woensdag 30 maart 2011

Vaderlandse Geschiedenis (4); Steenweg naar Luik

Wie van ’s-Hertogenbosch richting Boxtel fietst, ziet ter hoogte van Voorburg aan de linkerkant de scheiding tussen ventweg en A2 lekker breed worden. In de groenstrook blijkt (achter een heggetje) over de lengte van zo’n 150 meter het restant van een oude steenweg te liggen. Je moet goed kijken, want tussen het opschietende gras zie je dit stukje cultureel erfgoed gemakkelijk over het hoofd. En het donkere bord met verklarende tekst valt ook niet echt op.

In de 18e eeuw waren er in ons land nauwelijks goede wegen. Veel handelsverkeer vond noodgedwongen over het water plaats, zo ook richting ’s-Hertogenbosch. Maar de tol, bijvoorbeeld op het bevaren van de Maas, werd steeds hoger. Dus leek het aantrekkelijk om onze stad - een belangrijk knooppunt in de handel tussen de Republiek en het Prinsdom Luik - via een steenweg met het zuiden te verbinden. Zo’n harde weg was immers in alle jaargetijden begaanbaar. En, zoals Luik suggereerde, als die verbinding de stad Hasselt had bereikt, kon ze mooi aansluiten op de aanwezige infrastructuur van het vorstendom. Het leek de Staten-Generaal een aantrekkelijke gedachte, maar toen de centrale regering niet doorpakte, besloot de stad ’s-Hertogenbosch in 1741 om zelf de kosten op zich te nemen.

Het eerste gedeelte van de internationale verbinding moest tot Eindhoven lopen. Van daar zou het via Valkenswaard richting Hasselt gaan. Er kwam ƒ 380.00 op tafel, vergaard door de uitgifte van obligaties. Tolheffing moest de kosten - met winst - terugverdienen. In 1742 hanteerde Antoni Martini (1728-1800) een speciaal voor deze gelegenheid vervaardigde hamer om de eerste Belgische kassei aan te brengen. Antoni was de zoon van de toenmalige president-schepen van de stad. Zelf zou hij het tot pensionaris van ’s-Hertogenbosch brengen.

In 1745 stopten de werkzaamheden bij Best: de tolheffing bij Vught, Hal (Halsche Barrière), Boxtel, Liempde en Best bracht de voornamelijk Bossche investeerders niet de verwachte opbrengst. Bovendien moesten de kasseien uit de Zuidelijke Nederlanden komen. Die gebieden lagen in een handelsconflict met Luik, en hielden de levering van het materiaal tegen.

Iets ten zuiden van Voorburg herinnert de naam Halse Barrier nog aan de slagboom die slechts bij betaling gepasseerd mocht worden. Het huidige ‘Oude Tolhuis’ verwijst naar het voormalige kleine tolkantoor dat dienst deed tot 1873. Het infobord bij het Tolpad bevat een aantal foto’s van de oude situatie. Doorgaans bevonden tolhuizen of barrières zich op drie kwartier lopen van elkaar. Ambtelijke collecteurs inden het geld dat aangewend werd voor het onderhoud en de veiligheid van de weg.

Wat dat laatste ook kon inhouden, vinden we terug in het verslag ‘Reize door de Majorij van ’s Hertogenbosch, in den jaare 1798. - 1799.’ van dominee Stephanus Hanewinkel. Hij liep in 1798 over de steenweg van ’s-Hertogenbosch naar Eindhoven. In zijn lichte bagage had hij o.m. ‘een paar zakpistoolen ter lijfsbeveiliging’. Wandelend en observerend deed hij twee dagen over het stuk dat vanaf Boxtel over een kaarsrecht tracé ging. Gelukkig voor hem waren de werkzaamheden bij Best in 1791 hervat. Noord-Brabant telde in 1872 in totaal 94 tollen. Daarna verviel hun functie door de komst van de paardenbelasting. Nog later kwam de heffing van het provinciale weggeld, en tegenwoordig kennen we de landelijke wegenbelasting. Het relict bij Voorburg en de naam Halse Barrier herinneren dicht bij huis aan de oude Steenweg.

In het depot van het Noordbrabants Museum bevindt zich de hamer die de Bossche zilversmid Th. van Berckel vervaardigde voor het leggen van het eerste kinderkopje op 26 april 1742. Pas zo’n driekwart eeuw later bereikte in 1818 - onder koning Willem I - de verbinding Luik.

dinsdag 29 maart 2011

Vaderlandse Geschiedenis (3); het Vreten van Münster

Zondag 27 maart: alsof we nog niks van Münster gezien hebben de afgelopen dagen, besluiten we ons verblijf met een stadswandeling. Onze gids weet het verhaal boeiend en met humor neer te zetten. Het Latijnse woord ‘monasterium’ (klooster) ligt ten grondslag aan de huidige naam. Na dit eerste religieuze bouwwerk volgden er nog heel wat. Nu nog bepaalt de grote verzameling kerken, kapellen en aanverwante onderkomens het beeld van het centrum. Daarin vormen de bezittingen van het bisdom een kleine replica van Vaticaanstad. Naast de kerk is ook de keuken duidelijk aanwezig. In de officiële uitgave van Münster Marketing staat dat de Münsterlander internationaal eet. Zal best, maar dan wel thuis. En dat kan, want op de goed voorziene en rijkelijk gevarieerde zaterdagse markt staat de ene specialiteitenkraam naast de andere met heel de culinaire kaart van Europa. We zijn onder de indruk. Niet alleen vanwege het aanbod, maar ook door de sfeer, de stijl en de rust. Geen marktkopman of -vrouw die met enige stemverheffing spreekt. In de restaurants voert de Westfaalse keuken de boventoon. Behalve zeer ruime porties betekent dit een kaart met allerlei variaties op worst, ham en spek. Best lekker, maar drie dagen is wel de limit. We bezoeken aan de lopende band eet- en drinkgelegenheden, zó nieuwsgierig zijn we naar ‘het Vreten van Münster’. De eerste avond doen we - na een aanloop in het brouwerijrestaurant - ons tegoed in het ‘Drübbelken’. De tweede avond zitten we in de ‘Grosser Kiepenkerl’. Daarnaast staat de ‘Kleiner Kiepenkerl’, maar daar was alles bezet. Slakken vooraf, niet erg Westfaals, maar wel lekker. Als hoofdgerecht heb ik Westfaalse bloedworst met Westfaalse appeltjes en Westfaalse puree. Daarbij speel ik een liter Jubilate van de plaatselijke brouwerij Pinkus Müller naar binnen. Een geweldige combinatie, waarbij ik aan de Bossche bloedworst moet denken die thuis in de koelkast ligt te wachten. Volgens mij bestaat er tussen beide producten geen enkel smaakverschil. We overleven dit alles en de mevrouw van de rondleiding dikt het een en ander nog eens aan met het verhaal over een Westfaalse afbeelding van ‘Het Laatste Avondmaal’. Niet gehinderd door kennis over de koosjere keuken, zou de schilder het bijbelse gezelschap achter een tafel gezet hebben vol worsten en hammen. Nou ja, verder was het een leuke dag.

maandag 28 maart 2011

Vaderlandse Geschiedenis (2); nog meer Vrede van Münster

Zaterdag 26 maart betreden we de Friedenssaal in het Rathaus van Münster. Daar ondertekenden op 15 mei 1648 de afgevaardigden van Spanje en de Staaten Generaal de vrede. Hiermee kwam een eind aan de Tachtigjarige Oorlog. Terwijl wij als bezoekers de ruimte in ons opnemen, klinkt van een bandje het verhaal achter deze gebeurtenis. De Duitstalige tekst heeft het over een overeenkomst waarmee de ‘protestantse Republiek der Nederlanden vrede sluit met de Spaanse bezetter’. Uiteraard is dit een mij bekende visie: typisch Hollands. Ik brom dat Hitler een bezetter was die ongevraagd in mei ’40 ons land bij dat van hem voegde. De Spaanse koning was toentertijd ‘gewoon’ de rechtmatige heer der Nederlanden. Dat hij zich wreed gedroeg, valt niet te ontkennen. Aan de andere kant noemt het promotieonderzoek van Adriaenssen het optreden van Willem van Oranje een vorm van genocide. Ik pruttel nog wat na in de wetenschap dat de Vaderlahandsche Geschiedenis ook in deze Duitse stad voor eeuwig een Hollands stempel heeft meegekregen. De Nederlandse onderhandelaars verbleven drie jaar in Münster om daar hun werk te doen. Vanaf 1646 vonden zij onderdak in het Krameramtshaus, het huis van het Kramersgilde; sinds 1995 heet dat ‘das Haus der Niederlande’. Het herbergt aan de Alter Steinweg een aan de plaatselijke universiteit verbonden studiecentrum voor de Nederlandse taal en cultuur. Overigens staat de voor ons vaderland geldende vredesovereenkomst niet alleen: deze is onderdeel van de Vrede van Westfalen, en die betreft echt wel wat meer. In de tweede helft van de Tachtigjarige Oorlog die hier de Lage Landen op zijn kop zette, woedde van 1618 tot 1648 in de ‘rest van Europa’ een strijd die bekend staat als de Dertigjarige Oorlog. Die werkte zo ontwrichtend op een gebied van Zweden tot Rome, dat geen partij daar onverschillig aan voorbij kon gaan. Betrokken partijen gingen met elkaar in gesprek met als resultaat op 24 oktober 1648 de Vrede van Westfalen, na de nodige onderhandelingen in Osnabrück en Münster. De notie ‘De Vrede van Münster heeft vandaag meer reliëf gekregen. Blijft het feit dat ik als gepatenteerde Brabo die overeenkomst met een dubbel gevoel bekijk. Ik moet zeggen dat de Duitsers er op het terrein van de citymarketing goede sier mee maken en dat is prijzenswaardig.

zondag 27 maart 2011

Vaderlandse Geschiedenis (1); de Vrede van Münster

Münster. Bij mij vegeteert die naam al decennia in een stoffig geheugenhoekje. Andere begrippen in die breinplooi zijn bijvoorbeeld ‘de Overwintering op Nova Zembla’, ‘Kaap de Goede Hoop’, ‘het Concordaat van Worms’. Goed voor een plek in de Vahaderlandsche Geschiedenis, maar vooral latent in mijn hoofd aanwezig. Ik weet geeneens of ze chronologisch wel in de juiste volgorde staan. Op 25 maart wordt ‘Münster’ geactiveerd. Uiteraard weet ik dat daar in 1648 de vrede getekend werd tussen Spanje en de Republiek der Nederlanden. Voor een Bosschenaar als ik heeft dat niet meer betekenis dan een achterhoedegevecht. De zaak is dan immers al verloren en in dat bewuste jaar is de republikeinse stadsregering van 's-Hertogenbosch druk in de weer om hier de herinnering aan het Spaanse verleden uit te wissen. Münster maakt op mij een aangename indruk. Het centrum blijkt zo veel mogelijk herbouwd in de stijl die het voor de oorlog ook al had. Het lijkt alsof de variatie in restaurants ook vooroorlogs is: overal bepaalt de Westfaalse keuken de kaart. In de ‘Altstadt’ valt geen ‘pizzeria originale’ of kebabtent te ontwaren. Is dit de uitkomst van een strategisch beleid? Keine Ahnung. We gaan na aankomst direct op pad en een wandeling voert ons in korte tijd langs een reeks kerken. De gemeente lijkt nog Roomscher dan Trier. Of Den Bosch, vóór 1629. In het 'Rathaus' informeren we naar een ‘begeleide stadswandeling’; en passant zien we dat zich daar ook de Friedenssaal' bevindt waar de Spanjolen en de Hollanders op 15 mei 1648 de vrede sloten. Daar gaan we dus morgen naar toe. Tot mijn grote vreugde telt de stad nog een (altbier)brouwerij: Pinkus Müller. Hier moeten er ooit 150 geweest zijn. Uit de collectie vind ik vooral de Jubilate wel lekker, zeker bij de stevige Westfaalse kost die ik 's avonds bestel. Ik weet niet of die drank in 1648 al bekend was, of een equivalent daarvan. Uiteraard zal de vredesmaterie toentertijd weerbarstig zijn geweest, maar met zo’n keuken zullen de onderhandelaren hun verblijf een genoegen gevonden hebben. Ik heb er geen idee van wat ik de komende dagen nog mag ontdekken, maar de kennismaking met Münster smaakt zonder meer naar meer.

vrijdag 25 maart 2011

Bolduque (11); fiesta de la encamisá

Spanje loopt over van religieuze feesten. Zo viert begin december het dorp Torrejoncillo ‘la Fiesta de la Encamisá’. Voorafgegaan door een noveen ter ere van Maria Onbevlekte Ontvangenis, barst het festijn los in de avond van 7 december.

Centraal staat een kleurrijke optocht met mannen te paard. In plaats van een Spaanse schone, hebben zij Maria als medereizigster ‘achterop’. Zij staat namelijk aan de rugzijde groot afgebeeld op de witte en versierde beddenlakens waarmee de ruiters zich omhuld hebben. Naar deze uitmonstering verwijst het zelfstandig naamwoord ‘encamisá’. Het werkwoord ‘encamisar’ betekent zowel ‘een overhemd aantrekken’ als ‘iets omhullen’. Tijdens het feest hangt het er met de benen buiten; en natuurlijk wordt er het nodige gegeten en gedronken. De volgende dag is het Maria Onbevlekte ontvangenis.

Tijdens ‘la Fiesta de la Encamisá’ viert de symboliek rond kerk en kroeg hoogtij. Maar in Torrejoncillo zijn ze er nog steeds niet uit waar de wortels voor dit religieuze festijn liggen. Eén theorie legt een direct verband met het zestiende-eeuwse Bolduque (’s-Hertogenbosch). En wel met de strijd om Empel in 1585. In een eerdere bijdrage (zie blog Bolduque (3); fronlinie) bracht ik de kapel van Onze Lieve Vrouw van Empel ter sprake. Deze houdt de herinnering vast aan een hachelijk moment tijdens de Tachtigjarige Oorlog, toen begin december 1585 Spaanse troepen onder leiding van Francisco de Bobadilla door het hoge Maaswater ingesloten geraakt waren bij Empel. Dankzij de hulp van de Maagd Maria wisten de Spanjaarden ‘zegevierend te ontsnappen’ aan de ‘Hollanders’.

De hulp van Onze Lieve Vrouw maakte zo’n indruk, dat Francisco de Bobadilla Maria Ontvangenis direct uitriep tot patrones van zijn heldhaftige regimenten. Dit was de eerste stap; inmiddels is Maria Onbevlekte Ontvangenis de patrones voor de (hele) Spaanse infanterie. Het feest van Maria Ontvangenis heet sinds 1854 officieel Maria Onbevlekte Ontvangenis. In dat jaar kondigde Paus Pius IX het dogma van de onbevlekte ontvangenis af. Toen Anna, de vrouw van Joachim, van Maria zwanger raakte, gaf zij haar dochter de erfzonde dus niet door. En zo kon de Maria de moeder van Jezus worden.

Het ‘beleg en ontzet van Empel’ komt voor in verschillende Spaanse geschriften over de ‘Guerra de Flandes’, de Spaanse aanduiding voor wat bij ons als de Tachtigjarige Oorlog bekend staat. Uit die benaming blijkt dat Vlaanderen (Flandes) als het belangrijkste gewest van de toenmalige Nederlandse gebiedsdelen werd gezien. Wie weet ligt de bron voor ‘La Fiesta de la Encamisá’ wel in onze omgeving. Een paar jaar geleden bezocht ik de broederschap die de jaarlijkse festiviteiten organiseert. Sindsdien sieren foto’s van de Empelse kapel een wand in het gebouw van de ‘Paladines de la Encamisá’.

De volledige tekst achter dit verhaal is te lezen via http://bosschebladen.nl/pdf/2005-1Berselaar.pdf

dinsdag 22 maart 2011

La cucina (8); affettati

Ook in Italië hoef je niet voor elk lekker gerecht uren in de keuken te staan. Waar ik zelf dol op ben, zijn affettati. Een prachtig woord 'affettati' en het betekent gewoon 'snijwaren'. En die koop je bij de slager, of de delicatessenzaak. Zaterdag was ik vlak voor de terugreis naar Nederland nog even bij Macelleria Dallantonio (zie blog La cucina (2); ragù di asino) en ik kreeg even het idee dat ik in een snoeptrommel rondliep.

Veel vleesproducten kunnen de borden met affettati sieren. Voor een aantal zul je Nederland ook bij je eigen slager slagen: rauwe ham, salami, mortadella, coppa di parma.

Met bresaola wordt het wat moeilijker. Het ziet er uit als rookvlees en het bestaat uit gedroogd rundsvlees. Je zult in ons land echt op zoek moeten naar deze lekkernij die een eigen groot bord verdient. Leg daarop 200 gram van dit heerlijke spul (of anders een tikkeltje dikker gesneden rookvlees), besprenkel het met citroensap en laat dit even intrekken. Bestrooi het geheel met wat peper en flinke vlokken parmezaanse kaas, wat geroosterde pijnboompitten en partjes augurk. Voeg olijfolie toe en kleed het aan met mooi geordende stukjes rucola. (Wie het echt fors wil aanzette, kan het geheel wat verder opsmukken met zwarte olijven en artisjokharten.)

Mijn eigen favoriete snijwaar bestaat uit een bord met verschillende soorten salami. Bij Dallantonio kocht ik een pittige uitvoering (voor de pizza diavola) en eentje van paardenvlees. Met wat warm brood en een glas witte wijn wordt dat heerlijk smullen vanavond. Behalve dat affettati gemakkelijk te bereiden zijn, vormen ze ook een geweldige eerste gang om op warme namiddagen dan wel avonden buiten op te peuzelen. Ik hoop alleen al daarom dat ons een geweldig voorjaar en een lange zomer te wachten staan.

maandag 21 maart 2011

La cucina (7); saltimbocca alla romana

Er zijn verschillende verklaringen voor de naam Italië. Eén daarvan legt de oorsprong bij de Oude Grieken. Die vonden dat er op de laars wel veel kalveren rondliepen, dus zou hun ‘Witalia’ verwijzen naar ‘Het land van het vee’, ‘Het land der kalveren’ of zelfs ‘Kalfsvlees’.

Er zijn nog steeds veel kalfjes in Italië, alleen komen die volgens de geruchten grotendeels uit Nederland. Waar dan ook ga ik nooit met obers in discussie over de herkomst van wat op dat moment mijn bord siert. Dus komt het kalfsvlees ook nu van de plaatselijke veeboer.

De ‘saltimbocca alla romana’ vóór mij is dus bereid met lokaal kalfsvlees. En wel van dunne, platgeslagen lapjes. Daarop vastgeprikt met een tandenstoker zit een schijf parmezaanse ham. Thuis ook makkelijk te maken door het met zout en peper bestrooide vlees (compleet met ham) op een hoog vuur even aan twee zijden aan te braden. Afblussen met een scheut witte wijn. Als de alcohol vervlogen is wat fijngesneden salie toevoegen en deze en korte tijd meebakken. Direct opdienen, bijvoorbeeld met gebakken aardappeltjes (plus rozemarijn), uiteraard op een warm bord. Stokbrood erbij voor de heerlijke saus.

Er zijn variaties op deze ‘secondo piatto’. Sommige koks halen vooraf de lapjes (met ham en al) even door de bloem en/of bakken in boter. Ook kan een salieblad met de tandenstoker op de ham bevestigd zitten. Ik heb ook wel eens extra ham samen met wat salie verstopt in het vlees aangetroffen achter (opnieuw) een tandenstoker. Sommige restaurants bakken ook een oesterzwam mee.

‘Saltimbocca’ geeft aan dat het gerecht ‘in je mond springt’. Van vreugde om de smaak, bij wijze van spreken. Weiger daarom dit gerecht als het van varkenslapjes bereid is (zelf meegemaakt, maar dan wel in Nederland) of van dikke kalfsoesters.

De wijn die niet in de pan verdwijnt, gewoon opdrinken tijdens de maaktijd.