Mandelabrug over en dan linksaf langs de rivier. Tijd voor een broodje voor het beleg oververhit raakt.

De zon schijnt flink en het moet deze 1ste augustus 32°C worden. Vanaf een bankje kijk ik over het trage water naar Arnhem. De meeste bebouwing blijft verscholen achter een rij hoge wilgen. Daarachter ligt ook het gebouw waar ik een deel van mijn pensioen verdiende. Nooit kunnen bedenken dat die gedachte hier op deze plaats door mijn hoofd zou gaan. Aangezien mijn arbeidsverleden een lappendeken is, moeten er meer van dit soort mijmerplekjes te bedenken zijn. Te veel voor een fietstocht van één dag. Zelf voor eentje op een e-bike. 

Huissen komt in zicht. De wat hybride Aárnemmers gaan hier carnaval vieren. Huissen is aan deze kant de meest noordelijke zuidelijke stad van ons land. 'Lang behoorde het tot het Land van Kleef', leest mijn vrouw voor vanaf haat i-Pad tijdens onze tweede pauze. Waar zouden we zijn zonder dat ding. Het Weense Congres voegde Huissen in 1816 toe aan Nederland. Zouden ze dat hier over drie jaar gaan vieren?

Op weg naar het pontje kom ik de aanduiding Overbetuwe tegen. Die naam verwijst naar de Bataven die in deze contreien woonden. Keursoldaten in het Romeinse leger. Ook de vrouwen wisten zich mondeling en schriftelijk in het Latijn uit te drukken. Bij Driel en Elst, iets terug naar het westen, barst het van de archeologische resten uit die tijd. Onder de protestantse kerk van Elst kun je de overblijfselen van twee Gallo-Romeinse tempels bezoeken. Het best bewaarde geheim van Nederland. Mijn werk - toen vanuit Amersfoort - bracht me regelmatig naar die memorabele site.

Aan de andere kant van de Rijn begint de Liemers. Het schijnt dat je hier al meer loop'n en fiets'n hoort. 'Liemers' komt van 'limes'. Hoewel ik die voormalige grens van het Romeinse Rijk in ons land nagenoeg blindelings kan tekenen, is dit gegeven nieuw voor me (merci i-Padfreak).

Loo, Duiven, Westervoort, en een derde pauze in het pasgemaaide gras van de Rijndijk. Zicht op Huissen. De laatste broodjes en bananen verdwijnen. Daarna opnieuw improviseren in de buurt van het station voor we de afdaling kunnen beginnen naar de oude kerk van Oosterbeek. Één van de weinige romaanse godshuizen in ons land. 

De mussen vallen inmiddels van het dak. Een fles koude witte wijn van een airco-frisse AH-winkel gaat mee richting siësta. 'Veel drinken', staat er in het Nationale Hitteplan. Waarvan akte.

woensdag 31 juli 2013

Vught

Als burgemeester Roderick van de Mortel op 5 november 2012 een vanuit Den Bosch naar zijn gemeente overgekomen restaurant (her)opent, laat hij er in zijn toespraak geen misverstand over bestaan: Bosschenaren trekken al eeuwen naar Vught. Aangelokt door het daar aanwezige groen en de frisse lucht. Kwaliteiten die te verkiezen zijn boven de Diezegeur in een benauwde vestingstad.

De loop naar buurmans gras blijft ook in de huidige eeuw onverminderd populair. Daarom vertaal ik in mijn beschrijving van de Bossche grammatica ‘Wè zeet uwes?’ die diepe verkaswens van veel stadsgenoten met een voornemen: gesteund door de ongetwijfeld vette opbrengst van een gefingeerd ‘taalfoutenpotje’ wens ik in Vught te gaan bouwen. De keuze voor juist deze aanpalende woonkern geschiedt niet lichtvaardig: Rosmalen is aardig, St.-Michielsgestel lijkt wat hoger geklasseerd, Vught is de absolute top. Bovendien zijn de overgang naar en inburgering in juist die plaats bijzonder eenvoudig: ik weet er zoals veel Bossche Kneupen de weg en ken er veel mensen. Al jaren. Al vanaf het St.-Janslyceum, de IJzeren Man, ’t Swijnshooft, la Bastille, de dansles bij Wim Voeten en Jeanne Assmann. Zelf heb ik vanaf mijn jonge jaren nauwelijks een gemeentegrens ervaren: de gemengde aanwezigheid van Vughtse en Bossche jongelui op genoemde en andere plekken was (en is nog) alledaags en vanzelfsprekend. Opgeteld heb ik evenveel Bossche als Vughtse mèskes naar huis gebracht en gekust, om maar wat te noemen. Met mijn vrienden was dat niet anders. Het schooluniform van de vriendinnen die ik opwachtte bij Regina Coeli kan ik nog zó uittekenen.

Den Bosch en Vught hebben een relatie die voor beide kanten profijtelijk werkt. Het ‘staatkundige’ membraan houdt weinig tegen. Een belangrijkere aanwijzing, of zo u wilt ‘bewijs’ voor de open grens tussen beide oorden ligt bij het dialect. In het eerdergenoemde ‘Wè zeet uwes’ haal ik de bevindingen aan van prof. dr. Anton Weijnen rond de dialectgrenzen in en rond onze stad. Uit zijn dissertatie blijkt dat naast het Rosmalens, ook de dialecten van het aangrenzende Empel, Bokhoven en Vlijmen van het Bosch verschillen. Mijn eigen onderzoek maakt duidelijk dat het Vughts nauwelijks afwijkt van onze stadstaal. De ‘taalafstand’ wordt pas groter bij rafelranden: in de Gement waar invloed optreedt vanuit het Vlijmens. Of aan de Essche kant. ‘Kom-Vughts’ echter, om maar een term te introduceren, en mijn eigen stadstaal ontlopen elkaar niet veel. En zo’n overeenkomst bestaat alleen als uitkomst van een eeuwenlange uitwisseling. Van acceptatie ook. Wellicht een wat eenzijdige uitwisseling waarbij het Bosch de beïnvloedende bron is. Anders gezegd: een contact dat het optreden van een ‘Bossche taalkundige expansie’ mogelijk maakte. Een fenomeen dat - zoals Weijnen in een andere studie aantoont - richting Hintham en Rosmalen niet plaatsvond.

Zoals Vught en Den Bosch elkaar al jaren vanzelfsprekend aankijken, zo blikken Rombouts en Van de Mortel op dit moment blijkens hun uitspraken in het Brabants Dagblad ieder een andere kant op. De eerste naar het oosten, de tweede naar het zuiden. Ze staan met de rug naar elkaar toe en ontkennen daarmee de aanwezigheid van een al langdurig ‘engagement’ tussen beide gemeentes dat het product is eeuwenlange beïnvloeding. Rombouts gelonk richting Oss is een farce en Van de Mortels geflikflooi met Boxtel en Haaren gaat tegen beter weten in. Dan toch maar wachten tot over een paar jaar de Bossche burgemeesterszetel vacant komt? Die stoel lijkt me geschapen voor Roderick. Door zijn ervaring aan beide zijden van de huidige papieren stadsgrens, kan hij ongetwijfeld de sterke en zwakke momenten die zich in elke langdurige relatie voordoen, met wijsheid tegemoet treden. Met het rapport van de Commissie Huijbregts kan de sollicitatiecommissie vast warm draaien.

Deze tekst verscheen als column in de Bossche Omroep van 14 juli 2013



vrijdag 5 juli 2013

Seasick Steve

Natuurlijk ken ik dat verhaal van die vlinder die in het Amazonegebied wegwiekt, el Niño veroorzaakt, daarmee stormen ontketent en de Maas buiten haar oevers laat treden. Mijn stad Den Bosch ligt al dan niet toevallig aan de Maas en dankzij die hele keten zit Brazilië zo'n bietje 'om de hoek'. ‘Mondiaal denken’, houd ik me voor. ‘De wereld is groter dan wat je ziet’. ‘Alles heeft met alles te maken’.

En bij de Bossche schutting rond mijn reservaat duikt ineens Seasick Steve op. Tot 4 juli 2013 voor mij een onbekend fenomeen, hoewel de persoon al sinds 1941 bestaat. Niet eerder heeft de wiekslag van welk vliegend beest dan ook hem onder mijn aandacht gebracht. 'Hij was bij DWDD", mailt een vriend. Zo zie je maar. Donderdag 4 juli figureert meneer in het Cultureel Supplement van de NRC, geportretteerd als musicus bij het a.s. North Sea Jazz. ‘Zeeziek Steven’: nooit van gehoord.

Op het internet scoort zijn naam hoog. Eigenlijk is Seasick Steve - hij moet al kotsen in een kano - nou ook weer niet zo lang bekend. Zo’n beetje vanaf zijn 65ste; een feit dat mij nog alle hoop geeft.

De singer-songwriter blijkt een curieus verschijnsel. Op de leeftijd waarop ik Latijnse stamtijden leerde - do dedi datum - liep hij van huis weg. Een zwervend bestaan volgde waarin hij niks en van alles deed. Ook was hij boerenknecht.

Daarvan zingt hij. En van de liefde. Op zijn laatste cd ‘Hupcab Music’ valt dat allemaal te beluisteren. Nog niet eerder hoorde ik een lied over de liefde voor tractoren. Wel over de ‘boerderieën’, van de ‘Boertjes van Buuten’, hoewel zijn ode daar totaal niet op lijkt.

Seasick Steve zingt over de wondere wereld binnen zijn agrarische thuisland. Waarbij de man zich begeleidt op opmerkelijke gitaren, gemaakt van wieldoppen en sigarenkistjes. Curieus.

Vanmiddag heb ik zijn laatste cd gekocht. Omdat de buren niet thuis waren, kon de volumeknop voluit. Mijn favoriet? Een rustig lied: ‘Purple Shadows’. ‘Ingetogen’, zoals de jongedame ongetwijfeld zou zeggen.’Ingetogen’.

En die vlinder? Seasick Steve is al wat langer op pad en gisteren raakte hij mijn bestaan. Ik fluit de melodie van ‘Purple Shadows’ op de fiets naar de stad. De kaas die ik daar op de Markt koop, smaakt ineens nog lekkerder.


donderdag 4 juli 2013

Reichsburg Cochem

Cochem aan de Moezel is erg toeristisch. Er meren Rijncruiseschepen af uit de aanpalende landen; andere dagjesmensen arriveren met bussen of eigen vervoer. In de naar mijn idee alleraardigste Altstadt barst het van de winkeltjes en eetgelegenheden. 'Veul volk' dus. Wij verblijven aan de overkant van het water, in Conde. Louter toeval, onze keuze voor het ‘Altes Fährhaus’. Best prettig ook. Prima B&B. Zoals in veel drukke plaatsjes is het 100 meter van het centrum rustig. In deze streek is het heerlijk wandelen.

Dat laatste hebben we gisteren gedaan. Vandaag 25 juni lopen we met een lus door Cochem City omhoog naar de Reichsburg. Het kasteel oogt als een filmdecor en het domineert met zijn hoge ligging het stadje. Het ligt pal tegenover 'ons' B&B-balkon.

Meer mensen zijn deze ochtend op het idee gekomen de torenrijke vesting te bezoeken: het hangt er met de benen buiten. Zonder morren laten we een grote groep Britse schoolkinderen voor gaan. Ze klinken Schots en hun opvallend dunne kledij op deze frisse morgen lijkt hun noordelijke herkomst te bevestigen. Een grap in Schotland luidt dat je als toerist beter een trui kunt blijven dragen, wanneer de plaatselijke bevolking in een T-shirt rondloopt.

Rond 1000 bouwt de Pfalzgraf de eerste versterking. Uitbreiding volgt in de eeuwen daarna totdat Zonnekoning Louis XIV het in 1686 zo nodig moet verwoesten. Het geheel ligt er bekant twee eeuwen verbellemond bij totdat in 1868 de rijke Louis Ravené uit Berlijn de bouwval koopt en restaureert. Sinds 1978 is de stad Cochem eigenaar. Onze gids - een Duitse broer van Bill Cosby - vertelt zijn verhaal op smakelijke wijze. De man blijkt ook het Nederlands goed onder de knie te hebben, pure service voor de verdwaalde landgenoten die in hun jeugd de Duitse tv-zenders niet konden ontvangen.

We bezoeken zeven van de 50 kamers. Dit aantal is gemeubileerd; de rest staat leeg. Veel Delfts blauw in de open haarden en op de kasten. Wie een wens wil doen, kan plaats nemen onder een hangende talisman: half vrouw - half vis, voorzien van een hertengewei. Zoals er in vroeger eeuwen binnen de Nederlanden bier gedronken werd i.p.v. vervuild water, zo was dat hier wijn. We zien de pullen waarmee de paters hun dagelijkse rantsoen van vijf liter uitgereikt kregen. Voor de nonnekes was drie voldoende. Het alcoholpercentage was bijzonder laag.

Aanpalend bezoeken we in de balkontuin een demonstratie van een vrouwelijke valkenier. De wind is iets te sterk voor een uitgebreide show. Uitleg en praktijk vormen een mooie aanvulling op de eerdere rondgang.

Met een blik op de ‘heksentoren’, voorzien van een afbeelding van St.-Christoffel (die overigens als heilige geschrapt zou zijn uit de santenboetiek) lopen we langs een achterafweggetje weer terug, waarbij we een pestkapel uit 1422 en resten van de stadsmuur uit 1352 passeren.

Zeker, of ‘ook’ met kinderen een aanrader, dit kasteelbezoek, zeggen we tijdens de boterham. Daarna gaan we de rivier over en slaan linksaf voor een bezoek aan een wijnboer. De landgenoten die in hun jeugd het Duits uit hun vakkenpakket weerden, krijgen van de jonge gids een samenvatting. Haar Engels is voortreffelijk. Toch curieus, in mijn ogen, dat vertaalwerk in ons buurland.