zondag 13 november 2011

Oeteldonk (15); ‘Zô mooi!’

Monique Gloudemans presenteert zondag 20 november 2011 de bundel ‘Zô mooi!’. Dat wordt dan haar tweede ‘Oeteldonks gedichtebuukske’. Hiervan biedt zij het eerste exemplaar om precies 15.11 uur aan in ‘De Stallen’ (De Smidse, Torenstraat). Tja, en naar goed gebruik blijft de naam van de ontvanger tot dan geheim. In 2007 was dat Harry de Graauw. Van haar primeur ‘Anders anders bekeke‘, werden al snel 1.800 exemplaren verkocht. Ik denk dat het nu ook storm zal lopen.

Monique is allereerst binnen Den Bosch/Oeteldonk bekend als meervoudig winnares van de ‘Oetelsdonkse Klètsavond’. Ook won ze zowel de ‘Jankbokaal’ als de ‘Poemiekavond’. Ze is - zoals dat heet - mondfiat en met ‘Zô mooi’ maakt ze opnieuw duidelijk dat ze eveneens ‘met weinig woorden’ veel kan zeggen. Da's een kunst. Haar 'nuwe buukske' bevat 50 gedichten waarin zij haar liefde uitdrukt voor alles wat met Oeteldonk te maken heeft. De teksten die recht uit haar hart komen, bevatten veel humor. Ze observeert scherp en dit leidt tot treffende en herkenbare beelden. Monique beweegt zich met haar pen tussen tedere gevoeligheid en recht-voor-zijn-raap. Uiteraard kiest ze ook in deze bundel voor een weergave in het plaatselijk dialect: het Bosch dus.

Het voorwoord bij deze bundel is van Karel Noordzij; Bart Jansen tekent voor de illustraties. Afgelopen voorjaar en zomer heb ik de dialectadviezen mogen verzorgen. En met genoegen, dat mag duidelijk zijn. Het meeste werk deed ik in Zoetermeer. Die plaats heeft dus helemaal niks (met carnaval te maken) en is daarmee uiterst geschikt als locatie om 'met afstand te kijken naar alles wat Bosch is'. Ik ben daar ook redelijk 'ontboscht' geraakt.

Ter plekke heb ik al mogen smikkelen van Moniques poëzie. En nu komt die verzameling 'Oeteldonkse emosie' dan beschikbaar voor iedereen die met het Oetelvirus behept is. De prijs voor ‘Zô mooi’ is €11. Op de extra CD die speciaal voor de genodigden van 20 november gemaakt is, leest Monique een keuze uit haar ‘buukske’ voor: 11 gedichten, waarbij Peter van Zelst (saxofoon) voor de muzikale begeleiding zorgt. Ik zou zeggen: 'Lopt de maondag efkes naor de winkel'.

zaterdag 12 november 2011

Oeteldonk (14); carnavalslied 2012

Weer een mooie zondagochtend? Niet dus: gewoon mistig en waterkoud. Dat heb je al snel op dit vroege uur, half november. 'Wacht maar', houd ik mezelf voor, 'De zon komt nog wel door'. Ondertussen 'draai ik aan het grote wiel' en breng mezelf en het pontje naar de overkant van de Dommel. Welk lied is gisterenavond als winnaar uit de bus gekomen als Oeteldonks carnavalslied 2012?

Vijdag 11-11-11 werd een magnifiek straatfeest. Net of als gevolg van de klimaatverandering carnaval op een ander moment in het jaar terecht gekomen was. Vol sfeer en muziek, ook zonder intocht van de Prins of de grote optocht. De zaterdag daarna was het zoals het al jaren is tijdens het Kwekfestijn: clubkes in de stad.

Ik ren over de singeldijk ter hoogte van de Parklaan. Natuurlijk had ik vanmorgen kunnen kijken op de website van de Oeteldonkse Club. Daarop zal beslist de uitslag van de finale staan. Toch heb ik de computer niet aangezet. Nog gemakkelijker zou geweest zijn die informatie via mijn iPhone te zoeken. Dat heb ik ook niet gedaan: ik wil het morgen uit de krant vernemen. Is dat zinnig? Geen idee.

Vandaag leef ik in een soortement quarantaine. Ik mijd iedereen die me zomaar zou kunnen zeggen dat clubke huppeldepup als eerste uit de bus is gekomen. De telefoon neem ik ook niet aan. Laat ze maar bellen.

Bij de Zuiderplas breng ik mijn gedachten op een ander spoor. Gisteren heb ik 'Stil de tijd' gekocht, van Joke J. Hermsen. Het boek is een 'Pleidooi voor een langzame toekomst'. Kijk, dat werk heeft na lezing van de acht titelwoorden nu al zijn geld opgebracht: ik heb deze grauwe zondagochtend de snelle informatievoorziening via de elektronische weg genegeerd en daarmee de tijd vertraagd.

Ik ren verder weg en citeer de poëet Belcampo. Die bedacht 'Ik ben dichter/dichter bij het graf/dichterbij het graf dan gister/toen was ik er verder af'. Over het tijdsbesef in die regels denk ik al jaren na. De tijd die tegelijkertijd voortschrijdt en geschiedenis is. Een bijzondere parallellie.

Als ik bij Den Dungen de Poeldijk op loop, voel ik mij afgezonderd van de wereld, omhuld als ik me weet door de mist. Ik weet waar ik ben omdat ik hier elke meter ken en tegelijkertijd brengt de desoriënterende grijze deken me in een andere dimensie. Los van alles wat vertrouwd is. Een auto gaat me inhalen en ik stap uit lijfsbehoud over naar de berm: mijn tijd is nog niet gekomen, denk ik. Naast het nummerbord van de mercedes zie ik een sticker van OC: de Oeteldonkse Club. Dat leidt me weer terug naar de realiteit. De inzittenden zullen wel weten welk lied gisterenavond gewonnen heeft. Ik loop door en denk: 'Ik neem de tijd, ik geef de tijd'. Morgenvroeg wordt om 06.15 de krant bezorgd. Waarom zou ik me haasten? Waarna ik verder ren richting Dungense Brug.

donderdag 10 november 2011

Gewande en Het Wild

Steevast zei mijn pa als we daar in de buurt fietsten: 'Empel en Gewande zijn twee schone landen'. Deze zin was voor iemand die 'Het lied van boerke Naas' uit zijn hoofd kende, ongetwijfeld de opmaat tot een lang gedicht. Maar het vervolg kwam nooit.

Als we nu over de Maasdijk Gewande passeren, denk ik dat hier meer over te zeggen moet zijn dan die ene regel. Het dorpje was met zijn sluizen eeuwenlang van belang voor de waterhuishouding in dit gebied. Na de aanleg van een schans nam het ook voor een militair strategische positie in. Veel namen van wegen en gemalen herinneren aan dit verleden. De naam Gewande zou afgeleid zijn van wat wij nu kennen als 'wenden': de plaats waar tijdens het ploegen gekeerd werd.

Het zicht op rivier en uiterwaarden is subliem op deze zonnige herfstochtend. Toch rijmt nu op 'schone landen' niet meer dan 'kouwe handen'. We skaten in een lint verder langs water en wei. Ik zie een ponytweeling die eerder deze week wellicht de dans ontsprong bij de paardenmarkt van Hedel. Salami op vier poten.

In buurt van 't Wild verliest een van de deelnemers een neuswiel. Ze heeft het meteen in de gaten, het ding wordt opgespoord en weer 'in lijn' geschroefd. Van de ene op de andere minuut trekt de lucht dicht. Laaghangende bewolking. Alsof iemand het licht uitdoet en de verwarming afzet. We verlaten de dijk voor een kop koffie/thee in De Wildse Hut. Inmiddels zijn we aanbeland in de gemeente Oss. Het Wild ontstond ooit bij een uitwateringssluis en het omvat niet meer dan een worp huizen. Een buurtschap, met een café uit het lied van Herman van Veen, hoewel wel degelijk in het bezit van een 'wc voor dames apart'. Voor we de uitspanning verlaten, krijgen we van de waard nog een amaretto aangeboden. Wellicht ter voorbereiding op de kou buiten.

Door een grauw polderlandschap halen we een hoek richting Heeseind om af te slaan naar Rosmalen. Op de grens met Den Bosch komt de zon weer tevoorschijn. In een haakse aflopende hoek tuimelt een deelnemer uit de bocht. Hij krabbelt op waarna we richting auto's rijden. Die staan bij de Ploegweg, een toepasselijke plek voor wie zojuist Gewande bezocht. En nu naar huis voor een tosti met kaas, sambal en salami.

Tekst 'Boerke Naas': http://liedgenootschap.net/gedicht.php?id=264

woensdag 9 november 2011

De hudo belicht

Er zijn twee nieuwe wc-potten in ons huis geplaatst, dus schilder ik de 'kleinste kamertjes'. We hebben zonnige kleuren uitgekozen die bij de gele en rode tegels passen. Met twee (nagenoeg) linkerhanden moet ik erg opletten om er geen zootje van de maken. Dit staat niet in de weg dat mijn gedachten keer op keer afdwalen. Het schijnt dat mensen de mooiste dingen hebben bedacht op het toilet. Het verhaal wil dat Luther er zijn stellingen geformuleerd zou hebben, maar dat is misschien wel paapse vuilspuiterij.

Dat laatste is uiteraard wel de kernactiviteit die in deze faciliteit plaats vindt. Niet vreemd dat daarom woorden als poep- dan wel kakdoos in omloop raakten. Een oudoom van mijn vrouw had 'op 'nnen achteraf' en keuterboerderijtje gekocht. Het toilet zat achter de bijkeuken in een soortement hok en die wc bestond uit een witte kist met daarin een ronde deksel. Daarop kon je plaatsnemen voor een grote of kleine boodschap. Die oudoom tilde in onze aanwezigheid het deksel op en vroeg: 'Wie wil d'r een ijsje'. Als ik langs een ijscokar loop, zie ik ons weer op die zomerse namiddag bij dat houten timmerwerk staan.

Woorden als kak- of poepdoos verwijzen direct naar de verlangde inspanning. Het beeld is meteen helder. Bij 'woudkapel' is dat al weer minder. Hiermee wordt een losstaand huisje bedoeld met in de deur een uitgezaagd hartje voor de frisse lucht. Een toilet buiten dus. Zo'n woudkapel gebruikten wij de eerste maanden van ons huwelijk. Het toegewezen huis was nog niet voltooid, dus werd het tijdelijk een zomerhuisje. Toen wij daar weggingen, was het winter. De kou zorgde ervoor dat de buiten-wc een te mijden plek geworden was.

Zit-wc's zijn bronnen van besmetting.Wellicht hebben de Fransen daarom de hurktoiletten uitgevonden. Beruchte plekken want voor je het weet, ligt je portemonnee in de stront. Of kak je op je eigen hakken. De vraag is overigens of het hierbij om een Franse vinding gaat. De Italianen hebben het over een 'turco', en dat verwijst meer naar rechts op de landkaart. Overigens bestaat er ook een Nederlandse variant: de hudo. Die was (en is wellicht nog) in gebruik bij de padvinderij als tijdelijke woudkapel van bijvoorbeeld zeildoek. Hudo? Houd Uw Darmen Open.

Uiteraard zijn het de Angelsaksen die de wc in de ban gedaan hebben. Zij spreken over 'restroom'. Niet om daar de 'resten' van de spijsvertering kwijt te raken, maar kennelijk om er tot rust te komen. En dan zitten ze daar dus hoe dan ook op hun 'gemak'.

Het schilderwerk heb ik tot een goed einde gebracht. Bestaat er trouwens een studie als 'Het Grote Wereldtoilettenboek'? Dan ga ik meteen op zoek naar de E van Eskimo. Wedden dat daar ook zo'n ijscokar in gebruik is.

Voor de etymologie van 'hudo': http://nl.wikipedia.org/wiki/Hudo_(toilet)

zondag 6 november 2011

Oeteldonk (13); het winnende lied

Oeteldonk heeft elk jaar een carnavalslied. De verkiezing daarvan vindt plaats op of rond elf-elf. Dit jaar dus op zaterdag twaalf-elf. Op die dag passeren bijna zestig clubkes het toneel van de Kleine Zaal van het Casino (Theater aan de Parade). De eerste deelnemers moeten om 09.45 uur de sterren van de hemel zingen en spelen. Voor een bijna lege zaal, welteverstaan. Een aantal jaren geleden moest ik met een collega-zanger ook op zo’n vroeg uur de anderhalve toeschouwer enthousiast zien te maken. Geen sinecure. Ook nu verdienen de vroegelingen mijn sympathie.

Zo'n dag barst van de tradities. Om te beginnen is er de inschrijving die op een bepaald moment sluit. Het gebeurt wel eens, dat iemand te laat is en dat veroorzaakt dan een klein relletje. Daarna volgt de loting. Niemand staat te trappelen om het spits af te moeten bijten. Op de zaterdag van de loting vind je al verklede lieden in stad. Meziekskes ook, en da’s leuk voor de toeristen. Die denken dan dat het hier elk weekend carnaval is. Tenslotte staat het Kwèkfestijn op de kalender. Acht uur lang optredens, gevolgd door het oordeel van de jury. Elf finalisten mogen ’s avonds om de hoogste eer strijden. ’s Maandags staan de eerste ingezonden brieven al in de krant van Oeteldonkers die zich om welke reden dan ook geaffronteerd weten. De boosheid richt zich bijvoorbeeld op de jury.

Die jury is conservatief. Het publiek is nog conservatiever. Dus weet een deelnemend clubke met een wals, tango of cha-cha-cha zich tevoren kansloos. Op het prijswinnende lied moet je kunnen lopen, marcheren. Het wordt dus een ritme in kwarten. Dus doen De Poeiers, Clubke Grauw, Tussen Kneus en Klippen, Nooit wè, Ventje Allenig, De dochters van ons Pa en hoe zo ook mogen heten hun uiterste best om een variant te bedenken op wat al jaren hoge ogen gooit.

Ook dit jaar is de kans groot dat het winnende lied een ode aan Oeteldonk is. Met zinnen als ‘Oeteldonk ik gaoj drie daoge op sjouw, alleen mee jouw, vuul ik gin kouw, de mooiste vrouw’. Of ‘Oeteldonk ik leef veur jouw, nooit is d’n hemel grauw, m’nne kiel is blauw, de liefste vrouw’. Dan wel 'Oeteldonk ik zwier deur oew straote, ik zal oe nooit verlaote, laot ons gezellig praote, Knillis houdt alles in de gaote’. Ik heb overigens geen voorspellende geest en ik denk dat de zanger(s) die op één eindigen/eindigt in een kiel staan/staat te zingen, met rood-wit-gele das, plus de nodige emblemen op de kleding. ‘Den Bosch is mooier dan Parijs’, en dan in de Oeteldonkse versie.

Het wordt beslist weer een leuk Kwèkfestijn en een prachtig lied.

donderdag 3 november 2011

Oeteldonks (12); denkend aan 11-11-11

Wij oetels denken op dit moment aan weinig anders: 11-11-11. Wie op de Markt loopt, ziet aan een hotelgevel nu reeds de bekende carnavalskoppen hangen. Ietwat vroeg, lijkt het: 18 graden in de namiddag, nog behoorlijk wat bladeren aan de bomen en dan al iets in de lucht van het feest der feesten. Opmerkelijk.

Een beetje vervreemdend werkt het zien van die hotelfaçade wel. Zouden we vanaf volgende week ook gebarricadeerde kroegen krijgen zoals dat in Oeteldonk past? Ik verwacht het niet: op die elfde van de elfde is het hier gewoon Den Bosch. Met een Oeteldonks accent. Een beetje schizofreen dus.

Volgende week vrijdag is er vanalles te doen in de stad. Ik probeer al weken via het weerbericht-op-termijn een idee te krijgen van wat het die dag gaat worden: zon, regen, wind? Moet ik mijn bontjas aan, of ga ik in mijn trui? Of gele glinsterpak? Ik voel me zelfs een beetje zenuwachtig. Prettig zenuwachtig, alsof het echt carnaval wordt.

Eniszins overdreven bezig misschien? Geen idee. Met het clubke mensen waarmee we d'r tijdens de 'echte' carnaval op uit trekken, ga ik vrijdag de stad in. Kletsen en de kroeg. Bij droog weer voor het café uren staan meuten. Over niks. Kijk. dat maakt dat het toch op een gewone dag lijkt. Snap je?

Met dank aan de heer Hendrik Marsman: 'Denkend aan elf-elf ziet ik blije oetelkes graag door een rood-wit-geel landschap gaan'.

dinsdag 1 november 2011

Het Bossche Broek (5): verboden kringen

Het mooie najaarsweer lokt veel wandelaars en fietsers naar Het Bossche Broek. Vooral de struiners lopen de kans om onderweg zilverblinkende paaltjes tegen te komen. Deze markeren de afstand tot een voormalig onderdeel in de verdediging van de stad: Bastion Oranje, Fort St.-Antonie, Fort Isabella. Samen verwijzen ze naar de zogenaamde 'Verboden Kringen': stukken land die vrij moesten blijven van (permanente) bebouwing. De vijand zou immers gebruik kunnen maken van deze obstakels bij de benadering van de stad. Anderzijds had de vesting ook graag een onbelemmerd zicht.

De stad, of liever 'de stelling 's-Hertogenbosch' werd in de loop van de 19e eeuw een belangrijke schakel in de verdediging van Nederland. Er bestond vrees voor 'de dreiging uit het Oosten', waarbij de binnenlandse politiek vooral het 'kernland Holland' wilde beschermen. Den Bosch werd gezien al s een vooruitgeschoven post. Bovendien kon daar voor de creatie van een extra defensief middel de boel onder water worden gezet.

De Kringenwet van 1814 moest een vrij schootsveld garanderen. Al snel bleek de interpretatie tot vragen te leiden. In 1826 kwam een aanscherping. In 1853 volgde een volgende versie die het tot 1963 zou uithouden. Met de Vestingwet van 1874 kreeg Den Bosch wel meer ruimte om buiten de stad te bouwen.

Wie land en of andere bezittingen had binnen de verboden kringen, kon last hebben van de wetgeving. Een schuur kon gezien worden als een hinderpaal, zeker als dat onderkomen er behoorlijk permanent uitzag. Tussen burgers en overheid liepen dan ook procedures. In het huisige 'stratenplan' van de gemeente is nog steeds de invloed aan te wijzen van de Kringenwet.

Meer hierover in: Hans Willems en Bram Steketee, 'Verboden Kringen. Vrije schootsvelden en inundaties rond 's-Hertogenbosch in de 19e eeuw', 's-Hertogenbosch, 2003.