maandag 9 januari 2012

Oeteldonk (19); heimwee

Ik ben een late roeping. Niet voor carnaval, wel voor skiën. Het is vrijdagmiddag rond 15.00 uur als we - meer dan een half mensenleven geleden - richting Oostenrijk tuffen. Lang leek deze wintersport niet echt interessant, maar nog geen twee maanden eerder kreeg ik in de besneeuwde Italiaanse Alpen een damascusbekering. Ik bracht er bij familie in de buurt de kersttijd door en ik vond het prachtig, die zon zo op de witte hellingen. En best warm. Nu dan ben ik dan op weg naar Telfs om skiles te nemen. 'Eindelijk', zegt mijn vrouw. Aan haar enthousiasme heeft het niet gelegen. In mijn ogen is zij al een prof.

In die tijd loopt bij Weert de weg naar het zuiden nog gewoon door de stad. Ik zie schoolkinderen verkleed door de straten naar huis gaan. 'Weert', denk is. 'Da's geen Oeteldonk'. Ik voel dat ik al wat afstand neem: het Bossche carnaval zal dit jaar aan mij voorbij gaan. Ik moet dat kunnen hebben: skiën wordt vast fantastisch. We rijden tot we moe worden en overnachten ergens in een hotel aan langs de Rijn.

’s Morgens weer verder en na een drukke zaterdagmiddag vol voorbereidingen, volgt op zondag om 10.00 uur de eerste skiles onder aanwijzingen van mijn echtgenote: klunen op een babyhellinkje dat aandoet als een reuzengletsjer. Het uitzicht is mooi, ik sjouw me kapot en voel me onhandig. Bovendien gaan mijn gedachten elk moment naar huis. Ik stel me voor hoe het volk inmiddels opgesteld staat voor het station, bij de Wilhelminabrug, aan de Postelstraat, de Vughterstraat de Markt.



Na een tijdje houden we pauze. Ik zweet me kapot: in stadium blijkt skiën meer klimmen dan soepeltjes afdalen. Mijn vrouw komt naar mij toe om mij geestelijk te steunen. Het is bovendien bijna 11.11 uur. 'Natuurlijk denk je nu aan Oeteldonk. Dat snap ik.' Waarop ze met het carnavalsprogramma van dat jaar overhandigt. Tranen in mijn ogen. Heimwee in de eerste graad.


Na het ochtendgeploeter kom ik twee van mijn studentes tegen. Moeten die niet thuis bij de Intocht van de Prins zijn? Ze zwaaien enthousiast en roepen: 'Ook lekker Oeteldonk ontvlucht?'

zondag 8 januari 2012

Geheugenpaleis (6); elandworstjes??


Vorige week wilde ik een monumentje fotograferen. 'Kan ik jouw supersnelle fiets lenen?', vraag ik mijn vrouw. Als ze hoort waar ik heen denk te gaan, twijfelt ze sterk aan de genoemde locatie. 'Dat ding staat daar niet', waarna ze een plek aangeeft drie kilometer verderop. Die zie ik voor me en ik weet dat ze me voor een vergeefse tocht behoed heeft.

Ik rijd eerst richting Dooibroek. Daar staat - net na Oud-Herlaar - aan de rechterkant een paal. Het is wel de plek die ik aanvankelijk voor ogen had, met inderdaad niet het gezochte monument. Op een bordje lees ik dat hier in 1995 het water tot aan de aangegeven streep stond. Manshoog. Ik corrigeer de oorspronkelijke herinnering in mijn geheugen en waai naar Hemelrijken waar ik de Bosschebaan oversteek, richting Horziksestraat. Na enig zoeken, tref ik in de buurt van de nertsfarm de resten van het gezochte monument aan.

Kennelijk is het mogelijk om redelijk te functioneren met een falend brein. Het is hooguit lastig als je president van de VS bent. En dan nog alleen maar op bepaalde momenten.

Dat 'monumenvoorbeeld' staat niet alleen: zoiets gebeurt me al zo lang ik me herinner (!) Ik heb een redelijk geheugen, denk ik. De vraag die me de laatste tijd bezig houdt, is waarom ik niet eerder aan de perfectie van mijn herinnering ben gaan twijfelen. Het antwoord luidt in mijn geval: het ontbreken van durf, want ik heb altijd gelijk.

Een deel van de foutieve dataopslag is wellicht terug te voeren tot een onhandige opslagtechniek. De gemiddelde mens blijkt gehandicapt wanneer hij of zij in de super staat terwijl het boodschappenlijstje nog thuis ligt. Statistisch zijn zeven dingen nog te onthouden, de rest is weg. Eindelijk dan kan ik op pagina 110 van het Geheugenpaleis aan de slag met de verbetering van mijn breinwerking. Daar staat een opsomming van 15 soms absurde zaken. Met aanwijzingen richt ik op zaterdagavond om 23.00 uur mijn eerste geheugenruimte in waar al die zaken een plek krijgen. Ik 'wandel' er vervolgens nog eens langs en alles staat spijkervast op zijn plaats. Ik kan gaan slapen.

Op zondagmorgen doe ik een gecontroleerde proef. Ik som de onderwerpen op in de goede volgorde en zo correct mogelijk omschreven. Geheugenwandelend vergeet ik voor de strijkkamer met de 'elandworstjes??' op de overloop rechtsaf te slaan om (op het toilet in de rieten mand met wc-rollen) een film met Paul Newman te zoeken. Mijn score wordt dus 14, een persoonlijk record. Ik voel me bevrijd; een mooie toekomst ligt voor me.



vrijdag 6 januari 2012

Oeteldonk (18); jaarvergadering 2012

Over (iets meer dan) zes weken is het carnaval. De aftrap op 11-11-11 verliep perfect. Naar ik begrijp, wordt er sindsdien in Oeteldonk over een nieuwe traditie nagedacht. En nu de decemberfeesten achter de rug zijn, is de oetelblik weer gericht op 19, 21 en 22 februari 2012. Vandaag heeft ‘ons gruupke’ de Jaarvergadering 2012. 

De agenda bevat negen punten. Het eerste onderwerp is 'Binnenlopen', het laatste 'Vollopen'. Zo blijven er zeven momenten over om zaken te doen: afpreken hoe onze act zal zijn bij het Inhalen van de Prins op carnavalszondag.

Natuurlijk is dat moment nog ver weg. Zeker als we origineel willen zijn, want het kan zijn dat zich vlak voor de bewuste dag nog iets voordoet, wat juist tot dát idee leidt. Iets wat ons de ultieme inspiratie schenkt om een verpletterende voorstelling te geven. Want dat willen we: het publiek langs de kan laten zeggen dat wij met het idee van het jaar voorbij komen. Dat is ons nog nooit echt gelukt. We zijn weliswaar in die richting uitgekomen en dit jaar denken we écht: 'nec plus ultra'. Oftewel: buiten dit is niks dat verder reikt. Hoop doet leven.

Met tien mensen vergaderen, is een makkie. Anders wordt dat in een kroeg, die ook nog eens goed bezocht wordt ook nog ook nog. Drie glazen Westmalle Dubbel (dan wel witte wijn) hebben we een eerste idee, een uitgangspunt. We hebben het licht gezien en het eindresultaat kan over zes weken totaal anders zijn. 'Doorontwikkeling' heet dat met een soortement tautologische contaminatie.

Wat het niet geworden is, kan ook interessant klinken. Bijvoorbeeld dat wij als het Oeteldonks Filosofisch Genootschap meedoen. Of op straat 'bevallen' om het kind vervolgens in het publiek te smijten met de kreet 'houd oew jong'. Een verwijzing uiteraard naar het motto van dit jaar 'Oeteldonk houdt oe jong'. Leuk. Het Oeteldonks Sprookjesboek lijkt een tijdje ook een aardig onderwerp. Bij de titels die de revue passeren worden we steeds enthousiaster. Deze laat ik onvermeld, hoewel ik van eentje niet meer bij kwam. Die vond ik zonder meer briljant, maar ik houd deze weblog graag in de lucht. Zo verloopt een brainstorm.

Na afloop gaat eenieder blijgemoed derwaarts. Vlak bij het hek waar mijn fiets staat, zit een halve Peer tegen de muur. Er zijn veel van dit soort beelden in de stad die naar Oeteldonk verwijzen.
Wie zich al wandelend wil warm lopen, kan dat doen met de Oeteldonkse Wandeling: Deze gedetailleerd beschreven tocht is te vinden op de site ‘Groeten uit Oeteldonk’. Een goed initiatief van de samenstellers en een grote hulp voor Oeteldonkers die - bijvoorbeeld in gezelschap van lieden die nog tijding ingeburgerd moeten zien te geraken – de komende weken glimlachend door de stad lopen.


De Oeteldonkse Wandeling: http://www.groetenuitoeteldonk.nl/190.htm

donderdag 5 januari 2012

Oeteldonk (17); Koos de Krabber?


De stad hangt en staat vol voorbeelden en voorstellingen die naar het carnavalsdorp Oeteldonk verwijzen. Naar mijn idee bevindt er zich ook eentje buiten de bebouwing van het rood-wit-gele domein. In mijn herinnering is het een soortement ‘monumentje’ dat midden in het moeras aan een historische grenshandeling herinnert. Ik zie het zo voor me aan de kant van een sloot, vlak bij de nertsfarm in Den Dungen.

Vandaag rijd ik erheen met de wind in de rug. Ik heb de fiets van mijn vrouw geleend en die heeft ‘trapondersteuning’. Het rijwiel dus. Dertig kilometer op deze stormachtige dag is een peulenschilletje en bij de Horziksestraat waai ik zo aan dat gedenkteken voorbij. Aan het eind van de weg keer ik om en denk dat ik me in de afslag vergist heb. Ik ploeter terug en bij de derde keer goed kijken stop ik bij wat zooi dat aan de andere kant van de sloot ligt. Het blijkt bij nader inzien geen landbouwafval, maar het gezochte object. Van een ‘verbellemonde’ toestand is geen sprake: dit is gewoon kapoedewiets.

Tussen de kale takken van wat haagbeuk liggen de resten. Op een betonnen console zitten twee metalen plaatjes met de tekst ‘Eerste Bossche Steen in de polder gelegd door Koos de Krabber op 11 april 1992’ en ‘Laatste Bossche Steen in de polder gelegd door G. Schinck en W. Hairwassers’. Die laatste twee waren toen respectievelijk burgemeester en wethouder van Den Dungen. Koos de Krabber zegt me niks.

Weer thuis sla ik aan het googlen: niks Koos de Krabber, niks ‘bijzondere stenen’ aan de Horziksestraat. Heeft het eigenlijk wel iets met Oeteldonk te maken? Heb ik me dat altijd wijsgemaakt in het voorbijgaan? Welke ‘pseudo-officiële’ handeling heeft zich hierop die 11 april 1992 afgespeeld. Bovendien: kan het voor wie dan ook de moeite waard zijn om dat gedenkteken dat bekant 20 jaar oud is, op te kalefateren? Wie het weet, mag het zeggen.

woensdag 4 januari 2012

Geheugenpaleis (5); oertijd

Eigenlijk zijn wij maar prutsers. Hoewel we het tegenovergestelde denken, zijn we d'r bijvoorbeeld niet op gebouwd om te verteren wat we tot ons nemen. Noch onze maag, noch ons brein. We eisen daarom voortdurend dingen van onszelf, die bij voorbaat bestemd zijn niks te worden. We klungelen maar wat aan.

Hoe dat zo? Nou, sinds het lezen van Frans de Waal, 'Een tijd voor empathie' kijk ik met andere ogen naar de eigen soort. Dit werk van deze primatoloog maakt duidelijk wat hij eerder betoogde in zijn gelijknamige werk 'De aap in ons'. Die zit ons dicht onder de huid. En omdat we onze grootvader aap ontkennen, gaat het fout.

Ons DNA, de bouwstoffen van ons lichaam, is weinig veranderd sinds de tijd dat die opa met zijn wijfje uit de bomen klom om op de grond verder te leven. Wat die prehistorische mens toen at, kon probleemloos 'verwerkt' worden: ze namen de passende noten, vruchten en vissen tot zich. Hoe anders is dat nu. Na de Tweede Wereldoorlog hebben we echt andere eetgewoontes gekregen. Erg veel vet en suiker. At bijvoorbeeld onze primitieve voorouder nog twee kilo honing per jaar, wij consumeren 70 kg geraffineerde suikers. Dat lijkt niet geweldig goed te zijn. Onze spijsverterende genen zijn nog steeds afgestemd op een ander aanbod van voedsel: dat van opa en oma aap.

Zo zou het ook zijn met onze hersenen, volgens Joshua Foer op pag. 107 van zijn Geheugenpaleis. In ons brein moesten in de oertijd andere dingen opgeslagen worden: de weg naar huis, wat wel/niet eetbaar/giftig was, waar water te vinden was. In elk geval waren boodschappenlijstjes met meer dan zeven zaken nog niet in de mode. Dus als we nu bijvoorbeeld lappen tekst willen onthouden, lukt dat niet: ongeschikte hersenpan. Volgens de auteur kunnen we die te verteren tekst het beste omzetten in herinneringen waarop ons brein wel gebouwd is.

Da's een interessante strategie, denk ik op pag. 108. Gaan we ons geheugen inrichten langs wegen die onze voorvaderen in de prehistorie bewandelden?  Ik ben benieuwd wat het vervolg in zal houden en ga snel naar de volgende bladzijde. 

dinsdag 3 januari 2012

Het Bossche Broek (8); ijsvogel


Maandag tussen de middag gaan we bij de Vughterbrug via de wenteltrap naar het eilandje. Dat is een voormalige 'halve maan', lang geleden vooruitgeschoven onderdeel van de vestingwerken. Voor we naar het pontje wandelen, lopen we naar de 'hoek' Dommel - Drongelens kanaaltje. Daar ziet mijn vrouw een ijsvogeltje landen. We krijgen ruimschoots de tijd om dit snelle beestje met zijn lange snavel van een afstandje te observeren. Ik maak een foto en als ik dichterbij kom voor een scherpere opname, vliegt het weg in een spoor van blauw.

We draaien ons met het handveer over de Dommel over naar het Bossche Broek. Als frequent gebruiker van dit vervoersmiddel heb ik voor het eerst moeite ‘De Moerasdraak’ naar de overkant te krijgen. Het water staat hoog en de rivier stroomt vooral in het midden met veel kracht. Vorig jaar rond deze tijd lag het ding uit de vaart vanwege het sterk gestegen waterpeil. Er was zelf tijdelijk beperkte dijkbewaking.
De grote hoeveelheid decemberregen versterkt het natte karakter van het Bossche Broek. Aan de rand van dit natuurgebied glibberen we over de dijk. Sinds kort liggen bij de eerste afslag links twee poëziedragende zwerfkeien. Ze zijn onderdeel van 'Poosplaatsen langs de Dommel'. Een van dit versteende duo draagt een tekst van Catharina Boer over de ijsvogel: ‘de ijsvogel is een ogenblik/dat dit tijdloos broekland wekt/als hij door zomerlicht flitst/de vis pikt en met zijn blauw en/oranje vervloeiend weer hemel is’.

We glijden naar beneden en passeren een eerder opnieuw zichtbaar gemaakte Dommelarm. Die was wel erg smal geworden; ook daar liggen twee pooskeien. Het centrale gedeelte van dit gebied bevat een voet water: het resultaat van de overvloedige regen en het programma dat het Bossche Broek weer het drassige aanzien moet geven van eeuwen geleden. We stellen ons voor hoe in de loop der tijd soldaten die de stad wilden aanvallen hier tot hun enkels in de modder wegzakten. Of de wielen van hun blijden en kanonnen zagen vastlopen in de blub. Tegelijkertijd zie ik voor me hoe we 50 jaar geleden een stukje verderop konden schaatsen in de winter. Op het ondergelopen weiland was zelfs een ijsbaan. Op die plek bevinden zich sinds ‘de herwaardering’ van het Bossche Broek een struinpad en enkele waterpartijen voor vogels en amfibieën. 

De middagzon schittert in het ondiepe water. De ijsvogel blijft verborgen voor onze ogen.


maandag 2 januari 2012

Velázquez in Brabant


Velázquez was nooit in Brabant. Diego Rodríguez de Silva y Velázquez, hofschilder van Philips IV werkte in Italië en hoofdzakelijk in  Spanje. Daar had hij tot taak zijn heer en diens familie op het doek te zetten. En de glorie van die koning in beeld te brengen. Zijn beroemdste werk is ongetwijfeld ‘Las Meniñas’, ‘De hofmeisjes’. Het bekendste 'Las Lanzas' dat de overgave van Breda tot onderwerp heeft. Welnu, díe afbeelding hangt dus in Breda. Niet het echte werk, maar een kopie; in tweevoud ook nog ook nog. Daarvan had ik tot voor kort geen idee. Maar de Toledanen die ik onlangs bezocht, waren deze zomer in de Baroniestad tijdens een rondgang langs steden in België en Noord-Brabant met een Spaans verleden. 

In de Tachtigjarige Oorlog wordt zes keer om Breda gevochten. In 1625 veroveren de Spanjaarden de stad en Velázquez zal de overgave weergegeven in 1634-1635. Dit schilderij komt als ‘Las Lanzas’ in het nieuwe Madrileense paleis El Buen Retiro te hangen. Van dat onderkomen rest nu alleen nog het mooie park.

Het schilderij dat nu het Prado verrijkt, laat een deemoedige Justinus van Oranje zien. Onderdanig overhandigt hij de sleutels van de stad aan Ambrosio Spínola, de Italiaanse veldheer in Spaanse dienst. Die lijkt in de interpretatie van Velázquez te zeggen: 'Ga maar gewoon recht staan, je hebt knap gevochten'. De grootmoedigheid van de overwinnaar verbeeld. De vraag is of deze act in het echt plaats vond. Velázquez maakt het geloofwaardig, ook omdat hij weet van de égards waarmee de Spínola zijn verslagen tegenstanders omgaf.

In latere tijd wordt het schilderij van de Spaanse meester regelmatig gekopieerd. Bijvoorbeeld in 1838 door Calixto Ortega. Of het werkt inspirerend op andere kunstenaars. Hiervan is Dali's 'Ontdekking van Amerika door Columbus' een voorbeeld.

Een kopie van de Spaanse schilder Fernando Coll hangt sinds 1931 in het stadhuis van Breda. Sinds schoonmaakwerkzaamheden in september 2010 ziet dit er weer 'verfrist' uit. Een tweede kopie is van de schilder Kees Maks (1876-1967), die in 1903 acht maanden in het Prado aan een kopie op ware grootte werkt. Hiertoe aangezet tijdens zijn studiejaren in Parijs bij het zien van (ook) een kopie in het École des Beaux-Arts. Zijn weduwe schenkt het in 1978 aan de stad Breda. Het behoort tot de collectie van het Breda’s Museum, waar het op dit moment onderdeel vormt van de tentoonstelling 'De stercke Stadt Breda'.


Meer over de tentoonstelling: http://www.breda-museum.org/102