maandag 14 februari 2011

Bolduque (2); mummies

Op 9 augustus 1595 komt in Den Bosch Achter het Vuurstaal een kind met twee hoofden ter wereld. Van Heurn vermeldt in zijn beschrijving van deze bekende geschiedenis ook de aanwezigheid van ‘eenen vleeschen staart’ aan de rugzijde. Het jong leeft een kwartier, wordt gedoopt en vervolgens ‘door de Vroedvrouw gesmoord’. De begrafenis vindt plaats op last van de Schepenen, hoewel de ouders het best nog wel een tijdje tegen betaling zouden willen tentoonstellen.

Al snel daarna vallen aan de Bossche Markt in De Witte Bock wel enkele andere bijzondere doden te zien: drie gemummificeerde lijken uit de Canarische eilanden. Jan en Alphons Mosmans schrijven hierover in hun Oude namen van huizen en straten te ’s-Hertogenbosch: ‘Den 24en Augustus 1595 waren in dit huis, voor een halven stuiver, drie menschelijke lijken te zien, aangevoerd uit Teneriffe, het grootste der Kanarische eilanden. Deze lijken, toen reeds naar schatting drie eeuwen oud, waren wondergoed geconserveerd, en enkel door den tijd verdroogd’. Dit voorval staat niet in Van Heurn, maar wel op de website van het Stadsarchief.

Een curieus verhaal, denk ik elke keer weer wanneer ik langs de Bijenkorf loop; want op die hoogte stond ooit De Witte Bock. Dan vraag ik me dingen af zoals: ‘Hoe kwam dat drietal hier? Keken de Bosschenaren er van op? Hoe heet was het 24ste augustus?’ Maar ook: ‘Wat zat daar toen?’ Ad van Drunen vermeldt in zijn Van straet tot stroom dat De Witte Bock in 1595 een wijntaveerne is. Eenzelfde gelegenheid zit dan ook in het pand rechts, genaamd In Spaengien. Toevallig, die naam? De ‘mummies’ komen immers van een Spaans eiland naar een Spaanse stad die ze Bolduque noemen. Een rondje thuisland dus. Een kwestie van logisch toeval?

Het verhaal begint met de wetenschap dat op een aantal Canarische eilanden de
rietsuikerindustrie groeit en bloeit in de 16e eeuw. Ook ‘Brabantse Spanjaarden’ dragen daaraan bij als plantagehouder. Op La Palma zijn dat bijvoorbeeld de Antwerpse families Van Groenenbergh en Van Dale. Aan die laatste raakt ene Paul van Ghemert geparenteerd.(Hun nakomelingen gaan in 2011 door het leven als Monteverde, Van Dalle en Wangüemert.) Veel van die suikerbaronnen doen het zo goed, dat ze allerlei (kunst)voorwerpen uit hun geboortestreek laten overkomen ter verfraaiing van huis, kerken en kapellen. Tot op de dag van vandaag gaan ze op de Canarische archipel prat op de (religieuze) ‘Vlaamse’ kunst die daar nu aanwezig is.

De oorspronkelijke eigenaren van al die luxe goederen ‘zitten’ dus in de rietsuikerindustrie. Maar ze houden zich ook bezig met de productie van malvasíawijn: een zoete drank die dan zeer gewaardeerd wordt. De producten van hun inspanning gaan per boot richting Cádiz, Sevilla en Antwerpen. Misschien is daarbij een rol weggelegd voor handelaren met Antwerpse (Van Damme) of Brugse (Van de Walle) roots. Zorgt dat circuit ervoor dat de ‘mummies’ binnen het nog niet opgedeelde Brabant in onze richting komen? Samen met een zending wijn voor de uitbater van wijntaveerne De Witte Bock? Of met een handelsreiziger?

De Spanjaarden veroverden in de 15e eeuw successievelijk de Canarische eilanden op de oorspronkelijke bevolking. Al die stammen werden gemakshalve Guanchen genoemd, dat zoiets zou betekenen als ‘mensen van Tenerife’. Van hen is bekend dat zij doden balsemden en ze vervolgens in koele grotten bijzetten. Van de originele exemplaren zijn er inmiddels niet veel meer over. Een groot deel werd vermalen tot een zogenaamd geneeskrachtig medicijn. Weer andere verdwenen als opmerkelijke vondst.

‘Curieus’, kan toentertijd een van die Spaanse Brabanders gedacht hebben, ‘daar zullen ze thuis van opkijken’. Misschien is het zo wel gegaan.

zaterdag 12 februari 2011

Alva

In Nederland én in Spanje leven twee ‘zwarte legendes’. Hier is dat die rond de hertog van Alva, symbool voor de wreedheid waarmee Spanje zijn rechten op de Nederlanden meende te moeten handhaven. Daar is Willem van Oranje het icoon voor alles wat verraad inhoudt: aan God, diens dienaar de koning, het vaderland. Het boek ‘De Zon van Breda’ mag – naar ik hoop – het eenzijdige beeld wat bijstellen dat de Vaderlandsche Geschiedenis traditioneel schetst van bruut Spanje.

Nog meer vooroordelen: in Spanje schijn elke dag de zon. Da’s net zo min waar als dat het hier elke dag regent. Misschien verwoordt het boek ‘De zon van Breda’ het mogelijke idee van Arturo Pérez-Reverte over het klimaat in ons land: een en al mist. Verder is er niks mis met dit werk.

‘De Zon van Breda’ gaat over een episode uit de Tachtigjarige Oorlog. Een Leidse stroming propageert sinds enige tijd de term ‘De Opstand’, aangezien dat woord de terechtheid zou demonstreren van een rebellie waarmee een volk zich wil ontdoen van een infame heerser. We zagen deze week nog een voorbeeld daarvan in Egypte. Hoe dan ook, de fantasie van Pérez-Reverte brengt tegen het einde van de strijd kapitein Diego Alatriste naar ons land om die rebellen terug te voeren naar het recht pad. Zijn avonturen in 1625 bij de belegering van Breda worden vastgelegd door zijn tassendrager Iñigo Balbao. De (hele) serie rond de houwdegen Alatriste is inmiddels in het Nederlands vertaald. Een compilatie is te zien in de gelijknamige film.

De auteur heeft zich goed ingeleefd en gedocumenteerd. In haar dissertatie ‘De Tachtigjarige Oorlog in Spaanse ogen’ voert onderzoekster Yolanda Rodríguez Pérez hem op als iemand die een treffend beeld heeft neergezet van de strijd. Grappig is dat zowel de uitgave van De ‘Zon van Breda’ (2000) als die dissertatie (2005) op de kaft een afbeelding heeft van Velázquez meesterwerk ’Las Lanzas’ hier ook bekend als de ‘De overgave van Breda’. Maar op het boek van Pérez-Reverte staat het gezelschap rond Justus van Nassau en Ambrosio Spínola in spiegelbeeld. Er is dus ook een andere blik mogelijk op een oorlog.

In ‘De Zon van Breda’ vertelt Iñigo Balbao 14 jaar na de belegering de belevenissen aan zijn vriend Diego Velázquez. Als deze het eerdergenoemde schilderij af heeft, zegt Iñigo: ‘Zo was het en zo was het niet’. Die zin kan gelden voor het hele boek en voor de hele serie. Het beeld dat Pérez-Reverte schetst, benadert sterk de realiteit die we uit schriftelijke en andere bronnen kennen. Tegelijkertijd lijken alle Hollanders flink uit de kluiten gewassen en blond, hebben de mannen woeste snorren en de vrouwen ‘pronte voorkomens’. En is het weer onveranderd beroerd. Treffend vind ik de tragiek aan Spaanse zijde die bijvoorbeeld spreekt uit verwijzingen naar muiterij, de onbegrepen motieven van het katholieke vorstenhuis, de afkalvende grootsheid van het Spaanse leger.

‘De Zon van Breda’, een aanrader voor ieder die niet op het Nederlandse gelijk wil zitten.

woensdag 9 februari 2011

Oeteldonks (2); de taal

We weten het allemaal: Oeteldonk bestaat niet. Weliswaar lijkt het Rijk der Amadeiro’s opvallend veel op Den Bosch, maar ze zijn niet identiek. Dit heeft alles te maken met het jaarlijkse toneelstuk waarin onze stad drie dagen de schijn ophoudt dat het een dorp is. Bij dit spel dat we al vanaf 1882 uitvoeren, horen allerlei rituelen, bijzondere functionarissen en een eigen taal. Over dat laatste, het Oeteldonks, bestaan de nodige misverstanden. Die moeten zo vlak voor de carnaval maar eens voorgoed de wereld uit. Daar gaat ie dan: het Oeteldonks is een verzonnen taal. Niet zo moeilijk om onder de knie te krijgen als het Esperanto, maar toch. Lieden die van huis uit Bosch spreken, blijken snelle leerlingen. Het Oeteldonks heeft op het eerste gezicht dan ook verdacht veel weg van de Bossche stadstaal, maar mensen, het is echt anders. Dat verschil moet vooral blijven.

Van het Oeteldonks moet de oorsprong al in het pré-Oeteldonkse tijdperk liggen. Zo blijkt een ingezonden stuk uit 1878 van carnavalsvereniging ‘de Maoneskein’ (jawel, met ‘sk’ en niet met ‘sch’) al geschreven in een taal die later als het Oeteldonks bekend zou raken! De bedenkers van het dorp Oeteldonk moeten gedacht hebben dat een dorps dialect in de fictieve plattelandsgemeente Oeteldonk heel wel zou passen. In die tijd werd er in stad en ommelanden nog stevig plat gesproken. Daarmee hadden de uitvinders van Oeteldonk en het Oeteldonks – gezeten middenstanders – de nodige ervaring. Als mensen-van-stand was hun eigen beheersing van het Bosch wellicht wat fragmentarisch, maar wat het lokale personeel en de klanten uit de omgeving spraken, was hen niet onbekend. Daar maakten ze een brouwsel van dat voor een buitenstaander ‘echt’ klonk. In feite deden ze hetzelfde als de gemiddelde Nederlander die vandaag een Vlaming nadoet. ‘Allez madammeke, wilde wè friemele veur ’n frènkse?’ Zoiets heeft wel wat authentieks, maar een Vlaming ervaart het als tenenkrommend. Voor ons is het wel ‘lache’, zeker als er ook nog een dosis ‘awel zulle’ aan wordt toegevoegd.

Maar goed, in het Oeteldonks werd Oeteldonk ‘’n skon durp’. Dat klinkt dus echt ‘boers’.
‘Skon’ wordt in Den Bosch niet gezegd, maar in Oeteldonk wel. Een kwestie van leentjebuur spelen bij de vermeende boeren uit Skèndel (Schijndel), Rooi (St.-Oedenrode) e.o. Slechts ‘éne mens’ (manspersoon) bezit het patent op het gebruik van het Oeteldonks: Peer vaan den Muggenheuvel. Inderdaad ‘vaan’, met zo’n lekkere gerekte ‘aa’. Die klank kom je overal tegen in de dialecten rond Den Bosch, maar niet in het Bosch. Wel in het Oeteldonks dus, en dat mag. Bijvoorbeeld in ‘veuraafgegaon’, ‘daansgroep’, ‘veldwaachter’. Die woorden heb ik uit Oeteldonkse pamfletten en mondelinge ‘aanspraken’ gehaald. Een ‘aanspraak’– in het Oeteldonks gespeld als ‘aonspraok’ – is de rede die Peer vaan den Muggenheuvel uitspreekt op carnavalszondag. Hij doet dat in zijn functie van ‘burgervaojer van Oeteldonk’. ‘Vaojer’, ook weer zo’n woord dat geen Bosschenaar tegenover ‘zijnen ouwe’ of pa uit de strot krijgt. In een aantal Meierijse tongvallen is ‘vadder’ of ‘vajjer’ of iets dergelijks wel degelijk in gebruik.

Volgens de traditie is er dus maar één persoon die verondersteld wordt het Oeteldonks te spreken: Peer vaan den Muggenheuvel. De ‘burgervaojer’ mag het hebben over ‘durskes’
(meisjes), ‘kèls’ (mannen), ‘Driesome’ (oom Andries), ‘Preins’ (Prins), ‘deinsdag’ (dinsdag), voeierlesje’ (menu), ‘grôôt skuttelkesfist’ (een zeker diner), ‘bij geleugendighèd vaan’ (bij gelegenheid van) en ‘skevielighèd’ (dienstbaarheid). Woorden waarbij een Bosschenaar de tenen kromt. Daarbij is het de Peer toegestaan om geheel naar eigen inzicht de klank, woordvorming, woordvolgorde en woordenschat van het Oeteldonks inconsequent tegemoet te treden. Ergo: de Peer kan geen fouten maken tegen het Oeteldonks, en daarmee ontstijgt hij de gewone sterveling. Dat laatste zal niet de bedoeling zijn, want als boer staat de Peer met beide poten in de klei, dan wel het zand. De boodschap luidt dat hem als boer zijn taalkundige eigenzinnigheid niet aangerekend mag worden.

De Oeteldonkse Club waakt al sinds 1882 over het Oeteldonks. Als het aan die organisatie ligt, blijven de elkaar opvolgende ‘Vaan den Muggenheuvels’ tot in lengte van dagen het Oeteldonks alle eer aandoen. Mijn zegen hebben ze; ik hou het bij het Bosch.

maandag 7 februari 2011

Film (1); Biutiful

Over het scherm loopt Javier Bardem. Hij doet alsof hij Uxbal is, een getormenteerde, licht criminele ritselaar. Zou hij eerder die opnamedag wakker zijn geworden naast Penélope Cruz? En om 07.00 uur gezegd hebben: ‘Schat, ik ben vandaag op de set in Barcelona en als ik vanavond de fiets weer in de schuur zet, warm ik de restjes estofado van gisteren op in de magnetron. Stukje brood erbij, mmm.’ Hun kind moet al wel geboren zijn, toch? In El País stond onlangs dat heel de familie al in Los Angeles zat, vlak bij die gespecialiseerde kliniek waar al een trits filmsterren moeder werd. Uxbal gaat dood. Als Biutiful 20 minuten onderweg is, denk ik: ‘Wat een drama’. Een mooi gefilmd drama. Knap geschreven ook. En vooral weergaloos gespeeld. Alles wat aan negatieve lotsbeschikkingen denkbaar is, weet de weg te vinden naar het morsige appartement van Uxbal en zijn twee kinderen Ana en Mateo. De vrouw is weg: manziek, maanziek, noem maar op. Maar ze houwen nog wel van elkaar. Uxbal is een pooier in een markt van neptassen en -cd’s. Een profiteur in een grauwe wereld van illegale Chinezen en straatventers uit equatoriaal Afrika. Hij drijft op smeergeld, overleeft van dag tot dag en heeft ondanks alles een warm hart voor zijn slachtoffers. Hij schnabbelt bij als lijkenfluisteraar en zelf zal ie binnenkort sterven; dat wil ie nog niet en niemand mag het weten. Gelukkig gaan zijn kiendjes graag naar school. De Mexicaanse regisseur (en hier ook scenarioschrijver) Alejandro González Iñárittu heeft een meesterwerk gecreëerd, met een magistrale Bardem in de hoofdrol. Uxbal heet Uxbal en meer niet. Misschien wel Uxbal Purificación, wat in de Spaanse wereld een normale achternaam is. Maar daarmee was het té dik aangezet geweest: je ziet zo ook wel dat de stervende eerst op aarde door het Vagevuur moet om gereinigd afscheid te kunnen nemen. Zelfs de zuivering lijkt voortijdig onder te gaan in goede bedoelingen. Wat een drama. Een mooi drama, dat zich afspeelt in het Barcelona waar geen toerist komt. En als de bekende straten en pleinen al eens kleurrijk in beeld komen, vindt aan de Plaza de Cataluña voor de ogen van het winkelend publiek een ware slachting plaats onder de straatventers. Of spoelen op het goudgele strand 24 lijken aan. Na zo’n 147 minuten - geen moment afgeleid door wat anders - nadert de aftiteling. Javier kan moegespeeld zo op zijn fiets stappen en naar huis peddelen. Naar zijn mooie vrouw die misschien al wel dat beslist mooie kind gebaard heeft. Onderweg fluit hij een melodie waarin de Nederlandse kijker de passage herkent van ‘Als ie maar geen voetballer wordt’. ’s Avonds, na de restjes estofado voor de tv, kijkt Javier op de bank liefdevol naar Penélope en zegt met zijn handen op haar overzwangere buik: ‘Vandaag ben ik gestorven: nu weet ik wat leven is’. En ze leefden nog lang en gelukkig.

zaterdag 5 februari 2011

Oeteldonks (1); de soort

Deze sombere wintermaanden vormen bij uitstek de tijd voor een mijmering over de zin van het bestaan. Laat ik een tip geven: achter al onze handelingen zit niet meer dan de zorg voor het behoud van de menselijke soort. Partnerkeuze, kroostcreatie, werken voor de kost, dak boven het hoofd, u kent dat wel. Heg rond de tuin, stil alarm, hockeystick in de paraplubak: allemaal maatregelen ter protectie van het eigen vlees en bloed tegen de boze buitenwereld. Wie daarbij steun wenst, zoekt aansluiting bij anderen: broers, zussen, ooms, tantes. Ligt de cirkel buiten de eigen bloedband, dan zeg je over je camping of handbalclub: ‘We zijn één grote familie’. Zo blijkt sporten in verenigingsverband dus ook gericht te zijn op de handhaving van de soort.

Die groepjes waartoe wij willen behoren, ontwikkelen graag specifieke codes en rituelen ter versterking van het eigene en de onderlinge verbondenheid. Wie niet tot die kring hoort, is anders of zelfs een vijand. Die laatste hoef jij als individuutje niet te vrezen dankzij de verbondenheid met je eigen sibbe. Oeteldonk is ook zo’n koesterend warm bad dat bescherming en zekerheid biedt en tegelijkertijd de menselijke soort (of minimaal een deel daarvan) een toekomst. Bekend is of was de geboortepiek negen maanden na carnaval, maar mijn stelling reikt verder. Iedereen hier weet dat ons Oeteldonkse Dorp een illusie is, door mensenhand geschapen in1882. Inmiddels zijn wel hele volksstammen in dat verhaal gaan geloven en een aantal lieden heeft er zelfs ziel en zaligheid aan verbonden. De Oeteldonkse voorschriften zijn leidend en regulerend en voor velen brengen ze ordening in een zoekend bestaan. Neem als voorbeeld nou de rode halsdoek. Voor zover die nog gedragen wordt, moet de knoop aan de voorzijde zitten. Wie waagt dat ding andersom te dragen, vraagt om problemen. Die is dan een ‘boer’ en hoort er niet bij in ‘ons’ boerendorp. Zo’n ‘foute’ boeren zakdoek definieert de eigenaar als mogelijke bedreiging van de Oeteldonkse soort en zet daarmee aan tot waakzaamheid. ‘Al wie met ons mee wil gaan, die moet onze manieren verstaan’.

In dat Oeteldonkse geloof heb je de rekkelijken en de preciezen. De eerste categorie heeft de moed om niet in kiel of lakens pak, maar in iets fantasierijks op stap te gaan. De preciezen richten een club op voor het behoud van de Oeteldonkse boerenkiel. De echte ultra’s zoeken ver afgedwaald van de pure kolder de ultieme zekerheid aan de kapstok van zoiets als Boerenparrelement, Moeraspachters en andere ‘laterale arabesken’. Hoe zwaar kan carnaval ingepakt zijn!

In deze dagen verschanst geharnast Oeteldonk zich weer ter verdediging van de eigen soort. Ik beklaag de lieden die – hoewel prima vermomd in kiel met jaargangen emblemen – na drie woorden al te horen krijgen van een echte uitverkorene: ‘Ge kunt gelijk heure dè gullie nie uit Oeteldonk komt’. En de boodschap achter deze opmerking waarin vaak grote tevredenheid doorklinkt, is: ‘Doe niks verkeerds, want wij zijn met velen’. Ik wens iedereen een hartverwarmend carnaval toe.

dinsdag 1 februari 2011

Bolduque (1); de naam

Soms is het even puzzelen, want die Spanjaarden hebben zo hun aanpak bij de naamgeving van buitenlandse steden. Aquisgrán bijvoorbeeld? Aken dus. Malinas is Mechelen en Bolduque ’s-Hertogenbosch. Daarvan is het moederwoord Bois-le-Duc, maar niet iedere Spanjool had in die tijd Frans in zijn pakket.

‘In die tijd’ verwijst naar lang geleden, hoewel niet in bijbelse zin. Bolduque duikt als naam vooral op in Spaanse geschriften uit of over de periode 1450-1650. Als ik nu in Spanje zeg dat ik uit Bolduque kom, kan dat voor die lui ook op de Noordpool liggen. (Op een koude dag als vandaag heeft het daar ook alle schijn van.)

In bovengenoemde periode trokken lieden van hier naar daar. De handelaars verbleven er eerder tijdelijk, terwijl de kunstenaars ‘integreerden’. Dat proces verliep stapsgewijs, zoals onder meer blijkt uit onderzoek van Raymond Fagel. Hij attendeert in zijn dissertatie op een kolonie Brabo’s uit Den Bosch e.o. waarvan de leden met elke volgende generatie meer ‘verspaansten’.

Eenmaal aangekomen, veranderden veel van die landverhuizers ogenblikkelijk hun achternaam en dat zou ik ook gedaan hebben, want die van mij leidt hier in Nederland al tot de meest exotische varianten. Toentertijd zou ik me in Spanje Vandenbosch genoemd hebben, in casu de Bolduque. En dat deden er nogal wat. Inmiddels is de Bolduque in allerlei schrijfvormen een Spaanse achternaam. Google maar eens.

Een aantal de B’s wisten een graad van bekendheid en waardering te bereiken op het Iberisch Schiereiland. In wat afleveringen zullen zij op mijn weblog de revue passeren. De eerste wordt Pedro de Bolduque, een beeldhouwer waar ikzelf bij wijze van spreken tegenaan liep op een zomerse zaterdagmiddag in Valladolid. Niets vermoedend stapten wij zes-zeven jaar geleden het Museo Nacional de Escultura binnen. Letterlijk in de schaduw van Juan de Juni’s meesterwerken stond daar een beeld van Pedro de Bolduque. ‘Nondeju, Piet van Den Bosch’, riep ik; gelukkig mocht ik van de zaalwacht blijven.

Eenmaal thuis achter de computer bleek Pedro de Bolduque in een mum op het scherm getoverd. In de volgende blog komen over zijn leven en werk meer gegevens die nu eens niet in Wikipedia staan. Inmiddels mocht ik in Spanje op verschillende plekken het resultaat van zijn inspanning in ogenschouw nemen.

Overigens heeft het museum in Valladolid een nieuwe naam: Museo Nacional Colegio de San Gregorio. Het ligt naast het Palacio de los Pimentel waar een gevelsteen aangeeft dat hier Filips II geboren werd. Zijn standbeeld staat op het aangrenzende Plaza de San Pablo. De kerk van San Pablo heeft een gevel in de ‘estilo hispanoflamenco’, evenals het Colegio de San Gregorio. ‘Flamenco’ verwijst niet naar de dans, maar naar ‘Vlaams’, of hier liever ‘Bourgondisch’. Nog steeds noemt Den Bosch zich Bourgondisch, maar niet vanwege de veronderstelde aanwezigheid van een verfijnde levensstijl

(Wordt dus vervolgd.)

zondag 30 januari 2011

Betoogdag

Nog niet eerder troffen we zo'n stralend weer op onze jaarlijkse Toogdag (zie blog Toogdag). Niet alleen de zon zorgt op 29 januari voor een opgewekte stemming wanneer we elkaar om 14.00 uur begroeten. De wetenschap dat we de ons de komende uren op laag niveau door de binnenstad zullen bewegen, vormt ongetwijfeld een flinke stimulerende factor. Na wat inleidende administratieve strapatsen, begeeft het Bosch' Keldergenootschap zich opgewekt naar het eerste adres aan de Vughterstraat.

Via de binnentuin betreden wij een eenvoudig tongewelf dat door de huidige eigenaar puinvrij is gemaakt. Op een kleine stenen verhoging staat een kleine uitstalling van aangetroffen archeologisch materiaal. Een aantal panden verder komen we in een stadsgedeelte waar de rooilijn naar achteren werd verplaatst om ruimte te maken voor het gemotoriseerde verkeer. In een bedrijfspand gaan we de trap af. Aan de voorzijde van die kelder bevindt zich nog een veel dieper exemplaar dat zich tot onder de straat uitstrekt. Deze ruimte kwam bij toeval aan het licht toen op een dag de eigenaar bij wijze van spreken met zijn hand door de muur sloeg. Toegang is nog onmogelijk, maar onder de toog wacht een schimmige wereld op verdere exploratie.

Na een kleine betonnen onderaardse opslag in de Hinthamerstraat bezichtigen we bij de ‘overburen’ een zeer ruime kelder waar een cellebroeder ons een likeurtje aanbiedt dat Hansje-in-de-kelder heet. Deze uitdrukking verwijst naar zwangerschap en het drankje werd/wordt geschonken bij de aankondiging dat iemand ‘in den blijde’ is. (In dit geval gaat het om een volgend opaschap). Naar het schijnt is er een passende bokaal in de handel waarin bij het inschenken automatisch een poppetje komt bovendrijven.

Overigens staat het tuingereedschap dat door de hoge waterstand onlangs nog in deze onderaardse ruimte dreef, boven in de winterzon te drogen. Het pand is niet alleen diep, maar ook breed waardoor we onder hetzelfde dak nog een kelder kunnen bezichtigen. Door de aanwezigheid van de Binnendieze heeft ook hier tot voor kort water gestaan. De toog is van smalle steentjes en ziet er prima uit.

De finale vindt dit jaar plaats in de Schilderstraat, in het rijtje dat onlangs gerestaureerd werd door de gemeente. In drie panden bezoeken we twee kleine en een middelgrote kelder; hun historie gaat terug tot de 15e/16e eeuw. Bukken en genieten van deze pareltjes. Het eerste exemplaar bezit een put met helder water. De toegang tot de derde loopt via een houten kelderluik aan de tuinkant. Op een blinde dwarsmuur staat levensgroot een betoog, ‘vrij’ naar een gedicht van de Bossche Coby Coort uit de bundel ’s-Hertogenbosch Anders dan anders’ (1980). Het verhaal houdt de herinnering vast aan de voormalige bedrijfsactiviteiten hier ter plekke:

Hier zag je in grote lijsjes
Vaak hele mooie meisjes
Kwam er een heer doorhene
Dan showden zij hun ranke benen.
Zij gaven met hun ogen een knipje,
Dat zij vrij waren voor een wipje.
Het waren de meisjes van plezier
Je vindt ze overal, maar niet meer hier.

De meeste genootschapsleden gaan nu aan de borrel, voorafgaande aan de gebruikelijke teermaaltijd. Ik begeef me na de laatste kelder snel naar het station om in Eindhoven met oud-collega’s gepamperd in een skybox de wedstrijd PSV-Willem II te volgen. 'Les extrêmes se touchent' vandaag: vanuit de diepte naar een ‘verheven’ uitkijkpost.