donderdag 28 juli 2011

Bolduque (15); Roque de Balduque

Het is moeilijk te berekenen hoeveel lui in de 15de en 16de eeuw vanuit 'onze omgeving' naar Spanje trekken. Handelaars én handwerklieden, architecten, kunstenaars. Het aandeel van die tweede categorie is nog overal op het zuidelijke schiereiland terug te vinden. Moeiteloos. Loop maar eens een kathedraal binnen en zoek naar namen van schilders, beeldhouwers, architecten. Die heten de Flandes, de Amberes, de Brabante, de Malinas, de Colonia, de Borgoña, de Bolduque. De Flandes komt bij wijze van spreken net zo vaak voor als hier De Vries. De Bolduque vind je minder frequent. De Bolduque: Van 's-Hertogenbosch.

Roque de Balduque werkt in Sevilla. Elke Spaanse deskundige die over hem geschreven heeft, verwijst naar zijn Bossche herkomst. Onbekend is hoe hij in 1534 verzeild raakt. in Sevilla. Duidelijk is dat die stad in zijn tijd 'the place to be' wordt. Daar komen veel (handels)wegen samen die Europese gebieden verbinden met de Canarische Eilanden, Spaanse Amerika en de Filipijnen. De stad groeit van 33.000 naar 95.000 inwoners.

De faam van Roque de Balduque is onomstreden. Als beeldhouwer maakt hij Mariabeelden die hem bij de kunstcritici de naam 'el imaginero de la Madre de Dios’ opleveren. Een tweetal van deze beelden bereikt zelfs Lima. Zijn werk aan retabels is van grote klasse. Hij maakte letterlijk 'school'.

Hij verhuiste zeker drie keer binnen Sevilla. De laatste keer naar San Andrés, waar hij lid wordt van de gelijknamige broederschap die erg veel leden telt met een (Zuid-)Nederlandse achtergrond. Als bekend kunstenaar neemt hij ook buiten Andalusië werk aan in Cáceres en Arroyomolinos de Montánchez, beide in Extremadura. Hij trouwt met Francisca de Olivares. Uit de registers blijkt de doop van hun dochter Isabel in 1545 plaats vindt en die van hun slavin Beatriz in 1550.

Roque sterft er na een arbeidzaam leven op 13 maart 1561. Uit zijn testament blijkt het bestaan van een broer, Andrés de Odebelse, die in Cambray (Cambrai) woont. Die plaats – Kamerijk – maakt dan deel uit van de Habsburgse Nederlanden. De dochter van Andrés krijgt bij testament 50 dukaten.

Zijn werk dus te bewonderen in Zuid-Spanje. Er moet één werk zijn geweest dat naar Guernica gaat. Uitgerekend dat overleeft de Spaanse Burgeroorlog niet. Lang denken de kunsthistorici dat hij een broer is van de beeldhouwfamilie de Bolduque in Medina de Rioseco (Castilië), maar daarvoor bestaat geen enkel bewijs.

Inmiddels heb ik een aardige hoeveelheid van zijn werk gezien. Ik vraag me af hoe hij naar Spanje kwam. Waar hij opgeleid werd. Of ie Bosch sprak. Bedenk zelf nog maar een paar van die triviale vragen maar. Duidelijk is dat de wereld toen kleiner was dan je zou denken: de lieden reisden goed. 'El mundo es un panuelo', de wereld is zo groot als een zakdoek.

zondag 24 juli 2011

Lambooy: fotomontage

Het regent buiten en binnen jast oma Kaat van den Broek - Lambooy aardappels. Het tenen mandje ligt al halfvol afval. Dat gaat later met de schillenboer mee. Vanmiddag komen de piepers gekookt op tafel. We eten snijbonen, want die heb ik eerder deze morgen door de molen mogen halen. Ik probeer wat te lezen voor school, maar zoals gewoonlijk vraagt de oude Kaat mijn aandacht. Dit keer vertelt ze over haar broer. Hij is zeeman. Nou ja, lang geleden dan. Misschien nog vóór de oorlog.

Roeiboten vind ik aardig, maar om nou de zee op te zoeken voor je beroep is wat anders. Waarom zou iemand uit Den Bosch gaan varen? Dat staat wel erg ver van me af. Avontuur, werk, ruzie thuis? Ik vraag er niet naar.

Op een nacht wordt mijn oma wakker. Ze heeft van haar broer gedroomd. Ze halen hem dood uit het water. Hij is zelfs in levenloze toestand nog een mooie vent. Zijn krullen glanzen in de zon, 'mee aan elke punt 'nnen droppel water'. In haar droom schitteren die druppels als parels in het licht. Weken later ontvangt de familie het doodsbericht. Mijn oma weet dan het al, dankzij haar 'veurzeggende geest', zoals ze die voorspellende kracht noemt.

Meer dan 50 jaar later staat voor mij op het computerscherm een foto van de familie Lambooy-Dumernit. Mijn opoe zit als oudste dochter tussen de feestelingen in. De andere twaalf kinderen omgeven dit drietal. Harrie Lambooy sr. en Dien Dumernit vieren die dag hun gouden bruiloft. Het is 24 juli 1925, mijn eigen moeder Riek van den Broek is op dan 22. Ik vraag me af waar ze op het moment van de foto is. Ze heeft verkering met Harrie van den Berselaar, waarmee ze op 19 januari 1928 trouwt. Misschien zitten ze in het parochiehuis te wachten.

De foto blijkt boven mijn oma 'gemanipuleerd': met schaar en lijmpot is daar iemand ingemonteerd. Misschien de broer die tijdens dat feest op zee is en nog niet weet dat ie later zal verdrinken? Willem Lambooy de zeebonk, geboren in Den Bosch op 23 maart 1894 en als gestorven bijgeschreven op 00-00-1940 in Amsterdam? Maar die man achter Kaat heeft nauwelijks haar op zijn hoofd. Daar krijgt geen druppel vat op. Dan zou het Harrie Lambooy jr. kunnen zijn, want die is geëmigreerd naar Amerika. En in die tijd zit je daar voor eeuwig. Ik zal dus nog verder moeten spitten in de familieverhalen. Soms is dat net piepers jassen: kijken wat er onder de schil opduikt. Boeiend.
http://www.flickr.com/photos/herman_van_den_bossche/4986813336/in/photostream/

zaterdag 23 juli 2011

Loew, Lambermon & Lambooy

Na de slag bij Waterloo in 1815 verandert de kaart van Europa. In die periode verlaat Mathias Loew met vrouw en dochtertje Catharina zijn geboorteplaats Weiler-la-Tour en trekt van Luxemburg naar Den Bosch. Hij staat genoterd als 'arbeider'; waar hij werk vindt, weet ik niet. Zijn vrouw Josepha Emérentiana Lambermon - geboren in Susteren - bevalt hier van haar tweede kind: Geertruij. De derde in de rij wordt op 26 november 1833 Jacobus, een nakomertje. Catharina trouwt op 6 april 1839 met de 23 jaar oudere Johannes Henricus Lambooy, barbier én Bossche Waterlooveteraan.

In de verhalen die ik als kind van mijn oma Kaat van den Broek-Lambooy hoor, klinkt het alsof wij via haar grootmoeder Loew zonder meer van Franse 'komaf' zijn. Om dat Franse karakter nog te versterken, verwijst zij naar Jacq. Loew. Hoe hij precies in de stamboom past, wordt me dan niet duidelijk, maar hij is denk ik haar oud-oom én kleermaker. Kleermaker. 'Nie zômar ene', voegt ze eraan toe, 'Mar 'nnen hille fijne'. Kijk, dan moet hij het vak beslist in Parijs geleerd hebben en die stad ligt in Frankrijk. Om de kwaliteit van zijn vakmanschap de bewijzen, voert ze ook nog aan dat hij nooit meer dan één werkstuk in de etalage zette. Een mooie jas, bijvoorbeeld.

In 1908 staat Jacq. Loew in de boeken als kleermaker en bewoner van Verwerstraat 6. Het pand heet 'De Fontein'. Een héél fijne kleermaker dus, volgens Kaatje. Niet zomaar eentje. Verder onderscheidt ze ook werkmensen en klerken. Die laatste houden een pen vast en hebben een witte boord om. Ze werken vaak bij de 'griffie' (secretariaat gemeenteraad), waarvan ik als manneke niet weet wat dat betekent. Haar eigen man Harrie van den Broek is steenhouwer. Tot zijn vroege dood op z'n negenendertigste is hij een werkmens. Uiteraard niet zomaar eentje, want hij kan werktekeningen lezen. En hiermee verheft hij zich boven wat zij noemt 'de platte werkmens'. Al vroeg leert zij haar kleinkinderen hoe de Bossche sociale strata te ordenen.

Werkmensen in Den Bosch hebben het niet eenvoudig. Het kan altijd nog erger. Daarvoor haalt ze als bewijs de reizen van haar moeder naar Wallonië aan. Misschien dat Gerardina Lambooy-Dumernit regelmatig naar de Borinage gaat. Daar hebben haar ouders een tijdje in Boussu gewoond, waar de jongste broer Petrus Dumernit is blijven hangen. Wellicht put Dien uit haar geheugen. De Waalse arbeiders hebben het in de mijnen en staalfabrieken beroerder dan de werkmensen in Den Bosch. Ze moeten er in ploegen aan tafel en ze eten een soort stamppot uit - met een doek schoongemaakte - in de houten tafel uitgesneden holtes. Als kind zie ik 'knikkerputjes' voor me. Ze eten me verdikkeme uit 'houtere knikkerputjes' en da's 'ginne flauwekul' denk ik. Na zo'n verhaal ga ik thuis braaf aan tafel zitten en eet mijn bord zonder protest helemaal leeg.

vrijdag 22 juli 2011

Bonaparte, Loew & Lambooij

Mijn oma van moeders kant woonde regelmatig bij ons in huis. Je kon haar verhalen onmogelijk missen: ze praatte graag en veel. En dan overal ook nog, ook nog. Zelfs als ik op het toilet zat, bleef ze voor de gesloten deur gewoon doorratelen. Zeker twee van haar kleinkinderen doen dat ook: een van mijn zusjes en ikzelf. U bent gewaarschuwd.

Van oma weet ik dat wij een soldaat in de familie hebben die bij Waterloo vocht. Als kind nam ik aan dat ie in het leger van Napoleon diende, maar het tegendeel is waar. Hij hielp mee om die keizer te verslaan! De goede man is daardoor zelfs nog op een schilderij gekomen van de Bossche kunstenaar Petrus Marinus Slager. Op de afbeelding hiernaast is Jacobus Henricus Lambooij, want over hem hebben we het, afgebeeld met zijn linkerwang tegen het vaandel. Aan zijn ogen te zien, komt de hele film uit zijn jonge jaren weer in gedachten voorbij.

Hij is mijn oma's opa. Als hij op 18 juni 1815 deelneemt aan de slag die de toekomst van Europa wezenlijk verandert, is hij 20. Het is moeilijk om de jongeman van toen terug te zien in die veteranenkop van 60 jaar later, een jaar voor zijn dood. Als hij op 11 september 1876 sterft, is hij net twee jaar drager van 'Het zilveren Kruis met de Vijf Armen'. Maar hij kreeg dat dan nog bij leven.

Als ik 'm zo zie staan, dan denk ik dat zijn vrouw hem kwiek gehouden moet hebben. Een triviale grap natuurlijk, maar zij is wel 23 jaar jonger als ze - hoogzwanger - op 6 april 1839 met deze barbier én oud-strijder trouwt. Samen krijgen ze tien kinderen. Catharina Loew of Löw komt uit Weiler-la-Tour, Luxemburg. Later leidt dit feit via de vertelkunst van oma Kaat van den Broek-Lambooij tot het verhaal van onze 'Franse komaf'. Het scheelt een paar kilometer.

Wanneer mijn oma het had over háár oma, zei ze: 'Dè schrefde as Loewie mee twee puntjes'. Waarom die aanwijzing, dacht ik als kind? Schreef je het dan anders dan de naam van haar zoon Louïs? Pas veel later snapte ik haar spellinguitleg van de naam Loew of Löw.

'Iedereen' in de familie kent dit verhaal. Aan het schilderij wijdde het Kringnieuws van juli 2003 een uitvoerig artikel: http://issuu.com/studiovanelten/docs/kringnieuws-juli-2003
Een in mijn ogen belangrijke aanvulling hierop kwam - via twee nichtjes - 'postuum' van mijn peetoom Jan van den Broek: http://issuu.com/studiovanelten/docs/kringnieuws-januari-2004

Op een aantal plekken heb ik een deel van oma's verhalen en die van ome Jan vorm gegeven. Vertellers in je familie? Koester ze. Ze geven een toekomst aan jouw verleden.

woensdag 20 juli 2011

Dumernit, Mackaij & Lambooy

Landverhuizers laten hun sporen na in vestingstad Den Bosch en daarmee in mijn familie. Eén van die lui is Jacob Dommerniet. Hij wordt op 29 juli 1755 geboren in Wolfshage, Duitsland. Wat hem ertoe aanzet zijn geboortegrond te verlaten, weet ik niet. Mogelijk is het de hoop op een betere toekomst. Hoe dan ook, meneer trekt naar Den Bosch en wordt daar soldaat.

Moest ie ver lopen? Via Google vind ik een veelvoud van zowel Wolfhage als Wolfshage(n). Vanwege die onderscheidende 's' kies ik voor de tweede mogelijkheid. Een Wolfshagen ligt achter Berlijn, op 609 km; het dichtstbijzijnde equivalent bij het Teutoburger Wald op maar 194 km. In die omgeving kregen de Romeinen in het jaar 9 een jasje van de manhaftige Germanen. Goeie kans dat daar die krijgsman vandaan komt.

Eenmaal in Den Bosch gaat Jacob Dommerniet ook in de boeken als Jakop Dumernit en Jakop Doomernik. Verstonden ze 'm niet? Had ie een borrel op? Konden de scribenten nauwelijks een pen vasthouden? Is 'Dommerniet' trouwens wel zijn oorspronkelijke Duitse naam? Maar goed, hij kan hier kennelijk aan de slag en krijgt en passant ook verkering. Nog een vraag: Hoe is zijn Nederlands als hij op 17 september 1780 trouwt met Anna de Ruijter-Gans?
Ze zijn al een eind op weg naar hun zilveren huwelijksfeest als hij in 1803 administratief 'verdwijnt'. Hoezo? In dat jaar zijn van hun zeven kinderen er zes in leven. Nummer drie blijkt overigens geboren in Bourtange, het Groningse verdedigingswerk, en nummer vijf in Borfu, België. Google kent geen Borfu, waar dan ook. Wel een Boussu, niet ver van de vestingstad Mons, dan wel Bergen.

Die nummer vijf is Johannes Andries Dumernit, die ook ook wel bekend staat als Doomernik. Deze Johannes trouwt op 11 januari 1817 met de zwangere Anna Mackaij. Mackaij is ook een soldatennaam. Die komt vaak in Nederland voor, hoewel de Schotse komaf niet altijd herkenbaar is. Bij Mackaay lukt dat nog, maar wat te denken van Micquene, Minquenes, Mickené, Mickeni of Micchini? Die laatste variant zou goed bij een Italiaans restaurant passen. Heeft Anna trouwens nog wat Engels meegekregen of is dat te ver weg?

Johannes Dumernit is aanvankelijk tamboer en hij verhuist met Anna naar Breda. Vervolgens gaat het weer naar Den Bosch en vandaar naar (opmerkelijk genoeg) Boussu in de Waalse Borinage. De benjamin Petrus blijft daar trouwens 'hangen', waarmee hij voor een Waalse tak Dumernit zorgt.

Augustinus, het tweede kind van Johannes en Anna, komt op 15 februari 1819 in Breda ter wereld. Die krijgt weer elf kinderen, bij drie echtgenotes. Gerardina Dumernit (Den Bosch, 28 januari 1855) is van zijn eerste vrouw. Gerardina trouwt als 20-jarige met de sigarenmaker Henricus Lambooy en bevalt binnen vijf maanden van haar eerste kind, Catharina. Die snelheid valt me nu pas op en als het koppel eenmaal op scheut is, komen er nog twaalf jong. Catharina, of Kaat zoals wij haar noemen, wordt later mijn oma van moeders kant.

zondag 17 juli 2011

18 juli 1936

18 juli staat te boek als de dag waarop de Spaanse Burgeroorlog begon. Dat is nu dus 75 jaar geleden en die strijd bracht Franco aan de macht. Na zijn dood in 1975 spreken de politieke partijen af om over de voorgaande vier decennia te zwijgen. De laatste jaren blijkt dat moeilijk vol te houden en sindsdien komen de lijken letterlijk tevoorschijn. Niet uit de spreekwoordelijke kast, maar uit massagraven door het hele land.

In 1936 regeert in Spanje een democratisch gekozen regering. Veel ervaring is er op dat moment nog niet met het leven binnen een vrij politiek systeem. Allerlei groeperingen van linkse en rechtse signatuur maken het de centrale regering niet gemakkelijk. Het land staat voor grote veranderingen als een aantal generaals vanuit de Canarische Eilanden en Noord-Afrika een opstand begint. De eerste doden vallen binnen de eigen gelederen, want niet elke officier staat te trappelen. Ook de burgers blijken verdeeld en drie jaar strijd volgt. Als Franco's troepenmacht in 1939 uiteindelijk 'zegeviert', begint een periode die professor Julián Casanova in El País van 17 juli 2011 beschrijft als een van 'terreur, in een voortdurende staat van oorlog, en met een misdadig en intimiderend regiem'.

Wanneer ik in juni 2008 het Madrileense Museo Reina Sofía bezoek, gebeurt dat ook met de bedoeling om Picasso's Guernica te zien. De wordingsgeschiedenis van dit beroemde werk wordt nauwgezet in beeld gebracht. In een van de zalen zie ik een film met beelden over het oprukkende leger van Francisco Franco. Zeer onder de indruk verlaat ik na afloop het museum. Een paar dagen later bezoek ik met een Spaanse schrijver-cineast La Granja de San Ildefonso (Segovia). Daar vond in 1937 de door Hemingway in 'For whom the bell tolls' bschreven treffen plaats tussen de strijdende partijen. Tot op de dag van vandaag blijft Spanje verdeeld over de burgeroorlog. Die waterscheiding loopt ook door de familie van de filmmaker; we passeren zijn geboortedorp en rijden terug naar Madrid.

vrijdag 15 juli 2011

La cocina (14); tomate frito casero

Vanavond eters. En dan wil ik niet steeds in de keuken staan, als de gasten er zijn. Dus zo veel mogelijk tevoren doen: mise en place. Op een redelijk vroeg uur verwijder ik bij een viertal vleestomaten de harde groene stukjes en de pitten. Het vel laat ik zitten, gewoon uit luiheid. Het eindresultaat moet worden 'tomate frito, estilo casero'.

Je kunt het in elke (Spaanse) supermarkt kopen. Het is een dikke gelei die voor allerlei doeleinden gebruikt wordt. Bijvoorbeeld als smeersel op stukjes stokbrood. Lekker en handig. De toevoeging 'casero' wekt de suggestie dat moeder thuis achter het fornuis heeft gestaan. Dat dit in werkelijkheid nog steeds gebeurt, blijkt uit het aantal digitale varianten dat ook op dit recept bestaat.

De bereiding is eenvoudig. In de olijfolie fruit ik een gesnipperde bosui en wat teentjes knoflook. In stukjes gesneden volgen de schoongemaakte tomaten. Dan zout, peper en een snufje hierbabuena (gedroogde munt) toevoegen, plus een suikerklontje om de bittere smaak weg te halen. Dit alles laat ik een uur indikken. Als de substantie niet langer waterig oogt, gaat ze in de keukenmachine. De op smaak gebrachte gladde saus laat ik afkoelen; peuzelhapje één kan ik afvinken.

Wie dat schoonmaken van die tomaten te veel werk vindt, pakt gewoon een blik 'pomodori pelati'. Niet echt 'estilo casero', maar het smaakt ook prima.