woensdag 19 augustus 2020

Kikkers

Deze tekst is op 19 augustus als column verschenen in de Bossche Omroep, rubriek 'Onder de Boschboom'.

Leren we iets van de geschiedenis? Bende gèk, jong: natuurlijk nie. Zo duiken we – om iets actueels te noemen – met de eer ste coronagolf nog vers in ons geheugen, opgewekt de tweede in. Of springen we, na een rampzalige zondag aan zee, de volgende morgen weer vrolijk de branding in terwijl de rode strandvlag wappert. Stom hè? Zo zijn wij. Volslagen blind. Of onaantastbaar.

‘Met het Theater aan de Parade gaan we dezelfde kant op’. Dat denk ik, terwijl ik deel 11 (!) in de reeks ‘Bossche miskleunen’ lees. Overigens draagt die serie in Bossche Kringen de neutralere naam ‘De strijd om de stad’. In de recente aflevering neemt de auteur me aan de hand van een deskundige gids mee voor ‘Een stadswandeling over het historische slagveld’. De titel zegt niks te veel over de getoonde pijnlijke plekken. Tja, en deze tragedie wil de huidige Bossche stadregering – in de traditie van haar voorgangers – voortzetten met de creatie een volgende gapende wond: het nieuwe Theater aan de Parade.

 

Uiteraard roepen de weinig onderbouwde veranderplannen al jaren de nodige weerstand op. Dat het huidige cultuurpaleis om aanpassingen vraagt, is nauwelijks een punt. Maar dan wel graag in de vorm van sparende ‘vernieuwbouw’. In de pas bovendien met het landelijk onderzoek over trends in het schouwburgbezoek. Daarbij rekening houdend met al aanwezige podia in onze gemeente. Volgens Marc Van Ranst, de Belgische Jaap van Dissel, kost het slechts vijf minuten politieke moed om van standpunt te veranderen en een bocht te maken.

 

Onlangs liet Henk van Beers noteren: “Plat gezegd slaat het ontwerp op dit historisch plein met historische gebouwen én de Sint-Jan als rijksmonument als een tang op een varken.’’ Niet zozeer ‘plat’ geformuleerd als wel ‘glashelder’, lijkt me. Henk is voorzitter van de Stichting ‘s-Hertogenbossche Monumentenzorg. Hij zal als oud-burgemeester van Roermond weten hoe hij zijn Bossche ‘ambtsgenoot’ voor een ‘deconfiture’ kan behoeden. Het wordt tijd dat Jack Mikkers de kikkers van zijn &W allemaal in de goede richting laat springen. Als Henks hint niet werkt, kan de stichting altijd nog voor een juridische procedure kiezen. Direct-belanghebbenden kennen deze mogelijkheid ook.

 

Zo’n protserige en massale ‘woonkamer van Den Bosch’ is niet meer van deze tijd, tenzij onze duale lokale overheid zich onder een steen in duisternis beweegt. Diezelfde overheid kan, naast de direct inhoudelijke bezwaren, evenmin de impact negeren van Covid-19 op de cultuurpost in het stadshuishoudboekje. Dan maar een ‘bupootje’? Een optreden van een buitenparlementaire oppositie? Zie jij al een massa verontruste Bosschenaren met spandoeken op Markt en Parade staan? Op 1,5 m? In de hitte? En dan ook nog verplicht met de lippen stijf op elkaar, want zoals in stadions mag niet geschreeuwd worden. Ikke nie. Vandaar deze column.

woensdag 8 juli 2020

Nieuwstraat


Deze tekst verscheen 8 juli in De Bossche Omroep als column in de rubriek 'Onder de Boschboom'.

De Nieuwstraat: achter die neutrale naam gaat een pijnlijke periode schuil uit de Bossche geschiedenis. Laten we die doorgang afsluiten. 

Zoals bekend, verovert Frederik Hendrik, prins van Oranje, graaf van Nassau, de stad op 14 september 1629. Het Spaanse garnizoen moet vertrekken, idem dito de groep mannelijke religieuzen. De kerkelijke goederen vervallen – sommige op termijn – aan de republiek i.o. Het staatse leger en de dominees blijken niet alle vrijgekomen gebouwen te kunnen vullen en leegstand dreigt. Hierop zet Den Haag heel wat paaps onroerend goed in de etalage. Uit die hofstad komt zelfs een tip voor de ‘herinrichting’. Het is de heer Nobel (nomen est omen) die in 1639 het idee oppert om een nieuwe havenpoot aan te leggen vanaf de bestaande haveningang, richting Hinthamerstraat.

Voor dit waterkwartier moeten de erven en opstallen van het Sint-Geertrui-, het Sint-Elisabeth Bloemenkamp- en het Predikherenklooster ‘aangesproken’ worden. Het stadsbestuur reageert met: ‘mooi plan, we bouwen en graven mee, helaas is er geen geld voor het verwerven van de kloosters’. Hierop melden zich twee heren als aspirant-kopers: Johan Gans, pensionaris te Den Bosch, en Frans Blom ‘koopman hier ter stede’ (om Van Heurn te citeren).

Ze zijn letterlijk kind-aan-huis bij het lokale bestuur. Bovendien kan Gans het op Haags niveau goed vinden met Cornelis Musch, griffier van de Staten-Generaal. Musch is de schoonzoon van Vadertje Jan-stap-netjes Cats, en tegelijkertijd ook zo corrupt als hij groot is.

Het duo is niet flauw. Van Sasse van Ysselt heeft acht pagina’s nodig voor een opsomming van het door Johan & Frans aangekochte ‘zwart goed’. (Een benaming die overigens in België verwijst naar de door de Franse republikeinen genaaste kerkelijke bezittingen. Het is bekend dat de opkopers daarvan de deur voor hun hellevaart op een kier zetten.)

Gans en Blom hoeven zich geenszins bezwaard te voelen, want zij hebben een missie: de herontwikkeling van het oude Bolduque. Ze geven in korte tijd Den Bosch een ‘nieuw’ aanzien. Zo verdwijnt het Predikherenklooster met grote ijver onder de slopershamer, waarbij volgens ooggetuigen zelfs resten van opgegraven doden in de Binnendieze gekieperd worden. Twee nieuwe doorsteken verrijken de stad: de Nieuwstraat en de Tweede Nieuwstraat, die later St.-Jozefstraat gaat heten. De geplande haven komt er niet.

Met de gebouwen verdwijnt de herinnering uit het collectieve geheugen. Dat geheugen is – in de ogen van nu – ‘gewassen’. Niet uitzonderlijk want nieuwe heersers maakten en maken nog steeds korte metten met veroverd religieus erfgoed. 

Misschien is het oud zeer. Zit ik soms stiekem te wachten op een excuus voor wat hier en in Staats-Brabant vernield is in naam van Oranje? Mocht daaraan een fikse som duiten vastzitten, dan kan de stadskas ‘opveren’ in deze tijden van culturele krimp.


vrijdag 22 mei 2020

Ballen

Deze tekst verscheen 20 mei in De Bossche Omroep als column in de rubriek 'Onder de Boschboom'.

Geachte Huib van Olden,

Best wel ‘sund’ dat je grote Bossche ‘Droompaleis aan de Parade’ er nog niet staat. Daarin hadden we vandaag moeiteloos op 1,5 m van elkaar kunnen zitten. Die preventieve afstand is beslist overbodig tegen de tijd dat jij als trotse projectwethouder het lint doorknipt. Het bevrijdende vaccin dat nu nog ontbreekt, is dan inmiddels ingeburgerd. En toch komt je tent - behalve rond carnaval - niet vol.

In december 2015 verscheen ‘Over het voetlicht’, een onderzoek van het gezaghebbende CBS. In de tekst valt te lezen hoe je in de nabije toekomst publiek naar het toneel trekt. Zo blijkt dat de nieuwe generatie Nederlandse theaterfans niet zit te wachten op meer van hetzelfde. Bijna tegelijkertijd zei het toenmalige ondernemersduo Verlinde-Van den Ende op tv dat grote producties echt niet naar de provincie zullen komen. Omvangrijke voorzieningen in kleine steden – Den Bosch incluis – zijn overbodig. Na een valse start in 2016 met een bouwvoornemen voor twee mikt de lokale politiek met jou anno 2020 op een joekel met drie zalen. De oproep tot herbezinning die De Bossche Groenen onlangs naar de gemeenteraad stuurde, ging zonder aarzeling richting versnipperaar. Dankzij de weke knieën van coalitie en oppositie hou jij als projectleider standvastig vol. Ook al zet de coronacrisis het huishoudboekje van de stad onder druk, het gebouw moet er komen. Tot Nut van het Algemeen, of uit angst voor persoonlijk gezichtsverlies?

Diezelfde coronacrisis legt het menselijk tekort bloot. Het ego kan bij het afval. Bescheidenheid is aan zet. Nederigheid. Ook bij de verantwoordelijke bestuurders aan wie het niet ongemerkt voorbij kan gaan dat veel burgers in de puree zitten. De Duitse schrijver Hans Magnus Enzensberger publiceerde in 1990 ‘Helden van de terugtocht’. Daarin beschreef hij hoe leidende vrouwen en mannen het lef lieten zien om terug te komen op eerdere beslissingen. Hoe ze afscheid durfden te nemen van hun overtuiging om daarmee te breken met hun verleden. Enkele klassieke voorbeelden in Enzenbergers relaas zijn Gorbatsjov, De Klerk en Mandela. Namen die jou beslist veel zeggen.

Huib, als ik je mag helpen: sla genoemd verhaal erop na. Terugkomen op je voornemen zal je sieren. De herbouw van het Theater aan de Parade kan duurzamer en bescheidener. Dit alles in afstemming met de Verkadefabriek, de potentie van de Tramkade, de mogelijkheden van 1931, die van Perron 3, de Azijnfabriek, Artemis, Babel e.v.a. Je zult erom geprezen worden als ‘de vent die terugkeerde op zijn schreden’. Als ‘de man met ballen’. De kerel die bovendien gemeenschapsgeld vrijspeelde voor inwoners van de gemeente bij wie het water echt tot de lippen reikte. Huib, wat let je?


woensdag 29 april 2020

Lak



Het leven stelt ons slechts één vraag. En die is niet mis: ‘Waartoe zijn wij op aarde?’ Wie zoals ik een verleden met de catechismus kent, herinnert zich een pasklaar antwoord: ‘Om God te dienen en daardoor hier en hiernamaals gelukkig te zijn’. Gegarandeerde zekerheid alom. Zekerheid alom. Deo gratias.

Op een dag verdween samen met God de garantie op een onbekommerd bestaan. ‘Onbekommerd’ in die zin dat alles wat wij als gelovigen op aarde ondernamen, in dienst stond van het hogere doel: de eeuwige zaligheid die de Heer ons in het vooruitzicht stelde. Ook de tegenslagen in het leven leidden daartoe. Op het doodsprentje van de oudste bij ons thuis, die als peuter stierf, schreven mijn ouders: ‘God gaf hem ons, God nam hem ons, Gods name zij geprezen’.
Kom daar nu maar eens om.

In het goddeloze tijdperk dat volgde, veroverden de Boeddhabeelden de tuinen, werden de dijken tegen het water steeds weer op deltahoogte-plus gebracht en verschenen er elk jaar weer nieuwe glasheldere verzekeringen tegen allerlei kwaad van buitenaf. Tot voor kort heette ‘geluk’ zomaar ‘een keuze’ en ‘afdwingbaar’ te zijn. In een maakbare wereld kon dat. In diezelfde wereld was er toch ook nog ruimte voor het vermoede bestaan van een vaag ‘iets’: een soortement hogere macht en het geloof daarin baarde de schitterende slogan ‘toeval bestaat niet’. Hoop doet leven.

Met de komst van Covid-19 nam het lot revanche op al onze glasheldere zekerheden en op de hardnekkige ontkenning van het toeval. Dat laatste blijkt wel degelijk te bestaan. Het slaat genadeloos toe. Navrant hierbij is dat in Nederland het grootste menselijke leed, met het hoogste aantal doden en zieken, het zuiden van ons land treft. Carnaval wordt genoemd als stuwende verspreidingsbron. Carnaval, een feest met een katholiek verleden. Carnaval: in ‘normale’ tijden een ode aan het onbekommerde bestaan.

En nu zitten we dan thuis. Althans: zo heet dat. Het toeval wilde onlangs dat mijn vrouw en ik eerst de lockdown in Spanje meemaakten en vervolgens die in Frankrijk. Het derde lege land op onze terugreis naar Nederland was België. En toen we 21 maart Brabant binnenreden, bleek ‘iedereen’ buiten te zijn. Druk op de snelweg, druk op de fiets- en wandelpaden.

Hoe dan ook: wij Nederlanders zijn de laatste tijd meer thuis dan voorheen. Niet iedereen, want boa’s en politiemensen hebben het erg druk om mensen op hun plaats te wijzen. Waarschijnlijk zijn dat de coronablockers, waarvan we er volgens een enquête zeker 2 miljoen hebben. Daaronder bevinden zich volgens hetzelfde onderzoek veel mensen die werkzaam zijn binnen de financiële dienstverlening. Echt verbazingwekkend. 

Vandaag, 28 april, protesteerden een paar honderd betweters in Den Haag tegen de huidige beperkende maatregelen. ‘Leven gaat voor dood’, stond er op de spandoeken. Intelligent gezien, want eerst is er leven, dan volgt de dood. Ongetwijfeld wordt bedoeld dat het ze geen bal interesseert of er iemand aan Covid-19 sterft. Zoals sommige Holocaustontkenners naar Auschwitz-Birkenau gestuurd worden, mag dat clubje nitwits een voetreis door Uden en Meierijstad opgelegd krijgen. De vergelijking is niet proportioneel wat leed en slachtoffers betreft: de overeenkomst is het ook door de Binnenhofschreeuwers gedemonstreerde lak aan de waardigheid van de mens.

Welk leven gaat voor de dood? Vertier, afleiding, vermaak? Ieder zoekt een grond voor zijn daden. Naar mijn overtuiging gaat die ‘grond’ verder dan cafébezoek, festivaltrance, pretparken of twee uur in de file voor een aardbeienautomaat. Leuk allemaal. Maar lekker is maar ene vinger lang. Geluk zit ‘m in andere zaken. Mogelijk eerder in weggeven dan in ontvangen. Het is niet voor niks dat de laatste jaren vrijwilligers oranjelintjes opgespeld krijgen. En dat nu zorgmedewerkers eindelijk gewaardeerd gaan worden. Waartoe zijn wij op aarde? Om ook de ander vooruit te helpen. En daardoor hier gelukkig te zijn.

woensdag 22 april 2020

Levante Almeriense (6); Cabo de Gata

Graag kijk ik naar ‘First dates’. Hier in Spanje volgen we het programma op de tablet via ‘Uitzending gemist’. Mijn voorkeur krijgt de Engelse versie vanwege haar intelligente komische karakter. Daarentegen vormt de Nederlandse een uitstekende bron om te zien wat ‘in’ is. Bijvoorbeeld op taalgebied. Daar blijkt ‘oké’ in plaats van ‘ja’ nog steeds oké. Zegt kandidaat A. bij het voorstelrondje tegen B. ‘Ik ben vier jaar gescheiden en ik zie mijn kinderen nooit’. Waarop B. empathisch reageert met ‘oké’. Wie verwacht dat A. woedend het bestek weggooit en brult: ‘Oké oké, da’s gvd helemaal niet oké maar kut’, verwacht te veel. Oké is goed.

Of deze. B.: ‘Ik zoek iemand die zo helemaal zichzelf is’. A.: ‘Ik leid niet aan het meervoudige persoonlijkheidssyndroom’. Ook nog niet als respons kunnen noteren. Uiteraard bedoelt B.: ‘Ik zoek iemand die niet-ideale trekken gewoon nu durft te tonen’. 

Waarom ik op 17 januari juist hieraan denk op weg naar het natuurpark Cabo de Gata valt niet moeilijk te raden. Na de afslag op de Autovía del Mediterranéo naderen we al snel Campohermoso. In tegenstelling tot de naam valt er niets fraais te ontdekken aan dit gebied. Het is een zee van kassen, waarbij tijdens de bouw niet gekeken is op een hectare plastic meer of minder. Het lichtglooiende landschap deint blikkerend in de zon. In het plaatsje zelf lijken de seizoenarbeiders niet te wonen in zogenoemde ‘migrantenhotels’; voorzieningen waarover in Nederland zo vaak discussie ontstaat. De gezinnen hier moeten het doen met onderkomens die aaneengeregen met een mooi Frans klinkend woord een ‘bidonville’ vormen.

Dat begrip leerde ik in 1965 toen ik met familie langs een krottenwijk kwam in Casablanca. Niks ‘wit huis’, net zomin als Campohermoso nu een ‘aantrekkelijk gebied’ is. De term ‘bidonville’ verwijst naar blikken vaten die ‘opengevouwen’ zijn tot platen. In deze Spaanse stad zijn de krochten van metaal, hout en veel plastic. De bewoners komen veelal uit Roemenië, Marokko en de landen bezuiden de evenaar. Moderne slavernij.

Het oorspronkelijke Campohermoso is het product van een wet uit 1939, gericht op de ontwikkeling van achtergebleven gebieden voor de producten uit land- en tuinbouw. In een omgeving als deze is geen plek voor fratsen. De seizoenarbeiders kennen geen luxe. En zeker niet om zich de knellende vraag te stellen of ze wel dicht bij zichzelf blijven. 

Even verderop wordt het beeld uit de reisgidsen weer opgepakt. De ontnuchtering ebt weg. Cabo de Gata wordt in alle beschrijvingen aangeprezen als een mooi en beschermd gebied. Vandaag zullen we er een klein stukje van leren kennen. De zacht glooiende halfwoestijn voert naar de kust. We arriveren in het zonnige en nu zeer rustige minidorpje Las Negras. Een plaatje. In de kleine supermarkt doen hippies hun inkopen, stappen vervolgens in een vlet en varen naar het moeilijk bereikbare ‘historische’ San Pedro. Ik laat me fotograferen bij het strand onder het bord met de tekst die uitnodigt ‘om me hier te kussen’. Las Negras hebben we snel gezien: hier overwinteren lijkt klimatologisch aantrekkelijk; wij zouden er na een week gillend wegrennen. Zoveel rust hoeft nou ook weer niet.

Om Campohermoso niet meer te hoeven zien, volgen we na de lunch de smalle en slingerende kustweg langs Agua Amarga. Op een aantal punten herinneren torens en karkassen van gebouwen aan de voorbije mijnbouwactiviteiten. Bij de parkeerplaats van het Mirador de la Playa de los Muertos genieten we van het prachtige uitzicht op de kustlijn. 

Eenmaal Carboneras voorbij, naderen we Mojácar Playa. Voor de langgerekte bebouwing begint, domineert het Castillo de Macenas het kleine strand. We zullen in deze hoek nog een aantal keren terugkomen.

De versterking is qua architectuur de evenknie van het exemplaar dat we eerder 20 km meer naar het noorden in Villaricos zagen. In beide exemplaren huist een dependance van het VVV. Althans in de zomermaanden. 

zaterdag 18 april 2020

Levante Almeriense (5); 1568


In de voormalige Spaanse Lage Landen zal het jaartal 1568 direct de relatie leggen met het begin van de Tachtigjarige Oorlog. In hetzelfde jaar kreeg Filips II te maken met een tweede opstand binnen zijn rijk. Die was van korte duur: in 1571 werd de muitende partij verslagen en begon de deportatie van de dwarsliggers. Een aantal 'moriscos' werd ook tot slaaf gemaakt en verkocht binnen Spanje.

Met de val in 1492 van Granada - en daarmee van het laatste Arabische rijk op het Iberisch Schiereiland - werd de Reconquista afgerond. De positie van overwonnen mohammedanen veranderende door bijvoorbeeld de opdracht om katholiek te worden. Ze werden tweederangsburgers en uiteindelijk leidde hun ongenoegen over deze behandeling in het voormalige ‘Rijk van Granada’ tot een gewelddadige uitbarsting. De strijd staat nu bekend als La Rebelión de las Alpujarras. In de historiebeschrijving van menig wit dorpje dat wij bezoeken, wordt deze opstand vermeld. Ook zijn er bijna overal andere verwijzingen naar het Arabische verleden. Soms wat verborgen, zoals de aanwezigheid van een bron in Bédar met Arabisch opschrift. Dan weer meer in het oog lopend, zoals de Arabische baden in de palmenstad Elche (Valencia). En een beeldhouwwerk in dezelfde plaats dat verbonden is de in Spanje populaire festiviteit ’Moros y Cristianos’.

Overigens bestaat er inmiddels de nodige interne kritiek op de term ‘reconquista’, een begrip dat pas tijden na de afronding van de oorlogshandelingen ingevoerd werd. Eerder zou sprake zijn van een ‘conquista’, een verovering, dan van een herovering. De vorsten uit het autonome Navarra, Castilië, Léon etc. waren niet uit op de restauratie van het voormalige Visigotische rijk dat het schiereiland omspande. Het katholieke geloof terugbrengen werd uiteraard ook aangehaald als motief voor het streven naar machtsuitbreiding.     

Filips II zette de politiek voort van zijn voorgangers: ieder over wie hij regeerde moest katholiek zijn en blijven. De deportatie van de moslims ging door en de ongehoorzame aanhangers van de gereformeerde stroming konden op straf rekenen. De verbanning - vaak naar het huidige Marokko - van de mohammedanen werd begin 17de eeuw voltooid.

Toch zijn er anno nu personen die vinden dat daarmee de Reconquista nog niet ten einde is. Dit geluid is populair binnen een nieuwe politieke partij: Vox. Na de dood van dictator Franco in 1975 kende de Spaanse politiek decennialang twee richtingen: links (PSOE) en rechts (PP). Inmiddels zijn er meer wegen die naar Rome leiden en sindsdien wordt het steeds moeilijker om een werkbare regeringscoalitie te vormen.

Vox is rechtser dan de Partido Popular (PP), en met een fikse score tijdens de laatste nationale verkiezingen is deze zeer conservatieve club inmiddels een machtsblok van betekenis is geworden op regionaal en landelijk gebied. Het gezin moet weer de hoeksteen der samenleving worden en allerlei ‘afwijkingen’ zijn taboe: abortus, huwelijken tussen personen van hetzelfde geslacht, niet-katholieke overtuigingen.

Een belangrijke vent binnen Vox is Francisco Javier Ortega Smith-Molina, de tweede man van die partij. Martiaal franquist tot op het bot. Ben benieuwd welke rol hij speelt bij de lokale uitvoering van ‘Moros y Cristianos’.

Als op 2 januari 2020 Granada de inname van de stad in 1492 herdenkt, staat hij met zijn ‘reconquista’-ideeën vooraan. Met zo’n achternaam die naar Spaanse, Engelse en Italiaanse wortels verwijst, lijkt het me een zware opgave voor de Argentijns-Spaanse drager hiervan om vol te houden ‘dat hij van alle vreemde smetten vrij’ is. Iets dat speelt bij meer xenofobe politici.





woensdag 15 april 2020

Levante Almeriense (4); Bédar


Andalusië is rijk aan zogeheten ‘pueblos blancos’. Ze vormen een ‘must’ voor toeristen. We hebben er inmiddels de nodige bezocht. In het meer westelijk gelegen Sahara de la Sierra hebben we 14 jaar geleden een tijdje in een afgelegen ‘casa rural’ mogen verblijven. We waren de enige bewoners: ’s morgens verse eieren rapen, na het ontbijt de bergen in, om tijdens de lome hitte van de namiddag de schaduw op te zoeken aan en in de snelstromende beek.

Na afloop van onze paradijselijke week legden we de sleutel in het hokje waarin we hem bij aankomst volgens aanwijzing gevonden hadden. En zoveel tijd later op weg naar Mojácar hadden we onlangs eenzelfde ervaring bij het veel grotere ‘casa rural’ in Guadassuar (Valencia), de plek van waaruit we enkele dagen het waterrijke Parque Natural Albufera bezochten. Daarover misschien later.

Uiteraard zijn die witte dorpjes ook rijkelijk aanwezig in de provincie Almería. Een daarvan is Bédar, en daar slenteren we doorheen op zondagmiddag 5 januari. Elke foto die je maakt, ziet eruit als een plaatje in een reisbrochure: witte samenklonterende pittoreske huisjes die afsteken tegen een strakblauwe lucht en overal bloeiende klimplanten. In het perfecte plaatje herinnert een waarschuwingsbord aan het huiselijk geweld waarvan - met name in Andalusië - elk jaar veel vrouwen (dodelijk) slachtoffer worden.  

We bewegen ons - zoals mijn vrouw opmerkt - als de gewenste ideale reiziger uit Ilja Pfeiffers ‘Hotel Europa’: tijdens het volgen van de route ‘Los rincones de Bédar’ komen we niemand tegen. We lijken de unieke toerist die de ervaring met niemand hoeft te delen.
Dit hoger gelegen stadje is prachtig: schilderachtig, goed onderhouden, met een magnifiek uitzicht op de Middellandse Zee. ‘Het balkon van Oost-Almería’, las ik in een Spaanse beschrijving. 

Het is dus ongemeen rustig op deze zonnige dag. In Mojácar Pueblo liepen meer toeristen rond, toen wij daar op 25 december jl. waren. Hier zijn ze nu niet. Het oogt ook authentieker; iets dat wij ook proberen te vinden. 
Tegelijkertijd is ook in Bédar is, zoals in een aantal andere kleine oude plaatsjes, de oorspronkelijke Spaanse bevolking een minderheid geworden. De buitenlanders die er neergestreken zijn - hoofdzakelijk Britten - hebben die dorpjes behoed voor leegstand of totaal verval. De opgeknapte huizen zien er pico bello uit. De lokale politiek heeft de tekenen des tijds begrepen en nieuwkomers een stem gegeven bij de verkiezingen. Afhankelijk van hun wettelijke de status kunnen inwijkelingen op een kandidatenlijst komen of als ‘meepratend vertegenwoordiger’ een rol gaan spelen. 

Veel van die nieuwe bewoners - wat misprijzend ‘guiris’ genoemd - blijken in deze tijd de feestdagen door te brengen in het land van herkomst. Dit zal bijdragen aan de rust.

Na vandaag zullen we het stadje nog tweemaal bezoeken. Ook dan komen we geen hond tegen, met uitzondering van een podenco die ons tijdens de tweede wandeling tot aan de Stationsstraat nieuwsgierig zal volgen.

Stationsstraat? Liep hier in dit verlaten oord ooit een trein dan? Onvoorstelbaar. Later, tegen de tijd dat de amandelbomen in volle bloei staan en we hier voor de derde keer komen, kennen we het antwoord op die vraag.

Zo ver is het nog niet als we na onze rondwandeling langs een goede en smalle slingerweg naar Serena rijden. Een gehucht met 40 inwoners, niet ver van Bédar. Als snel is duidelijk dat ook in deze afgelegen worp huizen zich de nodige buitenlanders gevestigd hebben. 

Er staat een bordje dat de weg naar een Boeddhaklooster aangeeft. De oude moskee weten we zonder aanwijzing te vinden na een tocht te voet langs de eerste bloeiende amandelbomen.
Het gebouw werd begin 16de eeuw een katholieke kerk. Vervolgens kwam er een olijfolieperserij in en nu is het een ruïne. Het complex is door een particulier te koop gezet voor €85.000. De nieuwe eigenaar is wel gehouden aan een restauratieverplichting. De stilte is intens.

Voor wie zou deze plek aan het eind van de wereld voldoende aantrekkingskracht kunnen uitoefenen om het kavalje naar behoren op te knappen?