zaterdag 16 april 2022

Straat (4); vastentrommel

Gisteren - paaszaterdag - 70 jaar geleden zat ik met vriendje Leo op de stoeprand in de Bossche Rembrandtstraat. Het was iets over 12.00 uur en de klokken waren net terug uit Rome: de vasten was gebroken. Op onze knieën hadden we onze vastentrommel die we eindelijk mochten open. Gretig keken we naar al het snoepgoed dat we daarin de afgelopen 40 dagen verzameld hadden. Het paasfeest kon beginnen.

Voor een leeftijdsgenoot met een katholieke achtergrond is bovenstaand tafereel meteen duidelijk. Feiten en taalgebruik behoeven geen toelichting. In die tijd dachten we dat het zo altijd zou blijven. Inmiddels is alles geschiedenis, ingehaald met de komst van de toverhazelaartakken vol chocolade-eitjes en de paasbrunche met bubbels. (Klinkt in deze zin iets door van spijt en kritiek?)

Uit mijn vluchtige zoektocht in afgelopen Goede Week naar de weerklank van de katholieke (paas)cultuur in straatnamen, doemt het beeld op dat de kans op een 'hit' in mediterraan Europa het grootst is. Zo liepen we - als gezegd in 'Straat (1)' op zondagmiddag 27 maart jl. in het Catalaanse Manresa door de Avinguda d’Els Dolors, De Laan der Smarten. ‘Pasen’, dachten we. En ‘Zou je in de straat met zo’n naam willen wonen’. De aanblik van koutende mensen op de terrasjes bij de buurtcafés liet niets verontrustends zien. Ook de Calle (de la) Pascua, de Paastraat, is in de Spaanse gebiedsdelen geen onbekend fenomeen. De Pietà, als afgebeeld op bovenstaande foto, vind je in Italië terug in de Via della Pietà.

In Nederland blijkt een ‘verzamelaar’ in 2012 zo’n 50 met Pasen verbonden straatnamen gevonden te hebben. De blogger treft ze aan in m.n. Gelderland, Overijssel en Drenthe en suggereert een direct verband met het in dit deel van Nederland zo populaire verschijnsel van paasvuren. Het gaat om aanduidingen als Paasbergweg, Paasweide en Paasvuurweg. Het in de voorgaande stukjes gezochte verband met al dan niet goddelijke heiligen en de Goede Week blijkt ver weg. Paasvuren lijken voor-Christelijke germaanse wortels te hebben. Het RIVM kwam deze week met een paasvuurstookalert: kans op smogvorming in de Saksische gebiedsdelen.

Ter afronding. Mijn woonplaats Den Bosch kent een Triniteitsstraat. Bestaat er een straat die echt exclusief aan God de Vader is gewijd? De vraag stelde ik me al hiervoor. In Brazilië blijkt een Rua Dios te zijn; misschien niet toevallig in de buurt van de Lagoa Santa. Even had ik een flauwe hoop op een Nederlandstalige trouvaille met de Godtsstraat in het Antwerpse Borgerhout, maar hier gaat het om een achternaam. Hoe zou het zijn om zo te heten? Bijvoorbeeld wanneer je met je vader binnenkomt in een voor jou onbekend gezelschap. Zeg je dan bij het voorstellen - verwijzend naar je pa - ‘Ik ben Godts zoon’? Ik weet nie …

woensdag 13 april 2022

Straat (3); 'Geseling'

 

In de Goede Week ga ik dus de grens over; digitaal wel te verstaan. Op zoek naar straatnamen die verwijzen naar de H. Drie-eenheid. Als deze aanduidingen en passant ook nog een relatie bezitten met Pasen, is dat mooi meegenomen. Religieuze motieven spelen geen rol bij deze zoektocht, iets dat ik hiervoor aangaf in ‘Straat 1’. In de Brabantse omgeving waarin ik mij als cultuurkatholiek beweeg, komt me de aanwezigheid van namen als Driekoningenstraat, Mariaplein en St.-Jozephstraat als ‘normaal’ over. De H. Geest is ook vertegenwoordigd nog, maar een laan of boulevard naar Jezus en God vernoemen gaat zelfs een gemeente in het van oudsher katholieke Nederlandse zuiden/zuid-oosten, net iets te ver. Vlaanderen lijkt hierover ook niet echt anders te denken (zie ‘Straat 2').

In de sinds 1860 Franse stad Nice is in het oude centrum een Rue du Jésus, afgeleid van de gelijknamige kerk daar. Aan de andere kant van de Alpen liep ik eerder door de Via Gesù. In weerwil van de Jezus’ opstelling tot aan zijn door aan het kruis toe, blijkt de straat in een uitermate chique wijk te liggen. Mijn god, ik zou bijna zeggen, klerenchique: op een kluitje vind je er dé internationale modewinkels van topklasse. Met meer personeel binnen dan klanten, en kennelijk is de ‘Quadrilatero della Moda’ toch rendabel. Van veel bescheidener aard is de Calle Jesus in Bédar in het noordoosten van Andalusië. Een wit (voorheen mijnwerkers)dorpje zonder opsmuk. Prachtig als de amandelbomen bloeien. Aan Jezus gewijde straten vormen in Spanje en Portugal (Rua de Jesus) geen uitzondering. Inmiddels hebben wij op het grondgebied van beide landen al met de nodige personen kennis gemaakt die zich voorstelden met de voornaam Jesus. Blijft opmerkelijk.

In mijn ogen opmerkelijker blijft de Calle Ecce Homo in Oviedo (Asturië). In deze mooie Noord-Spaanse stad verwijst de naam naar de lijdensweg van Christus die in de Goede week herdacht wordt. Na de geseling en het aanbrengen van de doornenkroon toont volgens Johannes 19:5 de Romeinse prefect Pontius Pilatus aan het joodse volk met de spottende woorden ‘Ecce Homo’, ‘Ziehier de Mens’. De foto dateert van 2011; inmiddels heb ik begrepen dat op het Iberische Schiereiland heel wat gemeentes een gelijknamige straat kennen.


zondag 10 april 2022

Straat (2); H. Familie

Uit het voorgaande ‘Straat (1)’ mag al blijken dat straatnamen me boeien. Vooral die in het centrum van dorp of stad. Ze weten iets te vertellen over het karakter van de plaats, de streek of het land waar je op dat moment verblijft. Sommige zaken zijn voorspelbaar: je kunt er donder op zeggen dat in Nederland om de hoek van de Beatrixstraat het exemplaar ligt dat naar Irene is vernoemd. Om te eindigen bij Marijke, want zo heette die prinses toen nog. En het kwartet (want laten we Margriet niet vergeten) bevindt zich bijna zeker in een naoorlogse ‘nieuwbouw’wijk.

Minder snel zul je door een kwartier lopen waarin de complete Heilige Familie vertegenwoordigd is. Maria en Jozef blijken populair, maar rond hun mens geworden godenzoon Jezus, plus de H. Geest en God de Vader zelf lijkt een taboe te hangen. De Heilige Geeststraat scoort op google nog goed in Brabant, Limburg en Vlaanderen. Bij navraag wordt als snel duidelijk dat de naam veelal zijn oorsprong vindt in de (toenmalige) aanwezigheid van een klooster of godshuis dat aan dit deel van de H. Drie-eenheid gewijd was of nog is. Een afgeleide dus.

Ligt dat bij de Antwerpse Jezusstraat anders? Die zijstraat ligt op een curieuze plek. Heb je je - lopend van het station - net vergaapt aan de verlokkingen in de winkels van de Meir, dan is daar ineens een naambord dat je tot matiging oproept. Nou ja, voor even dan, want ook de Jezusstraat is recentelijk gepimpt met het doel veel volk te trekken. Gek toch, ik moet ineens denken aan het verhaal van een geïrriteerde Jezus die de kooplieden de tempel uit timmert.

Mortsel (nabij Antwerpen) heeft een Oude-Godstraat. In dit geval blijkt Oude God een gehucht in de buurt waarnaar genoemde weg leidt. Gesuggereerd wordt dat hier Oude God verwijst naar een verdwenen Gallo-Romeins heiligdom. Oud-Rekem (Lanaken) en Heist-op-den-Berg kennen een straat die Oude God heet. Een verklaring lijkt te ontbreken; wellicht is hier ook een in onbruik geraakte godheid in het spel.

Ik prik vervolgens verder over de taalgrens heen. Voilà, in Parijs is een Rue Dieu. Achter deze naam gaat een overleden generaal Charles-Prosper Dieu schuil. Morgen maar weer verder zoeken.

PS Waar mijn belangstelling voor straatnamen vandaan komt? Er zijn twee verklaringen. Nummer 1: lang woonde ik met ouders en zussen aan de Bossche Aartsetógelaan. En op enig moment werd mij duidelijk dat het eigenlijk om de Aartshértogenlaan ging, en daarmee om de aartshertogen Isabella en Albrecht uit het Habsburgse Huis.

Nummer 2: decennia geleden liep ik in Avignon door de Rue Petite Monnaie en toen vroeg ik me af of er in het Nederlandstalige gebied ook een Kleingeldstraat zou bestaan. Niet echt, maar de Rotterdamse Jan Kleingeldstraat komt in de buurt.

zaterdag 9 april 2022

Straat (1); Smarten

Wie niet langer lid van een club wil zijn, kan maar beter het lidmaatschap beëindigen. Op de ledenlijst blijven staan, het kwartaalblad ongelezen weggooien en nooit naar de jaarvergadering gaan: het is zo’n halfslachtig gesukkel.

Zo’n 10 jaar terug heb ik me laten uitschrijven bij de RK Kerk. De procedure hield meer in dan een mailtje naar het secretariaat. Sindsdien ben ik een ‘cultuurkatholiek’.

Deze 'status' valt te vergelijken met die van een inwijkeling die de Nederlandse nationaliteit verkrijgt. Ondanks alle inspanningen om zo goed mogelijk geïntegreerd te raken, hoeft de persoon maar even iets te zeggen in de nieuw verworven taal of de toehoorder weet het al. ‘Komt u oorspronkelijk uit een Franstalige omgeving? Ja? Ik meende het al te horen'.

Je voorgaande geschiedenis raak je niet kwijt. Om een detail te noemen: voor mooi weer op je vakantie breng je een worst naar …? ... de heilige Clara. Heel goed.

Laatst waren we met een groep Nederlanders in het buitenland aan het bergwandelen. Als snel bleek dat we allemaal een katholieke achtergrond hadden. Puur toeval. De mannen hadden vroeger op school gezeten bij fraters en de vrouwen bij nonnen. Afijn, het passeerde - in fruitige opgewektheid - allemaal de revue: de eerste communie, het jongerenkoor, de kleine catechismus. Wie in haar of zijn jeugd in een streek woonde waar katholieken niet in de meerderheid waren, hadden het ‘moeilijker’ dan wij in Brabant.

Op zondag 27 maart liepen we in het Catalaanse Manresa door de ‘Avinguda d’els Dolors’, de Laan der Smarten. Acuut dacht ik aan de naderende Pasen. Aan Jezus, de Man van Smarten. Aan de Zeven Smarten van Maria bij het kruis van haar lijdende zoon. Zo werkt dat. De beelden liggen opgeslagen in je kop.

Zeer waarschijnlijk kent Nederland geen laan, straat, steeg of plein der smarten. België misschien? Want daar - om precies te zijn in hartje Antwerpen - is in elk geval een Jezusstraat. In Nederland is het eerder gesloopte en verdwenen Maastrichtse Christusstraatje na lange tijd (citaat) ‘opnieuw opgestaan’ als Oud Christusstraatje. Voor dit soort benamingen moet je kennelijk in streken zijn waar het katholicisme van oudsher dominant aanwezig is. Ik zal ervoor opnieuw de grens over trekken. Ver hoef ik niet te gaan, want Latijns-Europa begint in Vlaanderen.


woensdag 9 juni 2021

P.S. (Het sleutelgat)

De rubriek in de Bossche Omroep 'Onder de Boschboom' houdt na 19 jaar op te bestaan. Een aantal auteurs schrijft vanaf 15 mei verder op www.knillispoort.nl. Hierbij mijn bijdrage van 7 juni 2021

Het zijn gouden tijden voor de complotdenkers. Met natuurlijk als meest populaire vraag: ‘Wie zit achter die vermaledijde pandemie?’ Of het ontstaan nu op een markt of in een lab lag, blijkt onbelangrijk. Het gaat er de ‘wappies’ om wie het longvirus, met welke bedoelingen, als een elfde Egyptische Plaag over de wereld stuurt. De meest bizarre hersenspinsels vormen het antwoord.


Voedingsbodems zat, zei criminoloog Peter Klerkx eind mei. Zo zouden wetenschap, media en de regering niet langer betrouwbaar geacht worden. En dan is een dikke stok om de gemene hond te slaan, rap gevonden. Zeker met een centrale overheid die er toch al een potje van heeft gemaakt: de hele club is niet voor niks demissionair. Het kabinet is gesmoord in zijn smerige achterkamertjespolitiek! (Dat laatste heet sinds kort met een eufemisme: de Ruttedoctrine.) Nee, wie wil, heeft argumenten genoeg om zich te keren tegen alles wat nu redelijk lijkt.

Overigens: niemand die met deze kritiek ‘enen bal’ opschiet. 


Nu is achterkamertjespolitiek ‘van z’n eige’ ook niet erg vertrouwenwekkend. Opmerkelijk is dat deze praktijk, die bijdroeg aan de afgang van het kabinet, nog steeds gewild lijkt bij het Bossche B&W. Zo doet dat lokale bestuur er alles aan om de demissionaire influencers te volgen én te overtreffen in het nemen van bepaalde besluiten achter gesloten deuren. Zo wordt zelfs stopverf in het sleutelgat gestopt als de financiën van het nieuwe cultuurpaleis op de agenda staan. Daar mogen wij burgers niks van weten. Noch over zeggen. Uitvoerend wethouder Huib van Olden heeft ‘peur’. Hij zegt dat ie bang is dat het dossier ‘concurrentiegevoelige info bevat die gemeente en burgers kan schaden’. Wat dat mistige georakel betekent, weten alleen zijn directe collega’s. Die hebben een kopie. Kennelijk zien zij niks geks in dit ‘mondje-dicht’.

Of spelen zij soms een ander spel? Wie weet. 


Laten we eens even een oefening doen. Een filosofisch gedachte-experiment. Mijn hypothese daarbij houdt in dat burgemeester en collega-wethouders inmiddels inzien dat het kronkelige pad naar de cultuurtempel alleen tot bestuurlijke treurnis kan leiden. Daaraan willen ze hun vingers niet branden; ze kennen de werking van de afrekencultuur. 


De nieuwbouwplannen liepen al voor het aantreden van Mikkers, Van der Geld, Kâhya en Geers. Routinier Jan Hoskam is gepokt en gemazeld en hij weet hoe de bestuurlijke hazen lopen. Daarom is het in mijn scenario juist deze consciëntieuze boekhouder van de gemeentekas die het nu te gortig geworden is. In het theaterstuk voor zes heren acht ik hem goed voor de volgende zin (toen Van Olden elders met de aannemer overlegde over vertragingsvergoeding): ‘Mannen, dit gedoe moeten we een halt toeroepen’. 


De anderen zie ik aarzelend knikken en ik hoor iemand iets roepen over ‘collegiale opstelling’. Vervolgens vervallen ze in een vermoeid zwijgen. Tot de opmerking: ‘Als we’m nou ‘s gewoon z’n gang laten gaan. Dan houdt het op enig moment vanzelf op’. 


De eerste die bedachtzaam ja knikt, is Mike van der Geld. Onze wethouder Cultuur is stiekemkes wat blij dat de nieuwbouw van het theater toentertijd als vanzelfsprekend meeverhuisde naar het nieuwe pakket van zijn voorganger Van Olden. 

De anderen volgen Mike in stilte. Mannen vinden elkaar zonder woorden. 


De heren van B&W laten Huib in zijn eigen bubbel doormodderen. Ondertussen zal Van Olden als volger van de Ruttedoctrine, zelfs zijn directe collega’s mondjesmaat op de hoogte houden. Tot hij zich tenslotte helemaal vastdraait. Triest dat het zo moet gaan. 


Tot zover mijn gedachte-experiment. (Of is het inmiddels toch het een complottheorie geworden?)


P.S. 

Vandaag las ik dat een van de bezwaarmakers op wie de wethouder onlangs de recent opgelopen kostenverhogende bouwvertraging afschoof, dreigt met een proces wegens smaad. Van Olden kan dit alleen voorkomen door in het openbaar met zijn verdachtmakerij te stoppen. 


Ben benieuwd naar het vervolg. 

zondag 16 mei 2021

De rubriek in de Bossche Omroep 'Onder de Boschboom' houdt na 19 jaar op te bestaan. Een aantal auteurs schrijft verder op www.knillispoort.nl. Hierbij mijn bijdrage van 15 mei 2021

Niet gepland

 Zo’n 25 jaar terug kregen we ineens een brief van de gemeente: er zou een nachtopvang voor drugsverslaafden in onze wijk komen. Dit bericht werd midden in de zomervakantie gedropt; een tactische zet. Over dat moment was tijdens brainstormsessies ‘lang en diep nagedacht’. Want wanneer immers iedereen oeverloos lui voor de familietent op de camping in Renesse of Rimini zou liggen, moest Den Bosch wel ver weg zijn. Dan sta je niet op van je felkleurige badlaken om als burger te protesteren. 

 

Mispoes. Na ons stadsdeel werd het volgende benaderd. En toen nog een. Elke gemeentelijke zet riep de nodige weerstand op. Ik heb daar een kwart eeuw later nog ‘actieve herinneringen’ aan.  Mocht een ‘seniorenmomentje’ plagend voorbijkomen, dan staat hier altijd nog een uitpuilende archiefmap. 

 

In Den Bosch staan de nodige gevulde archiefmappen. Of het nu om de inrichting van een dag- of nachtopvang gaat, de aanleg van een extra spoorbaan, het kappen van een rij platanen of de bouw van een theater: overheidsvoornemens kunnen rekenen op reacties van betrokken burgers. Deze mogelijkheid tot ‘tegenmacht’ is bij wet geregeld. Al heel lang. Ook niet-juristen weten dat; die leggen bovendien hun ervaring op hardcopy of digitaal vast. 

 

Ik viel dus van mijn stoel toen ik op 30 april het volgende citaat in het BD las. Het was opgetekend uit de mond van mr. Huib van Olden, onze projectwethouder nieuwbouw theater. Het was zijn commentaar op de vertraging die ontstaan was doordat omwonenden gebruik hadden gemaakt van hun recht op bezwaar. Dat had tijd gekost. En daarmee overheidscenten. Dat dit zich zou kunnen voordoen, had onze bestuurder niet in de planning opgenomen. ‘Het is hoogst ongebruikelijk om dat te doen’, liet hij optekenen. 

 

‘Leeft zo’n man onder een steen?’, dacht ik. Of poëtischer: ‘in een parallel universum?’ Eentje zonder archief?

 

Niet ingepland? Toentertijd soms gezakt voor het tentamen Inspraak? Of is hij de afgelopen jaren ongevoelig geworden voor het tegengeluid van het volk? Afgestompt? Olifantshuid? 

 

Gelukkig valt aan dat laatste wat te doen. Sinds kort bestaat de mogelijkheid om ‘gesensibiliseerd’ te worden. Een uiterst populaire therapie om ontvankelijker te worden voor signalen uit je omgeving. Van Olden zou hiervoor zijn partijgenoot Hoekstra eens kunnen bellen. ‘Een vriendendienst, amice’. Wopke kan als zelfbenoemd ‘masseur van de geest’ inmiddels bogen op de nodige bewezen praktijkervaring. ‘Beter presteren? Laat je ‘s lekker sensibiliseren’. 

 

Genoeg grappen. Het is zorgwekkend dat een bestuurder een mogelijke ‘bouwvertragende’ activiteit niet voorziet en vervolgens de kostenverhoging op het conto zet van burgers die gebruikmaken van hun wettelijk recht. Ongekend sneu. En tragisch voor de stad. 

 

Wordt ongetwijfeld vervolgd.


https://www.knillispoort.nl/columns/

zaterdag 17 april 2021

Lusten

Deze tekst is op 5 maart als column verschenen in de Bossche Omroep, rubriek 'Onder de Boschboom'.

Over de herkomst van de flamenco is in Spanje zeer diep nagedacht. Maar er bestaat ook een theorie uit Leuven! Die suggereert de navelstreng met Den Bosch. ‘Si non è vero, è ben trovato’, zouden mijn Italiaanse neefjes jaloers roepen: ‘Zo het niet waar is, dan is het leuk verzonnen’. Zou ik ook zeggen als ik geen kaaskop, maar een spaghetti-vreter was. In de 16e eeuw noemden de Spanjaarden al die kaaskoppen gemakshalve ‘flamencos’, Vlamingen. Da’s net zoiets als men nu alle Nederlanders vaak ‘Hollanders’ noemt.

Toentertijd maakte onze stad – ‘Bolduque’ in het Spaans – magnifieke messen. Dat excellente product kreeg de naam ‘bolduque’ of ‘belduque’ en het groeide uit tot een begeerd object. Als Spanjolen uit het leger van koning Filips II, III, IV hier in leven wisten te blijven (volgens Geoffrey Parker stierven ze in onze contreien met bosjes) en zich uiteindelijk niet in Brabant vestigden, maar terugkeerden naar Spanje, dan werden zij daar ook ’flamencos’ genoemd. Omdat die lieden een beetje uit het lood waren geraakt en zich thuis ontworteld gedroegen, werd mede daarom ‘flamenco’ een scheldwoord.

De ‘Leuvense’ theorie vertelt dat de uit de Nederlanden teruggekeerde ‘pensionistas’ zich thuis regelmatig overgaven aan meeslepende vormen van zang en dans. Geïnspireerd door de treurnis en verschrikkingen van het slagveld, wisten zij een opvallend muzikaal genre te ontwikkelen. Op de dansvloer droegen zij met trots hun (vaak enige) kostbaarheid: de Bossche ‘belduque’. Zo’n ‘cuchillo flamenco’, zo’n ‘Vlaams mes’ uit die verre Brabantse stad, liep in het oog. De aanwezigheid van deze aandachttrekkende voorwerp groeide uit tot een onderscheidend kenmerk en dat leidde tot de benaming ‘de dans van de dragers van het Vlaamse mes’. Een lange omschrijving voor deze wervelende expressie, zodat de naam al snel ingedikt werd tot ‘flamenco’. Een curieus verhaal? Beslist. Maar onzinnig? Niemand weet nog zeker welke flamencotheorie de ware is. Bovendien versterkt dit messcherpe relaas de band tussen onze stad en het voormalige moederland, waar nog steeds de mooiste werken van Jheronimus Bosch hangen.

Stel dat u post-Covid Madrid bezoekt. Ga dan na uw trektocht door het Prado naar de ‘cervecería’ aan de Plaza de Santa Ana 9, waar de uitbaters sinds 1986 hun eigen donkere bier brouwen. Die gelegenheid heet ‘Naturbier’, en met één u’tje erbij, bent u weer helemaal thuis. ‘Kijk’, zegt u dan aan de bar, ‘dit soort bier maken wij dus ook. Maar er is meer wat ons bindt …’, waarna natuurlijk dat mes op tafel komt.

Na afloop gaat het gezelschap uitbundig dansend naar buiten: Den Bosch, de moeder der flamenco! Die wetenschap kan de verblijfplaats van ‘De Tuin der Lusten’ toch niet onthouden worden?

dinsdag 29 september 2020

Buste

Deze tekst is op 30 september als column verschenen in de Bossche Omroep, rubriek 'Onder de Boschboom'.

Weet u nog? Halbe Zijlstra, ex-minister annex Ruslandkenner. 

Effe terug: Halbe (VVD) is nog Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen als hij in 2011 een subsidiebezuiniging van 200 miljoen aankondigt voor de cultuursector. 

Als minister struikelt hij in 2018 over een pittoresk Russisch vakantiehuisje en vervolgens wordt hij strategiedirecteur ‘in de bouw’. Overigens niet bij de aannemer die ‘ons’ nieuwe Theater aan de Parade gaat neerzetten. Dat laatste zou wel curieus zijn.

 

Dezelfde Halbe zei in 2011 namelijk dat hij uit de cultuurhoek ‘Niet veel inhoudelijke argumenten voor het behoud van de bestaande subsidie had gehoord’. Eigen schuld, zweverige artistiekelingen.

 

Tot zover Halbe die toentertijd in het debat graag rationale uitspraken had willen vernemen. Met termen als ‘publieksbereik en ondernemerschap’. Emotie deed even niet mee. Inmiddels slacht Covid-19 de cultuurhoek verder af.

 

In alle voortvarendheid zette ons gemeentebestuur zich onlangs aan de afbraak van het Bossche Cultuurpaleis. Doorpakken! Want volgens de bouwpastoor zit Den Bosch, de zelfbenoemde ‘Cultuurstad van het Zuiden’, te wachten op het volgende exemplaar uit de reeks van ‘afwijkende gebouwen die bij een binnenstad horen’.

 

Aan dit argument valt met de beste wil van de wereld weinig rationeels te ontdekken. Hoe komt iemand bij zo’n uitspraak? In dit geval Projectwethouder Theater Huib van Olden (CDA). Een glas teveel op? Een zure oprisping? Eerder heb ik hem in deze rubriek gesuggereerd zich roemrijk terug te trekken via de voordeur: zuiniger bouwen, vraaggerichter, in aansluiting op hier al aanwezige podia. En het financiële verschil doneren aan de gekorte cultuurmakers in Den Bosch. Niet dus. 

 

Kennelijk kent de gekozen marsroute van de voortrekker geen U-turn. Die rechtlijnigheid maakt de handelswijze van B&W plus gemeenteraad tot een excellente case voor de interessante leergang: ‘Niet-rationele en disfunctionele processen in organisaties’. (Bestaat echt!) De Bossche aanpak past zonder meer ook in het veld van Manfred Kets de Vries. Deze psychoanalyticus, managementwetenschapper, econoom en emeritus prof bestudeert opmerkelijke denkkronkels en besluiten van leiders aan de top. Je blijft lachen. Hoewel niet als Bosschenaar, dit keer.

 

Waarom volhardt Huib? Het antwoord moet hij zelf vinden.

 

Onlangs had ik een akelige droom: ik was zomaar weer aan het werk. Gestoken in een keurig pak ontvouwde ik de ondernemingsdirectie mijn advies voor de opening van het nieuwe naaldvormige hoofdkantoor. Gaandeweg kregen de ogen van de CEO een dromerige blik. Na mijn powerpointpresentatie liep ik naar de tafel rechts van het projectiescherm. Daarop stond iets dat door een laken verborgen gehouden werd. Er klonk tromgeroffel … Langzaam haalde ik het witte doek weg. Denderend applaus volgde: op tafel stond een glimmende bronzen buste van de baas! Met op de sokkel de korte tekst: ‘Hij maakte het mogelijk. Een dikke merci’.


PS

Dit is deel drie in de trilogie rond het acteren van een projectwethouder in 'De Charade rond het Theater aan de Parade'.

woensdag 19 augustus 2020

Kikkers

Deze tekst is op 19 augustus als column verschenen in de Bossche Omroep, rubriek 'Onder de Boschboom'.

Leren we iets van de geschiedenis? Bende gèk, jong: natuurlijk nie. Zo duiken we – om iets actueels te noemen – met de eer ste coronagolf nog vers in ons geheugen, opgewekt de tweede in. Of springen we, na een rampzalige zondag aan zee, de volgende morgen weer vrolijk de branding in terwijl de rode strandvlag wappert. Stom hè? Zo zijn wij. Volslagen blind. Of onaantastbaar.

‘Met het Theater aan de Parade gaan we dezelfde kant op’. Dat denk ik, terwijl ik deel 11 (!) in de reeks ‘Bossche miskleunen’ lees. Overigens draagt die serie in Bossche Kringen de neutralere naam ‘De strijd om de stad’. In de recente aflevering neemt de auteur me aan de hand van een deskundige gids mee voor ‘Een stadswandeling over het historische slagveld’. De titel zegt niks te veel over de getoonde pijnlijke plekken. Tja, en deze tragedie wil de huidige Bossche stadregering – in de traditie van haar voorgangers – voortzetten met de creatie een volgende gapende wond: het nieuwe Theater aan de Parade.

 

Uiteraard roepen de weinig onderbouwde veranderplannen al jaren de nodige weerstand op. Dat het huidige cultuurpaleis om aanpassingen vraagt, is nauwelijks een punt. Maar dan wel graag in de vorm van sparende ‘vernieuwbouw’. In de pas bovendien met het landelijk onderzoek over trends in het schouwburgbezoek. Daarbij rekening houdend met al aanwezige podia in onze gemeente. Volgens Marc Van Ranst, de Belgische Jaap van Dissel, kost het slechts vijf minuten politieke moed om van standpunt te veranderen en een bocht te maken.

 

Onlangs liet Henk van Beers noteren: “Plat gezegd slaat het ontwerp op dit historisch plein met historische gebouwen én de Sint-Jan als rijksmonument als een tang op een varken.’’ Niet zozeer ‘plat’ geformuleerd als wel ‘glashelder’, lijkt me. Henk is voorzitter van de Stichting ‘s-Hertogenbossche Monumentenzorg. Hij zal als oud-burgemeester van Roermond weten hoe hij zijn Bossche ‘ambtsgenoot’ voor een ‘deconfiture’ kan behoeden. Het wordt tijd dat Jack Mikkers de kikkers van zijn &W allemaal in de goede richting laat springen. Als Henks hint niet werkt, kan de stichting altijd nog voor een juridische procedure kiezen. Direct-belanghebbenden kennen deze mogelijkheid ook.

 

Zo’n protserige en massale ‘woonkamer van Den Bosch’ is niet meer van deze tijd, tenzij onze duale lokale overheid zich onder een steen in duisternis beweegt. Diezelfde overheid kan, naast de direct inhoudelijke bezwaren, evenmin de impact negeren van Covid-19 op de cultuurpost in het stadshuishoudboekje. Dan maar een ‘bupootje’? Een optreden van een buitenparlementaire oppositie? Zie jij al een massa verontruste Bosschenaren met spandoeken op Markt en Parade staan? Op 1,5 m? In de hitte? En dan ook nog verplicht met de lippen stijf op elkaar, want zoals in stadions mag niet geschreeuwd worden. Ikke nie. Vandaar deze column.

woensdag 8 juli 2020

Nieuwstraat


Deze tekst verscheen 8 juli in De Bossche Omroep als column in de rubriek 'Onder de Boschboom'.

De Nieuwstraat: achter die neutrale naam gaat een pijnlijke periode schuil uit de Bossche geschiedenis. Laten we die doorgang afsluiten. 

Zoals bekend, verovert Frederik Hendrik, prins van Oranje, graaf van Nassau, de stad op 14 september 1629. Het Spaanse garnizoen moet vertrekken, idem dito de groep mannelijke religieuzen. De kerkelijke goederen vervallen – sommige op termijn – aan de republiek i.o. Het staatse leger en de dominees blijken niet alle vrijgekomen gebouwen te kunnen vullen en leegstand dreigt. Hierop zet Den Haag heel wat paaps onroerend goed in de etalage. Uit die hofstad komt zelfs een tip voor de ‘herinrichting’. Het is de heer Nobel (nomen est omen) die in 1639 het idee oppert om een nieuwe havenpoot aan te leggen vanaf de bestaande haveningang, richting Hinthamerstraat.

Voor dit waterkwartier moeten de erven en opstallen van het Sint-Geertrui-, het Sint-Elisabeth Bloemenkamp- en het Predikherenklooster ‘aangesproken’ worden. Het stadsbestuur reageert met: ‘mooi plan, we bouwen en graven mee, helaas is er geen geld voor het verwerven van de kloosters’. Hierop melden zich twee heren als aspirant-kopers: Johan Gans, pensionaris te Den Bosch, en Frans Blom ‘koopman hier ter stede’ (om Van Heurn te citeren).

Ze zijn letterlijk kind-aan-huis bij het lokale bestuur. Bovendien kan Gans het op Haags niveau goed vinden met Cornelis Musch, griffier van de Staten-Generaal. Musch is de schoonzoon van Vadertje Jan-stap-netjes Cats, en tegelijkertijd ook zo corrupt als hij groot is.

Het duo is niet flauw. Van Sasse van Ysselt heeft acht pagina’s nodig voor een opsomming van het door Johan & Frans aangekochte ‘zwart goed’. (Een benaming die overigens in België verwijst naar de door de Franse republikeinen genaaste kerkelijke bezittingen. Het is bekend dat de opkopers daarvan de deur voor hun hellevaart op een kier zetten.)

Gans en Blom hoeven zich geenszins bezwaard te voelen, want zij hebben een missie: de herontwikkeling van het oude Bolduque. Ze geven in korte tijd Den Bosch een ‘nieuw’ aanzien. Zo verdwijnt het Predikherenklooster met grote ijver onder de slopershamer, waarbij volgens ooggetuigen zelfs resten van opgegraven doden in de Binnendieze gekieperd worden. Twee nieuwe doorsteken verrijken de stad: de Nieuwstraat en de Tweede Nieuwstraat, die later St.-Jozefstraat gaat heten. De geplande haven komt er niet.

Met de gebouwen verdwijnt de herinnering uit het collectieve geheugen. Dat geheugen is – in de ogen van nu – ‘gewassen’. Niet uitzonderlijk want nieuwe heersers maakten en maken nog steeds korte metten met veroverd religieus erfgoed. 

Misschien is het oud zeer. Zit ik soms stiekem te wachten op een excuus voor wat hier en in Staats-Brabant vernield is in naam van Oranje? Mocht daaraan een fikse som duiten vastzitten, dan kan de stadskas ‘opveren’ in deze tijden van culturele krimp.


vrijdag 22 mei 2020

Ballen

Deze tekst verscheen 20 mei in De Bossche Omroep als column in de rubriek 'Onder de Boschboom'.

Geachte Huib van Olden,

Best wel ‘sund’ dat je grote Bossche ‘Droompaleis aan de Parade’ er nog niet staat. Daarin hadden we vandaag moeiteloos op 1,5 m van elkaar kunnen zitten. Die preventieve afstand is beslist overbodig tegen de tijd dat jij als trotse projectwethouder het lint doorknipt. Het bevrijdende vaccin dat nu nog ontbreekt, is dan inmiddels ingeburgerd. En toch komt je tent - behalve rond carnaval - niet vol.

In december 2015 verscheen ‘Over het voetlicht’, een onderzoek van het gezaghebbende CBS. In de tekst valt te lezen hoe je in de nabije toekomst publiek naar het toneel trekt. Zo blijkt dat de nieuwe generatie Nederlandse theaterfans niet zit te wachten op meer van hetzelfde. Bijna tegelijkertijd zei het toenmalige ondernemersduo Verlinde-Van den Ende op tv dat grote producties echt niet naar de provincie zullen komen. Omvangrijke voorzieningen in kleine steden – Den Bosch incluis – zijn overbodig. Na een valse start in 2016 met een bouwvoornemen voor twee mikt de lokale politiek met jou anno 2020 op een joekel met drie zalen. De oproep tot herbezinning die De Bossche Groenen onlangs naar de gemeenteraad stuurde, ging zonder aarzeling richting versnipperaar. Dankzij de weke knieën van coalitie en oppositie hou jij als projectleider standvastig vol. Ook al zet de coronacrisis het huishoudboekje van de stad onder druk, het gebouw moet er komen. Tot Nut van het Algemeen, of uit angst voor persoonlijk gezichtsverlies?

Diezelfde coronacrisis legt het menselijk tekort bloot. Het ego kan bij het afval. Bescheidenheid is aan zet. Nederigheid. Ook bij de verantwoordelijke bestuurders aan wie het niet ongemerkt voorbij kan gaan dat veel burgers in de puree zitten. De Duitse schrijver Hans Magnus Enzensberger publiceerde in 1990 ‘Helden van de terugtocht’. Daarin beschreef hij hoe leidende vrouwen en mannen het lef lieten zien om terug te komen op eerdere beslissingen. Hoe ze afscheid durfden te nemen van hun overtuiging om daarmee te breken met hun verleden. Enkele klassieke voorbeelden in Enzenbergers relaas zijn Gorbatsjov, De Klerk en Mandela. Namen die jou beslist veel zeggen.

Huib, als ik je mag helpen: sla genoemd verhaal erop na. Terugkomen op je voornemen zal je sieren. De herbouw van het Theater aan de Parade kan duurzamer en bescheidener. Dit alles in afstemming met de Verkadefabriek, de potentie van de Tramkade, de mogelijkheden van 1931, die van Perron 3, de Azijnfabriek, Artemis, Babel e.v.a. Je zult erom geprezen worden als ‘de vent die terugkeerde op zijn schreden’. Als ‘de man met ballen’. De kerel die bovendien gemeenschapsgeld vrijspeelde voor inwoners van de gemeente bij wie het water echt tot de lippen reikte. Huib, wat let je?


woensdag 29 april 2020

Lak



Het leven stelt ons slechts één vraag. En die is niet mis: ‘Waartoe zijn wij op aarde?’ Wie zoals ik een verleden met de catechismus kent, herinnert zich een pasklaar antwoord: ‘Om God te dienen en daardoor hier en hiernamaals gelukkig te zijn’. Gegarandeerde zekerheid alom. Zekerheid alom. Deo gratias.

Op een dag verdween samen met God de garantie op een onbekommerd bestaan. ‘Onbekommerd’ in die zin dat alles wat wij als gelovigen op aarde ondernamen, in dienst stond van het hogere doel: de eeuwige zaligheid die de Heer ons in het vooruitzicht stelde. Ook de tegenslagen in het leven leidden daartoe. Op het doodsprentje van de oudste bij ons thuis, die als peuter stierf, schreven mijn ouders: ‘God gaf hem ons, God nam hem ons, Gods name zij geprezen’.
Kom daar nu maar eens om.

In het goddeloze tijdperk dat volgde, veroverden de Boeddhabeelden de tuinen, werden de dijken tegen het water steeds weer op deltahoogte-plus gebracht en verschenen er elk jaar weer nieuwe glasheldere verzekeringen tegen allerlei kwaad van buitenaf. Tot voor kort heette ‘geluk’ zomaar ‘een keuze’ en ‘afdwingbaar’ te zijn. In een maakbare wereld kon dat. In diezelfde wereld was er toch ook nog ruimte voor het vermoede bestaan van een vaag ‘iets’: een soortement hogere macht en het geloof daarin baarde de schitterende slogan ‘toeval bestaat niet’. Hoop doet leven.

Met de komst van Covid-19 nam het lot revanche op al onze glasheldere zekerheden en op de hardnekkige ontkenning van het toeval. Dat laatste blijkt wel degelijk te bestaan. Het slaat genadeloos toe. Navrant hierbij is dat in Nederland het grootste menselijke leed, met het hoogste aantal doden en zieken, het zuiden van ons land treft. Carnaval wordt genoemd als stuwende verspreidingsbron. Carnaval, een feest met een katholiek verleden. Carnaval: in ‘normale’ tijden een ode aan het onbekommerde bestaan.

En nu zitten we dan thuis. Althans: zo heet dat. Het toeval wilde onlangs dat mijn vrouw en ik eerst de lockdown in Spanje meemaakten en vervolgens die in Frankrijk. Het derde lege land op onze terugreis naar Nederland was België. En toen we 21 maart Brabant binnenreden, bleek ‘iedereen’ buiten te zijn. Druk op de snelweg, druk op de fiets- en wandelpaden.

Hoe dan ook: wij Nederlanders zijn de laatste tijd meer thuis dan voorheen. Niet iedereen, want boa’s en politiemensen hebben het erg druk om mensen op hun plaats te wijzen. Waarschijnlijk zijn dat de coronablockers, waarvan we er volgens een enquête zeker 2 miljoen hebben. Daaronder bevinden zich volgens hetzelfde onderzoek veel mensen die werkzaam zijn binnen de financiële dienstverlening. Echt verbazingwekkend. 

Vandaag, 28 april, protesteerden een paar honderd betweters in Den Haag tegen de huidige beperkende maatregelen. ‘Leven gaat voor dood’, stond er op de spandoeken. Intelligent gezien, want eerst is er leven, dan volgt de dood. Ongetwijfeld wordt bedoeld dat het ze geen bal interesseert of er iemand aan Covid-19 sterft. Zoals sommige Holocaustontkenners naar Auschwitz-Birkenau gestuurd worden, mag dat clubje nitwits een voetreis door Uden en Meierijstad opgelegd krijgen. De vergelijking is niet proportioneel wat leed en slachtoffers betreft: de overeenkomst is het ook door de Binnenhofschreeuwers gedemonstreerde lak aan de waardigheid van de mens.

Welk leven gaat voor de dood? Vertier, afleiding, vermaak? Ieder zoekt een grond voor zijn daden. Naar mijn overtuiging gaat die ‘grond’ verder dan cafébezoek, festivaltrance, pretparken of twee uur in de file voor een aardbeienautomaat. Leuk allemaal. Maar lekker is maar ene vinger lang. Geluk zit ‘m in andere zaken. Mogelijk eerder in weggeven dan in ontvangen. Het is niet voor niks dat de laatste jaren vrijwilligers oranjelintjes opgespeld krijgen. En dat nu zorgmedewerkers eindelijk gewaardeerd gaan worden. Waartoe zijn wij op aarde? Om ook de ander vooruit te helpen. En daardoor hier gelukkig te zijn.

woensdag 22 april 2020

Levante Almeriense (6); Cabo de Gata

Graag kijk ik naar ‘First dates’. Hier in Spanje volgen we het programma op de tablet via ‘Uitzending gemist’. Mijn voorkeur krijgt de Engelse versie vanwege haar intelligente komische karakter. Daarentegen vormt de Nederlandse een uitstekende bron om te zien wat ‘in’ is. Bijvoorbeeld op taalgebied. Daar blijkt ‘oké’ in plaats van ‘ja’ nog steeds oké. Zegt kandidaat A. bij het voorstelrondje tegen B. ‘Ik ben vier jaar gescheiden en ik zie mijn kinderen nooit’. Waarop B. empathisch reageert met ‘oké’. Wie verwacht dat A. woedend het bestek weggooit en brult: ‘Oké oké, da’s gvd helemaal niet oké maar kut’, verwacht te veel. Oké is goed.

Of deze. B.: ‘Ik zoek iemand die zo helemaal zichzelf is’. A.: ‘Ik leid niet aan het meervoudige persoonlijkheidssyndroom’. Ook nog niet als respons kunnen noteren. Uiteraard bedoelt B.: ‘Ik zoek iemand die niet-ideale trekken gewoon nu durft te tonen’. 

Waarom ik op 17 januari juist hieraan denk op weg naar het natuurpark Cabo de Gata valt niet moeilijk te raden. Na de afslag op de Autovía del Mediterranéo naderen we al snel Campohermoso. In tegenstelling tot de naam valt er niets fraais te ontdekken aan dit gebied. Het is een zee van kassen, waarbij tijdens de bouw niet gekeken is op een hectare plastic meer of minder. Het lichtglooiende landschap deint blikkerend in de zon. In het plaatsje zelf lijken de seizoenarbeiders niet te wonen in zogenoemde ‘migrantenhotels’; voorzieningen waarover in Nederland zo vaak discussie ontstaat. De gezinnen hier moeten het doen met onderkomens die aaneengeregen met een mooi Frans klinkend woord een ‘bidonville’ vormen.

Dat begrip leerde ik in 1965 toen ik met familie langs een krottenwijk kwam in Casablanca. Niks ‘wit huis’, net zomin als Campohermoso nu een ‘aantrekkelijk gebied’ is. De term ‘bidonville’ verwijst naar blikken vaten die ‘opengevouwen’ zijn tot platen. In deze Spaanse stad zijn de krochten van metaal, hout en veel plastic. De bewoners komen veelal uit Roemenië, Marokko en de landen bezuiden de evenaar. Moderne slavernij.

Het oorspronkelijke Campohermoso is het product van een wet uit 1939, gericht op de ontwikkeling van achtergebleven gebieden voor de producten uit land- en tuinbouw. In een omgeving als deze is geen plek voor fratsen. De seizoenarbeiders kennen geen luxe. En zeker niet om zich de knellende vraag te stellen of ze wel dicht bij zichzelf blijven. 

Even verderop wordt het beeld uit de reisgidsen weer opgepakt. De ontnuchtering ebt weg. Cabo de Gata wordt in alle beschrijvingen aangeprezen als een mooi en beschermd gebied. Vandaag zullen we er een klein stukje van leren kennen. De zacht glooiende halfwoestijn voert naar de kust. We arriveren in het zonnige en nu zeer rustige minidorpje Las Negras. Een plaatje. In de kleine supermarkt doen hippies hun inkopen, stappen vervolgens in een vlet en varen naar het moeilijk bereikbare ‘historische’ San Pedro. Ik laat me fotograferen bij het strand onder het bord met de tekst die uitnodigt ‘om me hier te kussen’. Las Negras hebben we snel gezien: hier overwinteren lijkt klimatologisch aantrekkelijk; wij zouden er na een week gillend wegrennen. Zoveel rust hoeft nou ook weer niet.

Om Campohermoso niet meer te hoeven zien, volgen we na de lunch de smalle en slingerende kustweg langs Agua Amarga. Op een aantal punten herinneren torens en karkassen van gebouwen aan de voorbije mijnbouwactiviteiten. Bij de parkeerplaats van het Mirador de la Playa de los Muertos genieten we van het prachtige uitzicht op de kustlijn. 

Eenmaal Carboneras voorbij, naderen we Mojácar Playa. Voor de langgerekte bebouwing begint, domineert het Castillo de Macenas het kleine strand. We zullen in deze hoek nog een aantal keren terugkomen.

De versterking is qua architectuur de evenknie van het exemplaar dat we eerder 20 km meer naar het noorden in Villaricos zagen. In beide exemplaren huist een dependance van het VVV. Althans in de zomermaanden. 

zaterdag 18 april 2020

Levante Almeriense (5); 1568


In de voormalige Spaanse Lage Landen zal het jaartal 1568 direct de relatie leggen met het begin van de Tachtigjarige Oorlog. In hetzelfde jaar kreeg Filips II te maken met een tweede opstand binnen zijn rijk. Die was van korte duur: in 1571 werd de muitende partij verslagen en begon de deportatie van de dwarsliggers. Een aantal 'moriscos' werd ook tot slaaf gemaakt en verkocht binnen Spanje.

Met de val in 1492 van Granada - en daarmee van het laatste Arabische rijk op het Iberisch Schiereiland - werd de Reconquista afgerond. De positie van overwonnen mohammedanen veranderende door bijvoorbeeld de opdracht om katholiek te worden. Ze werden tweederangsburgers en uiteindelijk leidde hun ongenoegen over deze behandeling in het voormalige ‘Rijk van Granada’ tot een gewelddadige uitbarsting. De strijd staat nu bekend als La Rebelión de las Alpujarras. In de historiebeschrijving van menig wit dorpje dat wij bezoeken, wordt deze opstand vermeld. Ook zijn er bijna overal andere verwijzingen naar het Arabische verleden. Soms wat verborgen, zoals de aanwezigheid van een bron in Bédar met Arabisch opschrift. Dan weer meer in het oog lopend, zoals de Arabische baden in de palmenstad Elche (Valencia). En een beeldhouwwerk in dezelfde plaats dat verbonden is de in Spanje populaire festiviteit ’Moros y Cristianos’.

Overigens bestaat er inmiddels de nodige interne kritiek op de term ‘reconquista’, een begrip dat pas tijden na de afronding van de oorlogshandelingen ingevoerd werd. Eerder zou sprake zijn van een ‘conquista’, een verovering, dan van een herovering. De vorsten uit het autonome Navarra, Castilië, Léon etc. waren niet uit op de restauratie van het voormalige Visigotische rijk dat het schiereiland omspande. Het katholieke geloof terugbrengen werd uiteraard ook aangehaald als motief voor het streven naar machtsuitbreiding.     

Filips II zette de politiek voort van zijn voorgangers: ieder over wie hij regeerde moest katholiek zijn en blijven. De deportatie van de moslims ging door en de ongehoorzame aanhangers van de gereformeerde stroming konden op straf rekenen. De verbanning - vaak naar het huidige Marokko - van de mohammedanen werd begin 17de eeuw voltooid.

Toch zijn er anno nu personen die vinden dat daarmee de Reconquista nog niet ten einde is. Dit geluid is populair binnen een nieuwe politieke partij: Vox. Na de dood van dictator Franco in 1975 kende de Spaanse politiek decennialang twee richtingen: links (PSOE) en rechts (PP). Inmiddels zijn er meer wegen die naar Rome leiden en sindsdien wordt het steeds moeilijker om een werkbare regeringscoalitie te vormen.

Vox is rechtser dan de Partido Popular (PP), en met een fikse score tijdens de laatste nationale verkiezingen is deze zeer conservatieve club inmiddels een machtsblok van betekenis is geworden op regionaal en landelijk gebied. Het gezin moet weer de hoeksteen der samenleving worden en allerlei ‘afwijkingen’ zijn taboe: abortus, huwelijken tussen personen van hetzelfde geslacht, niet-katholieke overtuigingen.

Een belangrijke vent binnen Vox is Francisco Javier Ortega Smith-Molina, de tweede man van die partij. Martiaal franquist tot op het bot. Ben benieuwd welke rol hij speelt bij de lokale uitvoering van ‘Moros y Cristianos’.

Als op 2 januari 2020 Granada de inname van de stad in 1492 herdenkt, staat hij met zijn ‘reconquista’-ideeën vooraan. Met zo’n achternaam die naar Spaanse, Engelse en Italiaanse wortels verwijst, lijkt het me een zware opgave voor de Argentijns-Spaanse drager hiervan om vol te houden ‘dat hij van alle vreemde smetten vrij’ is. Iets dat speelt bij meer xenofobe politici.





woensdag 15 april 2020

Levante Almeriense (4); Bédar


Andalusië is rijk aan zogeheten ‘pueblos blancos’. Ze vormen een ‘must’ voor toeristen. We hebben er inmiddels de nodige bezocht. In het meer westelijk gelegen Sahara de la Sierra hebben we 14 jaar geleden een tijdje in een afgelegen ‘casa rural’ mogen verblijven. We waren de enige bewoners: ’s morgens verse eieren rapen, na het ontbijt de bergen in, om tijdens de lome hitte van de namiddag de schaduw op te zoeken aan en in de snelstromende beek.

Na afloop van onze paradijselijke week legden we de sleutel in het hokje waarin we hem bij aankomst volgens aanwijzing gevonden hadden. En zoveel tijd later op weg naar Mojácar hadden we onlangs eenzelfde ervaring bij het veel grotere ‘casa rural’ in Guadassuar (Valencia), de plek van waaruit we enkele dagen het waterrijke Parque Natural Albufera bezochten. Daarover misschien later.

Uiteraard zijn die witte dorpjes ook rijkelijk aanwezig in de provincie Almería. Een daarvan is Bédar, en daar slenteren we doorheen op zondagmiddag 5 januari. Elke foto die je maakt, ziet eruit als een plaatje in een reisbrochure: witte samenklonterende pittoreske huisjes die afsteken tegen een strakblauwe lucht en overal bloeiende klimplanten. In het perfecte plaatje herinnert een waarschuwingsbord aan het huiselijk geweld waarvan - met name in Andalusië - elk jaar veel vrouwen (dodelijk) slachtoffer worden.  

We bewegen ons - zoals mijn vrouw opmerkt - als de gewenste ideale reiziger uit Ilja Pfeiffers ‘Hotel Europa’: tijdens het volgen van de route ‘Los rincones de Bédar’ komen we niemand tegen. We lijken de unieke toerist die de ervaring met niemand hoeft te delen.
Dit hoger gelegen stadje is prachtig: schilderachtig, goed onderhouden, met een magnifiek uitzicht op de Middellandse Zee. ‘Het balkon van Oost-Almería’, las ik in een Spaanse beschrijving. 

Het is dus ongemeen rustig op deze zonnige dag. In Mojácar Pueblo liepen meer toeristen rond, toen wij daar op 25 december jl. waren. Hier zijn ze nu niet. Het oogt ook authentieker; iets dat wij ook proberen te vinden. 
Tegelijkertijd is ook in Bédar is, zoals in een aantal andere kleine oude plaatsjes, de oorspronkelijke Spaanse bevolking een minderheid geworden. De buitenlanders die er neergestreken zijn - hoofdzakelijk Britten - hebben die dorpjes behoed voor leegstand of totaal verval. De opgeknapte huizen zien er pico bello uit. De lokale politiek heeft de tekenen des tijds begrepen en nieuwkomers een stem gegeven bij de verkiezingen. Afhankelijk van hun wettelijke de status kunnen inwijkelingen op een kandidatenlijst komen of als ‘meepratend vertegenwoordiger’ een rol gaan spelen. 

Veel van die nieuwe bewoners - wat misprijzend ‘guiris’ genoemd - blijken in deze tijd de feestdagen door te brengen in het land van herkomst. Dit zal bijdragen aan de rust.

Na vandaag zullen we het stadje nog tweemaal bezoeken. Ook dan komen we geen hond tegen, met uitzondering van een podenco die ons tijdens de tweede wandeling tot aan de Stationsstraat nieuwsgierig zal volgen.

Stationsstraat? Liep hier in dit verlaten oord ooit een trein dan? Onvoorstelbaar. Later, tegen de tijd dat de amandelbomen in volle bloei staan en we hier voor de derde keer komen, kennen we het antwoord op die vraag.

Zo ver is het nog niet als we na onze rondwandeling langs een goede en smalle slingerweg naar Serena rijden. Een gehucht met 40 inwoners, niet ver van Bédar. Als snel is duidelijk dat ook in deze afgelegen worp huizen zich de nodige buitenlanders gevestigd hebben. 

Er staat een bordje dat de weg naar een Boeddhaklooster aangeeft. De oude moskee weten we zonder aanwijzing te vinden na een tocht te voet langs de eerste bloeiende amandelbomen.
Het gebouw werd begin 16de eeuw een katholieke kerk. Vervolgens kwam er een olijfolieperserij in en nu is het een ruïne. Het complex is door een particulier te koop gezet voor €85.000. De nieuwe eigenaar is wel gehouden aan een restauratieverplichting. De stilte is intens.

Voor wie zou deze plek aan het eind van de wereld voldoende aantrekkingskracht kunnen uitoefenen om het kavalje naar behoren op te knappen?