woensdag 27 maart 2019

Dagboek Nieuw-Zeeland (5); leeg land

 22/01
Om 10.00 uur gaat het met de auto richting Mt Cook; met 3.724 m de hoogste berg van NZ. Eerst over de prairie en dan langs Lake Pūkaki langzaam omhoog. De weg houdt op bij Mt Cook Village met vanuit The Old Mountaineers’ Café een pracht zicht is op de NZ Alpen. De gletsjers lijken zo dichtbij. Deze voortkruipende ‘eeuwige’ sneeuw schraapt deeltjes van de rots af die met het smeltwater in het meer terechtkomen. Dit zorgt voor de azuurblauwe kleur van Lake Pūkaki. Bij Lake Tekapo hadden we dat mooie effect al mogen zien.

De weg gaat omhoog richting Lindis Pass die de Mackenzie Basin verbindt met Central Otago. Het aantal wijngaarden dat we zien, neemt toe. Evenals de hoeveelheid schapen. Bij het kleine Tarras stappen we uit voor een bezoek aan winkel met producten van merinoswol. Tarras is de eerste bewoonde plek sinds we een poos terug Mt Cook Village achter ons lieten. De stadjes en steden liggen hier ver van elkaar verwijderd. Daartussen bevindt zich veel leeg (ogend) land. Nu we de pas over zijn, voelt het veel warmer aan. De wind is weg: we zijn in een volgende klimaatzone aangeland.

Tegen 16.00 uur arriveren we in Clyde en gaan naar de fietsenwinkel waar bij ‘Bike It Now!’ twee elektrische mountainbikes voor ons (op hoogte afgesteld) klaar staan. Niet dat we er nu al op gaan rijden: dat gebeurt morgen. We krijgen fietstasjes mee voor de proviand. Meepesant kopen we daar ieder nog een fietsbroek met een stuk zeemleer in de zolder. Daarna gaan we naar het volgende B&B, ‘Rockview’ in het nabijgelegen Alexandra. Dit stadje staat bekend als de plek waar in de winter de koudste en in de zomer de warmste temperaturen van NZ gemeten worden.

We bevinden ons in het centrale deel van de streek Otago. Deze omgeving beleefde rond 1900 een ‘goldrush’. De toestroom van mensen en het vervoer van materiaal leidde tussen 1879 en 1907 tot de aanleg van de ontsluitende Otago Trail Rail. 152 km tussen de oostelijke kustplaats Dunedin en Clyde in het westen. In de jaren ‘80 van de vorige eeuw verdween de spoorweg en kwam er een pad voor wandelaars, fietsers en ruiters. Morgen doen we het stuk Auripo - Clyde. Terwijl we ons inlezen over spookstadjes en de florerende wijnbouw, zien we hoe een uitgebreide kwartelfamilie foerageert ik de grote tuin (met veel lavendel in de borders) die het huis omgeeft. Het echtpaar Geoff en Gin waar we te gast zijn, houdt een paar uur rijden hiervandaan vee: 150 koeien, veel schapen en een zwik herten. In een wei naast de tuin staat een kleine groep schapen. ‘Die zijn van mij’, zegt Gin, ´En mesjokke bovendien´.


Dagboek Nieuw-Zeeland (4); Lake Tekapo

20/01
Na het gezamenlijke ontbijt nemen we bij de B&B in Akaroa afscheid van medegasten Monique en Paul. En van onze geweldige gastvrouw Jane.
Onderweg hebben we het over de vraag waarom zoveel zaken ons hier aan de Verenigde Staten doen denken. Een echt antwoord hebben we niet.

We rijden door het land van boeren en tuinders. Daar waar het boomgaarden betreft, zien we metershoge donkergroene hagen staan. Ongetwijfeld om de bloesem en de vruchten tegen wind en kou te beschermen.

We moeten tanken en willen eten. Voor dat laatste stoppen we links van de weg in Geraldine bij Orchard Farmshop. Het is mooi weer en de tafeltjes buiten in de schaduw zijn bezet. Wij lunchen binnen. We doen de bestelling, betalen en zetten de standaard met ons ‘klantnummer’ op de tafel. Het eten wordt gebracht en het smaakt prima. Na afloop doen we wat inkopen in de 'Boomgaard Boerderijwinkel': het volgende onderkomen is ‘self containing’, dus zullen we zelf voor de bik moeten zorgen.

De bergen die we al de hele tijd in de verte zien liggen, komen onder het rijden langzamerhand dichterbij. Veel verkeer rijdt ons tegemoet. Nogal wat auto’s hebben achter zich een boot op een trailer hangen. Verderop bevindt zich een aantal meren; ongetwijfeld worden daarop ook pleziervaartuigen toegelaten. En als de weg de bossen verlaat, zien we tussen spitse bergen ineens een grote waterplas. Niet lang daarna arriveren bij Le Chalet, onze verblijfplaats voor de komende nachten, pal tegenover Lake Tekapo, azuurblauw en gelegen op 710 m hoogte.

Als we ons geïnstalleerd hebben, wandelen we naar het kleine centrum waar zich ook een supermarkt bevindt. Onderweg passeren we een klein kerkje van natuursteen. Het zou zo in Schotland kunnen staan. Niet zo vreemd, blijkt achteraf, want de eerste Europese schapenboer hier was een Schot.

Het kleine gebedshuis blijkt zeer populair bij de toeristen; daarvan bestaat zo op het oog het merendeel uit Chinezen. En die willen allemaal op de foto, met dat stenen kleine bouwwerk op de achtergrond. Ze willen overal op de foto: aan het water, bij het beeld van die Schotse herder, bij de brug. Alles lijkt een uitnodiging om uitgebreid te gaan poseren. De dames met een knietje vooruit, lachend en de armen in de lucht. De vingers maken V-tekens, hartjes of geven oké-duimpjes. De foto’s worden gelijk geïnspecteerd en zonodig gaat de sessie opnieuw.

Als we de boodschappen ‘thuis’ opgeborgen hebben, gaan we nog een eindje om langs het water. Het late licht valt mooi op de bergen. Daarna is het tijd voor een glas pinot gris (oogst 2018) van het NZ wijnhuis Selaks. De fles hebben we een paar uur terug op goed geluk gekozen: smaakt uitstekend.

Na het eten in onze ruime kamer-met-open-keukentje-en-zithoek, wandelen we nog even een stukje richting Schotse kerk. Inmiddels staan de sterren dik aan de lucht. Onze gastheer had er al op gewezen dat ze er iets bleker zouden uitzien dan gewoonlijk: het is namelijk volle maan. Ook mooi.

21/01
Om 10.30 uur lopen we langs het water naar de zuidwestelijke hoek van het Lake Tekapo. Op dat punt beginnen we aan een klim die ons van 710 m hoogte tot 1.013 m brengt. Ons eindpunt is Mt John, met op de top het Mt John Observatory, waar vanuit een aantal universiteiten de sterrenhemel bestudeert. Lake Tekapo is een van de beste plekken ter wereld voor dit soort onderzoek. En de volle maan staat er tenslotte ook niet elke week.

Sommige stukken van het pad blijken steil; dit wordt onze eerste serieuze klim in dit land. Tussen de bomen lopen we goed beschermd tegen de felle zon en de harde wind. Op enig moment gaan de dennen over in grasland: daar krijgt de wind grip op ons. Om niet al te  sterkt af te koelen, trekken we dunne isolerende jackjes aan. Op de punt staat een aantal koepels van de sterrenwacht. Daarachter loopt een weg naar beneden.

Tijdens de terugtocht hebben we voortdurend zicht op het meer dat prachtig ligt te schitteren onder de zon. In het gras eten we onze middagboterham. Daarna is het nog een paar uur tot Te Kapo.

Dagboek Nieuw-Zeeland (3); Akaroa


17/01
In Hong Kong slapen we een halve dag bij in een hotel op het immense vliegveld. Dan opnieuw de gordels vast en op weg naar Christchurch op het Zuidereiland. Na aankomst zitten we een uur in de realiteit van het zondagavondprogramma Border Security: er mag niets ingevoerd worden dat de flora en fauna van NZ ook maar enigszins zou kunnen beïnvloeden. Geen kruimeltje brood mag aangetroffen worden. Thuis hebben we onze schoenen afgewassen en gepoetst. Met name de zolen zijn ontdaan van elk graszaadje en korreltje zand. Bij de douane worden onze stappers goed geïnspecteerd, waarna we de auto kunnen ophalen. Een dik uur later arriveren we in Akaroa. Het plaatsje aan een beschutte baai werd in 1840 gesticht door Franse kolonisten. Veel namen van straten, gebouwen en restaurants zijn in het Frans.

Ons B&B voor de komende drie nachten heet in stijl L’Abri. We worden hartelijk ontvangen door Jane die voor haar huis-met-gastenverblijven geen mooiere plek had kunnen wensen. Het uitzicht vanaf enige hoogte op de baai is grandioos.

Op vrijdag 18 januari beginnen we - na een lang ontbijt met twee koppels uit Leuven en Wassenaar - aan een wandeling richting Akaroa. Ingesmeerd met factor 30 en bekroond met pet en zonnehoed gaan we onderweg. Het is warm. De bloemenrijkdom is groot; het vingerhoedskruid is net uitgebloeid. Een aantal planten is ons onbekend. Het pad slingert zich langs de kronkelige vingers van het door vulkanisme gevormde schiereiland. Overal vogelgeluiden. 

Eerder hadden we bij een stalen neushoorn naar links gemoeten; de gekozen afslag Children’s Bay wordt echt een mijl op zeven waarna we langs het water richting B&B lopen. Hup de auto in en richting Akaroa waar we bij Ma Maison met smaak een vegamaaltijd verorberen. Het badplaatsje is uiterst relaxed.

Bij slagerij La Boucherie du Village doen we een deel van de inkopen voor de avondpicknick. De slager blijkt zo uit ‘Allo Allo’ weggelopen te zijn en om een frequent ‘Pardon, what do you say’ te vermijden, zetten we de conversatie verder in het Frans. 

De ingeslagen (heerlijke) witte NZ-wijn is van 2018. Boven de evenaar is de oogst van dat jaar nog niet zo ver. Dit versterkt het gevoel - het is hier 12 uur vroeger dan thuis - dat wij in een tijd leven die ‘daar’ nog moet komen. ‘We lopen voor’.

Zaterdag 19/01 gaan we na het ontbijt opnieuw de heuvel op. Dit keer slaan we bij de stalen neushoorn linksaf en volgen een prachtpad door de ‘wildernis’ richting Akaroa. Het is heet en halfbewolkt. Rond het middaguur blijkt het druk in Akaroa: veel dagjesmensen en watersporters. Onder de eerste categorie vallen ook de talloze bezoekers die rondlopen met een plastic badge. Zij komen met bootjes van een groot wit cruiseschip dat aan de overzijde afgemeerd ligt. Ondanks de drukte blijft het dorpje een rustige indruk maken. ‘Kneuterig’, zeg ik op enig moment. Ik weet dat het niet zo klinkt: toch is het als een compliment bedoeld.
Van die talrijke passanten zien we slechts twee jonge knapen roken. Die anti-reclame werkt hier, volgens Jane.

In de prachtige tuin van The Brasserie eten we een lekker middagmaal. Ik pak er een glas bier bij. De pilsvariant van Bier Cassels & Sons Christchurch smaakt prima. Dit product blijkt vrij nieuw te zijn en het is bij de barkeeper onbekend hoe het buiten de streek al bekend is. Ik zal er studie van gaan maken.
Waarna we voor we weer de heuvel opgaan, nog snel wat inslaan voor de avondpicknick. 
Bezweet komen we ‘thuis’ aan. Ik probeer een tui goed voor de lens te krijgen. Deze vogel met een mooie roep is een van NZ’s iconen. Na koffie en thee op ons terras gaan we de schaduw in: 'Zomer in Nieuw-Zeeland´; om 16.00 uur is het 31°C.

Dagboek Nieuw-Zeeland (2); ‘nie meute’

15/01 
Vijfeneenhalf uur onderweg: we vliegen boven Kazachstan. Da’s op de helft van Amsterdam - Hong Kong. En daarna is het nog ‘s elf uur richting Christchurch op het Zuidereiland van Nieuw-Zeeland. We zittend ruim, daaraan valt niks af te dingen. En gegeten hebben we ook al. Een uitgebreide film- en muziekkeuze op een scherm voor ons en ik verveel me te pletter. Slecht voorbereid? Denk het niet. Tenslotte is dit niet de eerste lange vlucht die we maken.

De reis gaat tegen de tijd in en om 15.00 uur was het buiten al donker. Iets later gingen passagiers zich klaar maken voor de nacht. Ik ook. En nu ben ik wakker en als gezegd: wat zal ik ‘ns gaan doen? Een eindje wandelen door de slaapzaal? Ik geloof dat ik daarvan zojuist gedroomd heb: zoveel knapen in hun chambrettes op een van beits glimmende zolder. Meer dan 50 jaar geleden in Huize Fatima, Zeist.

‘Nie meute, Bes’, houd ik me voor. Dit doe je voor je lol. Wat natuurlijk zo is. ‘Nie meute, meneertje ongeduld’.

Gek eigenlijk. Met het ouder worden kan ik met een toegenomen rust naar bepaalde dingen kijken. Bovendien heb ik geen bucketlist. Joke Hermsen schrijft in ‘Stil de tijd’ dat files waarvan je tevoren weet dat je daarin komt te staan, rust kunnen brengen. Meditatieve momenten worden. Files die je overkomen, zorgen voor onrust en agitatie. Eigenlijk zit ik in een zelfgekozen file, en terwijl ik me dit bedenk en deze bevinding opschrijf, ga ik me verzoenen met deze overtocht. Laat ik dit gat in de tijd beschouwen als een verstild moment waarin het gedwongen wachten me laat nadenken over ‘waarom ik me verveel’. Waarom ik vind dat ik me verveel. 

Onlangs zag ik me op de fiets thuis wegrijden. Ik was toen nog geen dertig. Halverwege de straat kwam de vreugdevolle gedachte opzetten: ‘Ik heb alles nog voor me’. Het meeste daarvan heb ik inmiddels achter me. ‘Nie meute, Bes’. Misschien verveel ik me niet en zit ik nu gewoon een ouderwets partijtje te somberen. Zo licht als toen op die fiets kan ik me nu voelen wanneer ik op een piek leef. Komt wel weer. Depri zijn, da’s een hond die bij onze poort smalend ligt te grommen. Ik heb aan dat loense beest eerder wat blogs gewijd (klik). Schurftige joekel. Op deze leeftijd dan eindelijk aan het lithium?

Inmiddels zijn we mooi een uurtje verder. Ik stel mijn horloge wel bij in Hong Kong. En daarna nog eens zoveel kilometers verder. Ik leef in de tijd. Er zijn er twee: eentje die we opgedeeld hebben in uren en zones. In Nieuw-Zeeland was het al Nieuwjaar toen ik thuis nog aan de lunch zat. ‘Stil de tijd’, schrijft Joke Hermsen. Stap uit de regerende klok en laat je meevoeren in de beleefde tijd. Eentje die je de tijd doet vergeten. ‘Ik heb alles nog voor me’; dit keer ik Nieuw-Zeeland.

De man voor me staat op om voor de zoveelste keer iets uit de bagageruimte boven hem te halen. ‘Klik’ zegt de klep. ‘Kleptomaan’, denk ik. Buiten meldt de ochtend zich aan de horizon. Voor we landen, hoor ik de naam van de 1ste piloot: Charlie Chan. Doe Maar: ‘Net als in de film’.

Dagboek Nieuw-Zeeland (1); inleiding




‘Zomer in (Nieuw-) Zeeland’

Deze winter trokken we tien weken door Nieuw-Zeeland. Ruwweg van zuid naar noord over beide hoofdeilanden. De reis maakte een grote indruk op ons. Veel van wat we zagen, deden, ondernamen heb ik vastgelegd in een dagboek. Het is geschreven met mijn bril op.

Nieuw-Zeeland is in veel opzichten een prachtig land. De natuur, de ruimte, de mensen. TravelEssence koos, in overleg met ons, de plekken die we zouden bezoeken, de B&B’s, een aantal speciale activiteiten, de vliegmaatschappij, de huurauto. Daarin heeft de organisatie een voortreffelijke hand gehad. De medewerkers hebben goed begrepen wat wij - toen nog totaal onbekend met het land - zochten. En juist dat hebben we kunnen vinden.

De B&B’s waren prima. Een aantal was meer dan bijzonder. Zonder uitzondering bleken de gastgezinnen hartelijk, open, gul, warm. ‘Gastgezinnen’, een woord dat ik met opzet kies, want binnen de kortste keren waren we bij de meeste ‘hosts’ kind aan huis. Zeker daar waar onze ‘hoek’ zich in het hoofdhuis bevond. Die bekende Spaanse uitdrukking is nooit gebruikt; wel degelijk was het ‘mi casa, su casa’. Ik vind het knap hoe gemakkelijk de B&B-eigenaren zich opstelden. Zeker in het begin moest ik de nodige schroom overwinnen om - zeker tijdens de afwezigheid van gastvrouw en/of -heer - de als vrij te betreden ruimtes ook daadwerkelijk ‘in gebruik te nemen’.

De vrouwen en mannen bij wie wij te gast waren, hebben zich bovendien zeer ingespannen om ons hun omgeving te laten leren kennen. Voor onze ‘belevenissen’ waren zij een essentiële bron. We zijn ze voor hun aandeel bijzonder dankbaar.

Met de enthousiaste verhalen van anderen in ons hoofd (merci zeker Madeleine en Leo) gingen we op pad. We reden bijna 6.000 km’s (5.923 om precies te zijn). Afgezet op de gehele periode lijkt dat niet veel. En al is de rijstijl, zoals zo veel dingen in dit land, ontspannen, de wegen zijn merendeels enkelbaans, bij tijden smal, voortdurend barstensvol bochten, klim- en daalpartijen. Echt opschieten is een illusie; moet je ook niet willen. Op tien meter na zat ik die kilometers achter het stuur. Met links van mij de co-piloot die onvermoeibaar de route aangaf. Altijd goed voorbereid, met alternatieven als het korter kon, of mooier. Steeds met als basis maps.me, waarbij met de eigen oplettendheid van mijn vrouw ook de meest verstopte B&B’s steeds gevonden werden. Merci! Ook voor het geduld met de chauffeur.

Nieuw-Zeeland (in het dagboek NZ genoemd) is een groot land. Daarvan hebben we in die tweeëneenhalve maand veel gezien. Veel ook niet. En dan heb ik in mijn verslag ook nog dingen onvermeld gelaten. Al met al zijn het (toch) de nodige pagina’s geworden. Wie er de puf voor op kan brengen, nodig ik van harte uit om ‘mee te lezen’. En/of de plaatjes te bekijken, natuurlijk.




In de betreffende periode vonden twee donkere gebeurtenissen plaats. Tegen dat wij op het Zuidereiland richting Nelson trokken, woedde in die gortdroge omgeving een grote natuurbrand. Gezinnen werden geëvacueerd en de spanning was groot in Pidgeon Valley. Zonder meer een ramp was de moordaanslag die op 15 maart in Christchurch plaats vond. Hiermee werd het gehele land geraakt: de natie verloor haar onschuld.

dinsdag 8 januari 2019

Hoe Geert door het sleutelgat begluurd wordt


Op 6 januari 2019 mocht ik in de Vughtse Lambertuskerk de jubileumexpositie van Geert de Bruijn openen. Met deze tentoonstelling (te bezoeken t/m 20 januari) markeert De Bruijn zijn 35-jarig kunstenaarschap. Tegelijkertijd verscheen de uitgave ’35 jaar met de Moedergodin’. Ter begeleiding van de daarin afgebeelde assemblages maakte Geert een keuze uit de teksten die ik eerder in blogvorm over zijn werk publiceerde.

In mijn lofrede zondag jl. voegde ik - uiteraard na een woord van welkom - aan genoemde publicatie nog drie vingerwijzingen toe. Dit drietal wil ik in evenzoveel achtereenvolgende blogs via bolduque.blogspot.com onder de aandacht brengen. De foto’s zijn gemaakt door Geert zelve. Hierbij vingerwijzing 3.

3. Wat hangt er boven je bed?
Tot besluit nog een korte wegwijzer. Wat heb je boven je bed?

Lieden die geïnterviewd worden door kranten en bladen, krijgen ter introductie vaak een kort CV mee. Daarin mag het antwoord op een van de volgende vragen niet ontbreken: Wat is je lievelingsfilm? Welk boek ligt op je nachtkastje? Wat neem je mee als je kiet in de fik vliegt? Wat heb je boven je bed hangen? De onthullingen mogen bijdragen aan de identiteitschets van de ondervraagde.

Bij het wakker worden, hoe kan het ook anders, zie ik twee werken van Geert de Bruijn: goeiemorgen. Ja, ik ben een zware gebruiker. Misschien had ik me beter bij mijn collectie postzegels kunnen houden, want die plaatjes vragen nauwelijks ruimte.

De alomaanwezigheid van zijn werk in mijn directe omgeving is gevaarloos. Eerder ‘begeleidend’ of ‘leidend’. De hangende en staande objecten zwijgen en soms spreken ze me toe. Althans dat denk ik dan natuurlijk. Met vragen. Want dat is ook hun taak, behalve ‘schoon’ te zijn in de betekenis van ‘schone kunsten’.
Dingen die mooi zijn stellen vragen. Bijvoorbeeld ‘Ben je tevreden Van den Berselaar?’ Da’s natuurlijk een dingetje en zoiets komt wel binnen, om het in tijdgebonden stijl te zeggen.

Daarom begrijp ik ook niet dat mensen maar blijven kletsen in de aanblik van iets moois. En ik kerken, kathedralen en musea al doorleuterend selfies maken. Deze oprisping tekent mij uiteraard als een oudere zeurder. Het museum als pretpark?

Zo dat heb ik gezegd. Dit kansel zou zo de loge in de Muppetshow kunnen zijn.

Een bezoek aan het werk van De Bruijn is geen visite aan een pretpark. Er wordt ietwat inspanning van je verwacht. Zeker nu De Bruijn sinds kort maatschappijkritische vragen stelt aan zijn publiek. Zo verraste hij me wat zomers terug met een nieuw thema ‘de ontmannelijking van de kerk’. En nu dan met ‘De genestelde gedachte’: is wat ik zie, wat ik zie? Moet kunst je bestaande beelden bevestigen of aan het wankelen brengen?

In ons brein barst het van genestelde gedachtes. Zo maken we inschattingen om te overleven. Of zeggen we blij dan wel teleurgesteld ‘Dit had ik van jou niet verwacht’. Niet die ander, maar de spreker heeft ervoor gezorgd dat dit verwachtingspatroon zich kon gaan nestelen. Misschien is het tijd om het eens op te schudden.

Mijn advies op deze Driekoningendag luidt: gun het jezelf om in stilte - vooral in stilte, om de monoloog met jezelf de kans te geven - voor een De Bruijn te gaan staan. Kijk kritisch naar één de genestelde gedachtes in jezelf. Bijvoorbeeld: Waarom heb ik een hekel aan gebakken lever?

Kijk en denk na. Bijvoorbeeld volgens het adagium dat de dichter-filosoof Henk van der Waal in 2012 aan zijn ‘nieuwe filosofie’ meegaf: ‘Denken op de plaats rust’. Gluur naar het werk van De Bruijn als door een sleutelgat; ga stiekem op zoek naar iets nieuws, in bewondering en … stilte. En reflecteer intens. Kijken naar een De Bruijn is een werkwoord.

Is het mogelijk om met kunst je bestaande ideeën te bevragen? Aan het wankelen te brengen? Ja. En ik meen dat de kunnen lezen in de volgende drie dichtregels uit het prijswinnende gedicht Legenda van Dorien de Wit (gepubliceerd in 2017):

In de bergen is de horizon een golvende lijn
Staand op een berg ben ik onderdeel van die lijn
Ik pak de bovenste steen op en verander de horizon’.

Aan het werk mensen. De tentoonstelling is geopend. Proficiat Geert en nog vele jaren zo doorgaan jongen. De drank wacht.

Hoe Geert het bezige Ruspje Nooitgenoeg voorbijeet


Op 6 januari 2019 mocht ik in de Vughtse Lambertuskerk de jubileumexpositie van Geert de Bruijn openen. Met deze tentoonstelling (te bezoeken t/m 20 januari) markeert De Bruijn zijn 35-jarig kunstenaarschap. Tegelijkertijd verscheen de uitgave ’35 jaar met de Moedergodin’. Ter begeleiding van de daarin afgebeelde assemblages maakte Geert een keuze uit de teksten die ik eerder in blogvorm over zijn werk publiceerde.

In mijn lofrede zondag jl. voegde ik - uiteraard na een woord van welkom - aan genoemde publicatie nog drie vingerwijzingen toe. Dit drietal wil ik in evenzoveel achtereenvolgende blogs via bolduque.blogspot.com onder de aandacht brengen. De foto’s zijn gemaakt door Geert zelve. Hierbij vingerwijzing 2.

2. Kan mijn kleinzoon van 7 dat ook?
Nee, tenzij dit kleinkind een genie is. Zo-eentje die op 8-jarige leeftijd op een extra kussen aan de vleugel gezeten, het 6de pianoconcert van Beethoven componeert.

Wat ik inmiddels van Geert begrepen heb, is dat elk kunstwerk een verhaal moet hebben. En dat ook bij de onveilige kunst geldt. Als gezegd, zit achter heel zijn oeuvre de beschermende Moedergodin. En niet het hongerige Rupsje Nooitgenoeg.

Een verhaal is de basis voor een werk. Lang heb ik gedacht dat kunstenaars in één vloeiende beweging van dat verhaal naar het eindproduct gaan: een film, marmeren beeld, gedicht, boek schilderij. Waarbij ze stiekem in hun tak van sport op zoek zijn naar een resultaat dat al het overige overbodig maakt. Zo laat Philip Roth een auteur aan het woord die de Amerikaanse roman schrijft die alle andere romans overbodig moet maken. Na dit werk is Roth tot recentelijk gewoon blijven doorwerken.

Is de motor achter elke kunstenaar de creatie van een werk dat al het andere overbodig maakt? Het sublieme? Sinds we in 2018 op tv de auteur Ben Okri aan het woord zagen, hebben Geert en ik enig besef van wat dat inhoudt. Okri beschreef hoe tijdens een bergwandeling de  natuur zoveel indruk kan maken, dat het is alsof je door een kathedraal loopt. En bijna het ‘sublieme’ kunt aanraken. Een mooie vergelijking om vandaag in dit hoge naar de hemel reikend gebedshuis uit te spreken.

Los van de drive richting het sublieme kan - m.u.v. dat zeldzaam voorkomende componerende genietje achter de vleugel - geen kunstenaar zonder aanleg, scholing, ervaring, kritiek en hard werken.
Scholing onder het kritisch oog van een ander, leidt tot resultaat. Daarom mag zangeres en jurylid Anouk best een duo zelfingenomen dilettanten uit The Voice of Holland knikkeren.

Nee, ondanks al die verworvenheden gaat het tijdens het creatieproces nog niet in één keer goed.

Ook Geert ploetert. Deze zomer hoorde ik hem in zijn buitenatelier zeggen: zo kan het ook mooi zijn. En hij draaide het onderhanden werk om. Evenwicht kent letterlijk verschillende invalshoeken. Want, zoals Geert graag citeert: ‘Voor elk afgebeeld element is maar een plek de goede plek’.

En eer je dat weet, ligt Rupsje Nooitgenoeg al jaren ver achter je.

(wordt vervolgd)