vrijdag 30 december 2011

Brobbelbies

Het is zo langzamerhand een traditie geworden: op 30 december met (de) familie de Winterwandeltocht van Bernheze. Vandaag 15 kilometer vanuit het startpunt bij Heesch. We gaan richting natuurgebied Maashorst dat gedeeld wordt door de gemeentes Oss, Landerd, Bernheze, en Uden. Het bezoekerscentrum bevindt zich bij het buurtschap Slabroek.

Het weer is een geschenk. Na een nacht en vroege ochtend  vol storm, hagel, onweer en regen straalt de zon ‘as ‘nne gèk’. Uit de wind is het magnifiek. Veel ‘masten’, naaldbomen die hier ooit zijn neergezet om het zand vast te houden. Ook weiland of ‘als weiland ogende grond’ met grazende Schotse Hooglanders. Er moeten ook IJslandse pony’s rondlopen, maar die zie ik niet.

Dit begrazingsgebied heet Brobbelbies. Het is duidelijk dat het om nat terrein gaat, zeker na al die majem van de afgelopen tijd. Bovendien is het waterbeheer erop gericht dit gebied het oude drassige karakter weer terug te geven. Het toponiem Slabroek – waar het bezoekerscentrum Maashorst gevestigd is – en de aanwezigheid van een zogenoemde Hogeweg accentueren het karakter van een waterrijke omgeving

In de zeventiende eeuw moet zich in deze contreien een ex-militair opgehouden hebben, Kobus van der Schlossen. Als lid van de 'Zwarte Bende' voorzag hij op wederrechtelijke wijze in zijn levensonderhoud. Dit kostte hem in 1695 de kop. Het verhaal gaat dat Kobus een soortement Robin Hood was, maar dan wel eentje die zijn ziel verkocht had aan de duivel voor tovenaarskunsten. Toen de 'politie' hem zowat te pakken had, sprong hij in de plomp en veranderde in een bies. Vanwege zijn bovennatuurlijke gedaanteverandering in deze plant zou het omringende water zijn gaan brobbelen.

B(r)obbelen - met umlaut 'b(r)ubbelen' - betekent 'borrelen van water', bubbelen, opborrelen, luchtbellen in het water vormen. De 'bies' is een veelvoorkomend oevergewas. Er werden/worden stoelen, matten en koffers van 'gevlochten'.

We passeren ook het veld met het graf van de vorst(in) van de Maashorst (800-500 voor Chr.), waar in de Romeinse tijd opnieuw mensen begraven werden. In de 14de/15de eeuw werd er een landweer aangebracht: de scheiding tussen het Land van Ravenstein en het hertogdom Brabant. Later zou dit de grens worden tussen Uden en Nistelrode. De ‘herinrichting’ van deze archeologische site is van recente datum.

Meer over ‘De vorst(in) van de Maashorst: http://www.youtube.com/watch?v=CFMbS4z-xzQ

donderdag 29 december 2011

Hoe laat is het buiten?

Op vrijdag 23 december beklim ik (weer eens) de toren van de Bossche St.-Jan. Elke keer blijkt wat ik te zien krijg anders. Ook nu weer zijn er nieuwe dingen. Sinds het vorige bezoek blijkt weinig overhoop gehaald is, maar kennelijk kijk ik nu door een nieuwe bril, figuurlijk dan.

Terwijl ik in gedachten naar de trommel staar die automatisch om de zoveel tijd voor het melodietje van de beiaard zorgt, hoor ik een stem zeggen: ‘Hoe laat is het buiten?’. Niet dat iemand dit écht vraagt terwijl we naar de gids luisteren: de zin komt uit een vergeten plooi van mijn geheugen. In mijn (vroege) jeugd was dit een normale vraag. In elk geval bij ons thuis. Zeker van ‘ons opoe’. ‘Jonge, hoe laot is’t buite?’

Ik ging dan niet de tuin in om op de klok van de St.-Jan te kijken. Of die van het stadhuis. Beide uren werden aan mijn oog onttrokken door de aanwezigheid van huizen en andere gebouwen. Ik liep dan ook niet naar een groot uurwerk dat bijvoorbeeld op het Kapelaan Koopmans op een omgebouwde lantaarnpaal stond. Nee, ik bleef gewoon thuis, keek richting schouw en las daar de tijd af.

‘Jonge, hoe laot is’t buite?’ Ik mis een stuk van het verhaal over de speeltrommel in de klokkentoren. Geen ramp, want ik ken het al. Ik stel me voor in wat voor een tijd die vraag ontstaan moet zijn. Ik zie een schilderij met mensen die hun werk op het land onderbreken om te bidden. ‘Het Angelus’ van Jean-François Millet. Aan de horizon is een kerktoren zichtbaar. Waarschijnlijk heeft zojuist de klok kenbaar gemaakt hoe laat het is. De lichtval maakt twee tijden mogelijk: het is buiten 06.00 of 18.00 uur.

Wie afhankelijk is van de tijd die de torenklok aangeeft, moet goed tellen. Zo zijn er (nog) pendules die op de hele uren twee keer slaan. Ik bedoel dan: de juiste tijd herhalen zodat je nog eens de kans krijgt om exact het aantal slagen te tellen. Fijn als je in een gehorig huis woont: dan ben je blij als het middernachtelijk uur voorbij is.

Misschien wilde oma weten of haar horloge gelijk liep met de officiële tijd. Die ik kon afleiden van het radioprogramma dat opstond. Of zou ons opoe nog de eeuw meegemaakt hebben dat er nachtwakers rondgingen. Al dan niet met ratel, zoals in mijn kleutertijd een ratelaar de komst van de vuilniswagen aangaf. Die nachtwachten riepen om het uur hoe laat het was: ‘Twaalf heit de klok, de klok heit twaalf’. Voor wie geen klok had. Of geen klok kon kijken. ‘Jonge, hoe laot is’t buite?’

Geheugenpaleis (4); de psychologische tijd

Na de eerste 100 pagina’s ben ik ‘Het geheugenpaleis’ een spannend boek gaan vinden. Overigens zonder dat ik als lezer op zoek moet naar de oplossing van een misdaad. Het is eerder zo dat de auteur om elk hoek een onvoorspelbare horizon weet te creëren. ‘Wat zal het volgende vergezicht zijn?’ Daarmee krijgt het ook iets van een rariteitenkabinet. Met daarin het optreden van bijvoorbeeld kuikenseksers, geheugenatleten en de meest vergeetachtige man op aarde.

Ik ben de schrijver ook gaan waarderen om zijn ‘beeldend’ taalgebruik. ‘Goed verwoord’, denk ik regelmatig. Bijvoorbeeld bij ‘een formidabel geheugen is niet gewoon een bijproduct van expertise, het is de essentie van expertise’ (pag. 81). Jammer dat ie zelf geen wetenschapper is, anders zou ik ‘m ook nog op zijn woord geloven. Die vooringenomen houding reken ik mezelf aan. Is dat wat jaren werk in een wetenschappelijk instituut met me heeft gedaan?

Wat verbale pareltjes. Over een man die een deel van zijn geheugen kwijt is: ‘Zijn sociale universum strekt zich niet verder uit dan de mensen in de kamer. Hij leeft in het smalle licht van een schijnwerper, omgeven door duisternis’ (pag. 89). Zo’n beeld tekent voor mij de pijnlijkheid van een ‘gedachteloos leven’. In het beschreven geval heeft de persoon af en toe enig besef van de situatie waarin hij verkeert. Wanneer houdt het leven op?

Nog zo’n mooie formulering: ‘Monotonie doet de tijd inkrimpen; nieuwigheid maakt dat hij zich ontvouwt’ (pag. 93). Krijg het maar bedacht. Een aansporing om het pad van routine en vertrouwdheid met enige regelmaat links te laten liggen. Afwisseling en nieuwe beelden: ze verlengen de psychologische tijd. Ze laten de klok later slaan.

Hoewel ik – als eerder gezegd – van een populair lied nog geen twee regels foutloos kan reproduceren, het onthouden van bovenstaande citaten kost me geen moeite. Net zoals bij een recept van een smakelijk gerecht: vertel het me, en ik ga er meteen mee aan de slag. Zonder op het spiekbriefje te hoeven kijken. Of dat iets te maken heeft met wat ik nog hoop te lezen (een strategie om mijn rampzalige geheugen te verbeteren): wie weet. Ik heb nog tweederde van het boek voor me. Ook dit houdt dit verhaal spannend.

maandag 26 december 2011

Geheugenpaleis (3); verbetering

De auteur maakt zijn lezers duidelijk dat hij verslag wil doen van het jaar waarin hij de prestaties van zijn geheugen met succes wil verbeteren. Een nobel streven én een succes dat voor ieder weggelegd is.

Al lezende kom ik terug op mijn indruk dat dit boek voor Amerikanen geschreven zou zijn. Au contraire. Was die gerichtheid op de yankees zijn bedoeling geweest, dan had hij zijn aanpak wel anders georganiseerd. Voor een Amerikaans boekt ademt het te veel intelligentie en humor uit om het zoveelste werk te zijn in de reeks 'How to improve ...', gevolgd door een kookboekachtige weg naar de gelukzaligheid.

Goed, het geschrift begint me nu echt te boeien. Het klikt - om het zo te zeggen - tussen het Geheugenpaleis en mij. Da's wel belangrijk, want zo snel geloof ik een auteur niet. Zeker niet een scribent van Amerikaanse origine, een te wantrouwen soort vanwege de gedemonstreerde blije kijk op de toekomst. Met titels als: 'Word gelukkiger', 'Presteer meer', 'Ontdek je werkelijke energie', en dit allemaal voor €22,95.

Het boek zet me aan het denken. In elk geval over de intentie en de aanpak van dit werk. Mijn vooringenomenheid slinkt wanneer de auteur een begeleider krijgt in de persoon van K. Anders Ericsson, hoogleraar psychologie en 'geheugenverbeterexpert'. Wat ik in mijn handen heb, is geen kook-, maar een avonturenboek. Met mij als lezer op de eerste rij om dit alles te volgen.

Dit is boeiend. En om duidelijk te zijn: we hebben het over het lezen van een boek. Het perspectief dat de auteur aan de lezer voor houdt, is dat van een toekomst waarin hij/zij beter presteert bij het onthouden en reproduceren van gegevens. Voilá, da’s nie niks.

Het lezen van dit boek is als het lopen door een bos met bomen waarvan een deel bekend voorkomt. Maar de meeste aanwezige woudreuzen hebben nog geen betekenis. En het ‘sottobosco’ waarover ik struikel: wat heeft dat ermee te schaften? Aangezet door de tijd van het jaar denk ik: ‘Het zal me allemaal duidelijk worden’. Hoop & belofte: die combinatie geeft de mensch energie om voort te gaan. Ook dus met het Geheugenpaleis.


Toledo (7); vechtschool


Het is geen flauwekul om in de periode 1567 – 1623 gemiddeld tweejaarlijks een massa van 4.000 tot 8.000 soldaten plus aanhang van Genua naar Brussel te laten sjouwen. Alleen al de organisatie van 'het dagelijks brood' is een permanente vraag voor de kwartiermakers. Ik stel me voor hoe zo’n ploeg die wel 20.000 te voeden ‘monden’ kon tellen, als een plaag sprinkhanen naar het noorden trekt en onderweg alles kaal vreet. Stadsbesturen hebben die lui liever niet over de vloer ook al wordt voor logies en eten betaald. Als het even kan, overnacht het voetvolk in tijdelijke kampen terwijl er voor officieren een bed geregeld wordt. De dag daarna moet de karavaan zo spoedig mogelijk weer opkrassen.

Deze landverhuizing vindt plaats over beproefde handelswegen in een (nog) dunbevolkt Europa. Op moeilijke punten moeten verbrede wegen en tijdelijke bruggen de passage versnellen. Gidsen zorgen voor de nodige ‘topografische’ ondersteuning. Als de omstandigheden meezitten, hoeft de reis maar een dag of 30 in beslag te nemen.

Spanje voert in de wereld gelijktijdig strijd op verschillende fronten. Dat vraagt om een grote en goed getrainde legermacht. Wie de Nederlanden overleeft, mag zich een ervaren militair noemen. De Países Bajos españoles hebben de naam een goede leerschool te zijn. Daar moeten de soldaten niet alleen de gevechtshoudingen zien te overleven. Ook het garnizoensleven trekt zijn wissel op de mensen, zeker als de betaling steeds maar weer uitgesteld wordt. Daardoor is de dreiging dat militairen aan het muiten slaan, constant aanwezig. Als dat gebeurt, moet de plaatselijke bevolking bloeden. Om dit te voorkomen, wil de legerleiding de soldij nog wel eens 'voorschieten', maar dit verhult het echte probleem niet: het ontreken van een permanente bevoorrading.

Uiteindelijk hebben de Spanjaarden na 80 jaar strijd de slag om het noordelijke deel van de Nederlanden verloren. Volgens Geoffrey Parker speelde de grote afstand tot het moederland hierbij een belangrijke rol. Een goede logistiek voor de tijdige 'aanlevering' van militairen, materieel en financiële middelen was nauwelijks te realiseren. Wat dit in de praktijk betekend moet hebben, valt te lezen in de boeken rond kapitein Alatriste. Deze serie van Arturo Pérez-Reverte zijn inmiddels ook in het Nederlands vertaald.

In Spanje bestaat de 'Amigos del Camino Espanol de Los Tercios'. Begin december 2011 ontmoet ik in Toledo een aantal 'motoren' achter deze groep. Deze officieren zorgen voor het vasthouden van de herinnering: www.elcaminoespanol.com.

zondag 25 december 2011

Geheugenpaleis (3); verbetering

De auteur maakt zijn lezers duidelijk dat hij verslag wil doen van het jaar waarin hij de prestaties van zijn geheugen met succes wil verbeteren. Een nobel streven én een succes dat voor ieder weggelegd is. Al lezende kom ik terug op mijn indruk dat dit boek voor Amerikanen geschreven zou zijn. Au contraire. Was die gerichtheid op de yankees zijn bedoeling geweest, dan had hij zijn aanpak wel anders georganiseerd. Voor een Amerikaans boekt ademt het te veel intelligentie en humor uit om het zoveelste werk te zijn in de reeks 'How to improve ...', gevolgd door een kookboekachtige weg naar de gelukzaligheid.

Goed, het geschrift begint me nu echt te boeien. Het klikt - om het zo te zeggen - tussen het Geheugenpaleis en mij. Da's wel belangrijk, want zo snel geloof ik een auteur niet. Zeker niet een scribent van Amerikaanse origine, een te wantrouwen soort vanwege de gedemonstreerde blije kijk op de toekomst. Met titels als: 'Word gelukkiger', 'Presteer meer', 'Ontdek je werkelijke energie', en dit allemaal voor €22,95. Het boek zet me aan het denken. In elk geval over de intentie en de aanpak van dit werk. Mijn vooringenomenheid slinkt wanneer de auteur een begeleider krijgt in de persoon van K. Anders Ericsson, hoogleraar psychologie en 'geheugenverbeterexpert'. Wat ik in mijn handen heb, is geen kook-, maar een avonturenboek. Met mij als lezer op de eerste rij om dit alles te volgen.

Dit is boeiend. En om duidelijk te zijn: we hebben het over het lezen van een boek. Het perspectief dat de auteur aan de lezer voor houdt, is dat van een toekomst waarin hij/zij beter presteert bij het onthouden en reproduceren van gegevens. Voilá, da’s nie niks.

Het lezen van dit boek is als het lopen door een bos met bomen waarvan een deel bekend voorkomt. Maar de meeste aanwezige woudreuzen hebben nog geen betekenis. En het ‘sottobosco’ waarover ik struikel: wat heeft dat ermee te schaften? Aangezet door de tijd van het jaar denk ik: ‘Het zal me allemaal duidelijk worden’. Hoop & belofte: die combinatie geeft de mensch energie om voort te gaan. Ook dus met het Geheugenpaleis!

zaterdag 24 december 2011

Geheugenpaleis (2); vergeten kunst

Ik lees het Geheugenpaleis. Wie is de legendarische Joe Greenstein? Nooit van gehoord en hij staat al meteen vooraan de tekst. Dit boek is niet voor Europeanen geschreven. Of voor lieden uit Tibet, Thailand en Terschelling. Zo Amerikaans als Thanksgiving Day. Of 'Let’s have lunch together'. Dat was het dan: gestopt op pagina 14.

Toevallig of stiekem verder kijken. Mmm, er blijkt nog een ‘wereldkampioen geheugen’ te bestaan. Niet afhaken dus en gewoon doorlezen?

Mirakels, dan wordt het verhaal interessanter: een fotografisch geheugen zou niet bestaan en onthouden is volgens de dan regerend kampioen 'geheugenatleten' slechts 'een kwestie van techniek en inzicht in de werking van het geheugen'. Iets dat voor eenieder weggelegd is. Kijk, nu wordt het aantrekkelijk om toch de volgende pagina om te slaan. Ook voor mij.

Ik kom op bekend terrein: dat van de verteller, de éénoog in het land der blinden. Als nog nauwelijks iemand leest, vertelt hij het volk 'Van den vos Reynaerde'. Zomaar uit de kop, want in die tijd gaat veel mondeling van generatie op generatie. Als boeken uiteindelijk gemeengoed worden, raakt de kunst van het onthouden vergeten. Op pagina 18 raak ik écht nieuwsgierig.

Zet mij voor publiek en dan weet ik van geen ophouden. Vraag me dan niet elk woord volgens een vastgelegd script te reproduceren, want dat is er absoluut niet bij. Ik kan nog geen twee zinnen van een populair lied onthouden. Ook niet als ze – hoewel niet wereldberoemd – van eigen makelij zijn. Gewoon niet. Zou ik dat vasthouden dan toch kunnen leren? Ik stel me al voor de 15 coupletten van het Wilhelmus onder enige hapering feilloos uit mijn bolle toet te kunnen opzeggen. Zingen zelf, indien gewenst. Dat is geen vaderlandslievende daad: het nut zit hem in het weten te onthouden. Ik ben nu wel zeer benieuwd wat de volgende pagina's van het Geheugenpaleis aan mijn raderwerk gaan brengen.