donderdag 30 december 2010

Tabaccaio

Let maar eens op in het Italiaanse stadsbeeld en het zal je weinig moeite kosten om het kenmerkende bord te ontdekken van de ‘tabaccheria’, de tabakszaak. Ik leerde dat instituut kennen in 1967, tijdens mijn eerste verblijf in dit land. Onvoorzien kon ik niet met de bus van Bergamo naar Selvino en dit feit wilde ik graag doorgeven. Op zoek naar een telefooncel dus. Hoewel de apparatuur in orde leek, bleek deze niet te willen werken op mijn lires. Desgevraagd maakte de dame achter het kaartjesloket mij duidelijk dat ik een speciaal muntje moest hebben, een ‘gettone telefonico’. ‘Gettone’ werd een van mijn eerste Italiaanse woorden, gevolgd door ‘tabaccaio’, sigarenhandelaar, want daar moest ik zo’n speciaal muntje kopen.

Die dag heb ik veel geleerd over de zeden en gewoontes in Italië. Bijvoorbeeld over de sluitingstijden ’s middags van banken en winkels, de afwezigheid (toen zeker) van terrasjes, het vooraf betalen aan de kassa voor een kop koffie dat je dan vervolgens niet aan een tafeltje mag nuttigen, het dragen door de dames van nylons bij tropische temperaturen, de afwezigheid zomers van shorts in plaatsen die niet aan zee liggen. En dan het vreemde gebruik in die tijd om aan de kassa snoepjes als wisselgeld te geven in plaats van muntgeld met een kleine waarde. Om maar niet te spreken van de overenthousiaste wijze waarop vrouwen mijn kleine neefje tegemoet traden vanwege het spierwitte haar dat hij als kleuter bezat. Hij heeft er hard door leren lopen.

Een ‘tabaccaio’ verkoopt nog steeds zaken waarvan de Staat het monopoly heeft: sigaretten, lucifers, Lottoformulieren en ‘valori bollati’ (waardezegels voor post en officiële documenten). Het alleenrecht op zout is in 1976 door een Europese wet opgeheven. Voor de Italiaanse overheid vormt de tabakszaak een bron van inkomsten. Veelal is er ook een bar aanwezig voor een kop koffie.

De overheid bepaalt hoeveel van die tenten er in een dorp of stad mogen zijn. Op de foto zie je onder de T de afkorting ‘Riv. No. 10’ staan: Rivendita 10 (een punt waar wederverkoop plaats vindt). Om uitbater te worden, moet je met succes proeven van bekwaamheid afleggen, waarna de monopolyhouder je openingstijden bepaalt. Het is als buitenlander even wennen om naar de ‘tabaccaio’ te moeten voor de verplichte belastingzegel op bepaalde officiële papieren.

Sinds 1967 kan ik het woord ‘bureaucratie’ niet horen of lezen, zonder direct de T van ‘tabaccheria’ voor me te zien.

woensdag 29 december 2010

Bèrghem

Op de 25 december regent het in Bergamo voor de vijfde dag op rij. Het mag de pret niet drukken en na een uitgebreide maaltijd zitten we om 16.30 uur bij de panettone plus spumante (voor de volhouders) met zestien mensen onder de kerstboom. Allemaal familie. De Tweede Kerstdag verloopt rustiger en de regen gaat zowaar over in sneeuw. En dan op de 26e kunnen we er te voet echt op uit onder een blauwe hemel. Ver hoeven we niet, want de Città Alta, de Bovenstad blijft boeien.

Bij de Via Francesco Nullo gaan we heuvelopwaarts over een van de vele trappen die in de stad verborgen liggen. Ons eerste doel is het Castello di San Vigilio op 496 meter. Terwijl we die kant heen gaan, passeren we de grens waarboven de warme zon geen vat krijgt op de sneeuw. Dit maakt het uitzicht alleen maar mooier, zeker bij de reusachtige stadsmuren die tot stand kwamen tijdens de Venetiaanse periode (1428 -1797). We lopen naar de Colle Aperto en zien dat het (tweede) tandradbaantje naar boven gesloten is. Zonder haast vervolgen we de tocht. Eenmaal op de versterking, is de strategische positie aan de route van de Po-vlakte naar de verschillende valleien goed te zien. De historie van deze plek gaat wellicht terug tot aan de Romeinen. De weg voert door een oude toren een stukje naar benden.

We gaan richting Colle Bastia waar het bijna landelijk is. De sneeuw ligt hier dik en ons volgende doel is de Trattoria All’Alpino. Weliswaar is die gelegenheid op maandag gesloten, maar vandaar gaat de weg slingerend door de heuvels richting Piazza Vecchia. De route levert een reeks prachtige doorkijkjes op. Als je hier woont, hoef je nooit op vakantie, zou mijn moeder gezegd kunnen hebben. Zelf heeft ze hier heel wat keren gewandeld. Op vakantie, welteverstaan. Zij is er niet meer, maar wel het bordje aan de Via Colle dei Roccoli met de melding dat hier aan herbebossing gedaan wordt. Dat stond er 1967 al.

We gaan een binnendoorpaadje in. Af en toe staan hier ezels achter het hek. Vandaag niet: zouden ze in de salami zitten die ik van mijn neef kreeg? De zon zorgt in deze kom voor een kattenhemel en het smeltwater maakt het weggetje glibberig. Bij de Via Lavanderia gaan we weer omhoog en na een half uur staan we dan op de Piazza Vecchia. Drie maanden geleden bezocht ik hier de Cappella Colleoni (zie blog Coglioni), maar nu lopen we door naar de thee.

Op weg naar het (eerste) tandradbaantje dat ons naar de Città Bassa (Benedenstad) zal brengen, zie ik een T-shirt met ‘Bèrghem’, Lombardisch voor de Duitse wortels van Bergamo (Bergheim). In Zuid-Italië worden de landgenoten in het Noorden nog steeds ‘de Duitsers’ genoemd. Wat ze daarop terugkrijgen, is ‘Calafrikanen’ of ‘Terroni’ (aarde-eters). Ondanks deze sentimenten laten we ons ’s avonds in een door Napolitanen gedreven restaurant de pizza goed smaken.

vrijdag 24 december 2010

Caravaggio

Vandaag 23 december op familiebezoek in Caravaggio. Vanuit Bergamo 25 kilometer door de Po-vlakte waar wel erg veel water op de velden staat. Het regent al drie dagen en vanmorgen zijn de eerdere zonnige weersvoorspellingen voor de kerst donkerder bijgesteld. We naderen ons doel, de veronderstelde geboorteplaats van de beroemde gelijknamige schilder, een meester in het contrast van licht en donker.

Michelangelo Merisi da Caravaggio en Rembrandt Harmenszoon van Rijn worden vaak in één adem genoemd als dé kunstenaars op het terrein van het ‘clair-obscur’. De vanzelfsprekende waardering die er nu voor hun werk bestaat, was tijdens hun leven zeker nog niet algemeen aanwezig. Rembrandt stierf armlastig en met Caravaggio was het nog treuriger gesteld. Na een kort creatief leven vol knokpartijen, ging hij berooid en eenzaam dood op een strand in de buurt van Rome. Erger kan bekant niet, zou je zo zeggen.

Ook hun talentvolle tijdgenoot Johannes Vermeer werkte noest aan erkenning en waardering. Bij iemand als Vincent van Gogh was dat niet anders, maar ook zij kregen pas na hun dood de status waar ze bij leven naar streefden. Misschien is die loutering nodig voor het ontstaan van meesterwerken die uiteindelijk boven komen drijven. Gisteren viel me in Jo Nesbø’s detective ‘De Sneeuwman’ de stelling op van de ‘slechterik’ Arve Støp dat niet een enorme wil en moraal bepalend zijn voor succes, maar geluk. Misschien is het daarom zo moeilijk te verteren om met een zilveren medaille thuis te komen.

Het plaatsje Caravaggio heeft een huis aangewezen waar in elk geval de familie Merisi gewoond heeft. Wellicht vond hier de geboorte van de beroemde zoon plaats. DNA-onderzoek heeft aangewezen, dat de schilder verwant is aan de Merisi’s van Caravaggio. Interessant voor bezoekers wordt het ‘Centro Studi Il Caravaggio’, gevestigd in een opgeknapte kerk, dat in 2011 opengaat voor geïnteresseerden. ’s Mans werken komen er in 3D ‘te hangen’. Bosschenaren zal meteen de overeenkomst opvallen met de wijze waarop in hun stad aandacht wordt besteed aan Jheronimus Bosch.

Overigens kent de Lombardische gemeente al heel wat bezoekers vanwege de aanwezigheid van het Santuario Beata Vergine. Daar verscheen de Maagd Maria aan Giannetta. Op die plek welde water op, nu onderdeel van het heiligdom. Opmerkelijk is de verklaring van ooggetuigen dat elk jaar op het moment dat de verschijning plaats vond, het bewolkt wordt in Caravaggio.

De pizzeria ‘Taverna del Sud’ besteedt geen aandacht aan beide beroemde ‘Caravaggini’. Wel zijn, zoals het moet, de pizza’s flinterdun.

donderdag 23 december 2010

Boerenkool

Bergamo is een uur plus vijftien minuten vliegen van Eindhoven. Een gemakkelijke verbinding, ook dinsdag 21 december, ondanks al die sneeuw.

’s Middags wandel ik vanuit de Borgo Palazzo naar de Città Alta, de Bovenstad. Drie maanden geleden was ik hier voor het laatst (zie blog Coglioni) en ook nu blijkt maar weer eens hoe sterk de tijd een slijtende werking heeft op mijn geheugen: Italië is er pas als je er zelf bent. Thuis schiet elk voorstellingsvermogen tekort, al ben ik hier al 44 jaar kind aan huis.

Er is veel sneeuw gevallen en nu het sinds vanmorgen regent, dooit de stad weg waar ik bij sta. Ik loop door de Via Pignolo heuvelopwaarts. Steeds meer word ik opgenomen in een omgeving die we in Nederland graag imiteren in restaurants, kledingwinkels, bij meubelboulevards. Hier is het authentiek en niet meer dan dat. Ook die ‘madammen in ‘nnen bontjas’. Op kerstnacht zijn ze met zo’n aantal in de kerk aanwezig, dat daar een mottenballengeur komt te hangen. Wat me vandaag in de etalages van winkels en andere bedoeningen opvalt, is de aanwezigheid van kerststalletjes. Niet verwonderlijk, want ‘Natale’ beheerst het straatbeeld.

In een kapperszaak staat de Heilige Familie plus het schamele Bethlemense onderkomen opgesteld op de ronde zitting van een stoel met hoofdsteun. De kromme armleuningen zorgen voor een beschermde plek. Het aantal ‘stallekes’ neemt toe in de bovenstad. In de Via B. Colleoni, de levensader van de Città Alta, staan ze zowat huis aan huis. Bij het bekende restaurant ‘Da Mimmo’ is een vierkante meter ingeruimd. De andere negoties stellen zich bescheidener op. Wie meer aan de weet wil komen over de traditie van de kerststal in deze omgeving, kan de ‘Mostra Presepi’, de kerststallententoonstelling bezoeken in de Chiesa di Sant’Agata al Carmine.

De in mijn ogen meest opmerkelijke stal bevindt zich iets voorbij de Piazza della Cittadella, bij ‘Da Marianna’, dé tent voor ijs, gebak en koffie. In de etalage staat het geboortehuiske van Christus weergegeven in marsepein (zie foto). Ongetwijfeld een meesterproef van de banketbakker, maar wat moet je ermee? Kopen, dat kan ik me voorstellen. En vervolgens: opeten? Ik zie de scènes al voor me: ‘Wie vrit d’n ezel dees jaor op?’, ‘Of d’n os?’ Wat delicater lijkt me de vraag naar de kandidaat voor het Jezuskindje. Omdat ik niet wil denken aan een mogelijk antwoord, loop ik terug naar mijn familie in de Via Ghislandi. Daar eten we vanavond vers ingevlogen boerenkool, ter ere van mijn verjaardag: Tanti Auguri.

maandag 20 december 2010

Kommervet

Ik probeer een bepaald toetje te maken. Dat at ik enkele maanden geleden in een Delfts restaurant op aanraden en in gezelschap van mijn nichtje. Toen dachten we, na een extra portie, te weten wat er allemaal voor nodig zou zijn. Maar op deze winterse zaterdagavond ontbreekt toch een echt recept.

Terwijl ik sta te frotten, kauw ik op het Woord van 2010: ‘Gedoogregering’. Veertien letters als karakteristiek voor een heel jaar. Om nou te zeggen dat het overtuigend heeft gewonnen, is niet aan de orde. Het was winnen dankzij de afwezigheid van concurrentie. ‘Aswolk’ en ‘linkse hobby’ leggen toch geen gewicht in de schaal? Terwijl ik chocolade vermaal, zeg ik mezelf dat ‘kommervet’ volgend jaar op afstand als winnaar uit de bus komt. Ik weet niet wie deze prachtige samenstelling bedacht heeft. Misschien wel Dick Swaab, de auteur van ‘Wij zijn ons brein’. Het boek waarin ik het voor het eerst zag op pagina 163. Na lezing heb ik dit neologisme nog een kwartier lang genietend voor mij uit zitten zeggen: ‘kom-mer-vet’.

Kommervet ontstaat op ons lichaam wanneer we een eetpatroon volgen ingegeven door zorg en ellende. Je zult maar wakker liggen over bijvoorbeeld de aanwezigheid en de gevolgen van de ‘gedoogregering’. En als je dan vervolgens opstaat om de zwarte gedachten wég te eten met te veel en/of fout voedsel, dan vertaalt zich dit meteen in de aangroei van ’kommervet’. Ben je dus een troost-, stress- of verdrieteter, dan ligt het kommervet op de loer.

‘Kommervet’ gaat ongetwijfeld ook als bijvoeglijk naamwoord gebruikt worden. Bel of schrijf me maar zodra je iemand in de sauna of in het café hoort opmerken dat die-en-die tegenwoordig toch wel kommervet is. De bonus van deze toepassing is dat het meteen de oorzaak duidelijk maakt van de geconstateerde gewichtstoename.

Als bijvoeglijk naamwoord behoort ‘kommervet’ tot de categorie van ‘dik van het zund’. Ook hier is meteen zonneklaar wat de bron is van het (over)gewicht. ‘Dik van het zund’ verwijst naar de verdwijnende neiging van (voornamelijk) moeders om overgebleven etensrestjes niet weg te gooien, maar zelf alsnog op te eten. Het is immers zonde (‘zund’ in ons dialect) om eten weg te mieteren. Mijn moeder had een zekere aanleg tot ‘dik van het zund’.

Het eerste probeersel van het toetje is ondertussen een mislukking geworden. Het filodeeg blijkt wel aan de erg dunne kant. De misbaksels eet ik uiteraard als zoon-van-ons-mam op waarbij ik mijn verhemelte verbrand. Kommervet. Vervolgens maak ik op de hand snel een bol deeg. Een fractie daarvan rol ik uit tot een flinterdun plakje dat ik vul met chocolade en gember. Ik draai er een buideltje van dat ‘op slot’ gaat met een touwtje. Even frituren in de olie en dan van de wadjan krokant op mijn bord. Smaakt fantastisch en ik heb nog veel deeg en chocolade op voorraad. Ik besluit die caloriebommetjes ‘willywonka’s’ te noemen. Er komt nog een nieuw woord bovendrijven: ‘vreugdevet’. Waarmee het experiment helemaal een positief einde krijgt.

zaterdag 18 december 2010

Kampioen

Vrijdag 17 december wordt alsnog een dag uit duizenden. Daar ziet het ’s morgens nog niet naar uit als ik op het station kom, want de trein vanuit Den Bosch naar Utrecht rijdt stipt volgens het niet meer bestaande boekje. Ook de aansluiting naar Amersfoort vormt geen probleem. Gelukkig gaat het in de loop van de ochtend flink sneeuwen.

‘s Middags stap ik rond tweeën opnieuw het station van Amersfoort binnen. Er blijkt gratis koffie en thee te zijn voor de reizigers. Van dit welkomstdrankje maak ik geen gebruik, want ik kan direct - weliswaar vanaf een ander perron en na een pittig sprintje - de trein naar Den Haag/Rotterdam halen.

Ik stap in Utrecht uit en weet meteen weer waarvoor ik het allemaal doe, al dat sporten, trainen, bikkelen. Ik neem moeiteloos de hordenbaan van perron 4a naar 15b. De coupé zit weliswaar vol, maar ik heb een lekker plekje en haal mijn boek tevoorschijn. Om 15.30 uur zal ik in Tilburg zijn. Twaalf bladzijden verder ziet het meisje tegenover mij tijdens haar telefoongesprek met een vriendin, hoe op het perroninformatiebord de bestemming Maastricht verandert in Leiden.

Dan begint de ware uitdaging! De volgende 90 minuten klinkt uit de luidsprekers, dat onbekend is wanneer de volgende trein naar het zuiden gaat. Plots blijkt er een boemeltje naar Geldermalsen te gaan. Probeer eens een razende meute voor te blijven op een glad perron met aan het einde daarvan de aansluiting naar het Betuwse land? Ik slaag glansrijk dankzij mijn eerdere hoogtetraining op Tenerife. Die familie die met ski’s en koffers naar Oostenrijk wil, blijkt de verliezer van de dag: die roedel moet staan. Maar niet voor lang, want ook deze trein gaat naar Leiden. Ik trek een sprint terug naar 15a waar ons hoop wordt gegeven op een verbinding met Brabant. Pas de helft van ons contingent is op dit perron, als de politie voor onze eigen veiligheid de trappen afsluit.

Twintig minuten in een koude wind laat veel lieden afhaken. Ik blijk ook op kledinggebied prima voorbereid met mijn thermo ondergoed en sokken, ademend klimjack en dikke schoenen met rubber zolen. Maar de trein komt niet, ondanks de nijvere inspanningen binnen ons blikveld om de wissels weer op temperatuur te krijgen. Met vreugde vernemen we het advies om dan maar via Arnhem/Nijmegen de bocht naar Den Bosch te maken. Weer rennen, nu naar 4a waar ik voor alle anderen uit een warm plekje vind. Het boek kan weer opengeslagen worden.

De reis verloopt zonder problemen en alleen in Nijmegen haal ik nog één keer alles uit de kast tijdens de ‘Omloop van het Volk’. Ook hier vormt de beloning voor mijn prestatie een eigen stoel. De trein blijkt naar Roosendaal te moeten, dus kan ik gelijk door naar Tilburg waar ik slechts twee uur te laat op mijn date verschijn. Het feest is alvast begonnen als ik daar volkomen ontspannen binnen stap. Als een ware kampioensloper mag ik meteen aan een toepasselijk welkomstdrankje beginnen: champagne.

donderdag 16 december 2010

Guernica

Maischoß in het dal van de Ahr is een lief plaatsje. Het heeft alles wat je op een paar uur rijden van het buitenland mag verwachten: een slingerende rivier, vakwerkhuizen, heuvels, een kasteelruïne, wijngaarden, wandelwegen. Bovendien zijn de restaurants in Duitsland lang niet zo prijzig als hier en da’s dus mooi meegenomen.

Net aangekomen, sta ik tijdens mijn eerste wandeling ineens voor een keet met daarop een ‘replica’ van Picasso’s Guernica. Gekker moet het niet worden, schiet het door mijn brein. Op weg naar de dictatoriale macht over het land laat Francisco Franco op 26 april 1937 tijdens de Spaanse Burgeroorlog de Baskische stad Guernica bombarderen. ‘Wie niet horen wil, moet maar voelen’ denkt ie zonder twijfel, waarna deze misdaad uitgroeit tot een monument voor de slechtheid van de mens.

Pablo Picasso richt daarna een écht monument op in de vorm van een schilderij. Het duurt tot na Franco’s dood (1975) voordat het werk naar Spanje gaat (1981). Als ik het origineel zie, bevindt dit zich in het Madrileense Museo Reina Sofia. In een aantal zalen laat ik de verschillende voorstudies en op de achtergrond de films over de burgeroorlog op mij inwerken. Een gedenkwaardig moment.

En dan uitgerekend in Maischoß is Guernica geschilderd op een keet, waarvan ik begrijp dat het een uitbouw moet zijn van de plaatselijke brandweerkazerne. Een eindje verderop staat een sirene die tijdens de Tweede Wereldoorlog de lokale bevolking waarschuwde. Een opmerkelijk gearrangeerd geheel, in de wetenschap dat het in 1937 het Duitse ‘Vrijwilligerslegioen Condor’ is dat in opdracht van Adolf Hitler de Spaanse wapenbroeder een dienst bewijst. Italiaanse en Duitse luchtaanvallen maken de klus af en zeker 1.600 mensen komen om. Ik sta ter plekke met stomheid geslagen.

Op de zijkant van het bouwsel valt ook een tekst te lezen. Deze replica blijkt mede door jongeren geschilderd tijdens een cultureel project. Dat zet alles weer in een te vatten perspectief, waarop ik mijn tocht vervolg. Met de duimen achter de banden van mijn rugzak verstoor ik opgewekt de zomers rust in de stille straat: ‘Das Wandern is des Müllers Lust, das Wandern is des Müllers Lust, das Wa-han-dern’. Er was eerder een Van den Berselaar die maalde. Als molenaar in Gemonde, welteverstaan; vandaar dus.