maandag 13 april 2020

Levante Almeriense (1); dubbelkoppige adelaar

Vanwege de desastreuze werking van het virus Covid-19 werd tijdens laatste dagen van onze overwintering in de Levante Almeriense (Andalusië) de noodtoestand uitgeroepen. De week die onze terugreis door Spanje en Frankrijk in beslag nam, kleurt tot op dit moment mijn herinnering in sterkere mate dan de reeks vermeldenswaardige zaken uit het kwartaal daarvoor. De huidige situatie maakt (weer eens) duidelijk is, hoe het lot kan ingrijpen op iets dat onschuldig en eindeloos lijkt. In de voorgaande serie van acht blogs 'Mojácar - Den Bosch' gaf ik aan dat ik de 'memorabele' indrukken die we opdeden vóór Corona, niet wil laten overschaduwen. Mijn dagboekaantekeningen over die periode liggen nu naast mijn toetsenbord.

In een lange aanloop die op 8 december 2019 in Den Bosch begint, pauzedagen kent bij familie in Chalabre (Frankrijk) en in ‘El huerto del Médico' (Guadassuar, provincie Valencia) rijden we op 15 december de gemeente Mojácar binnen. De komende drie maanden zullen we doorbrengen in de Levante Alemeriense, het oostelijke deel van de provincie Almería.

Volgens afspraak ontmoeten we om 12.00 uur M. en haar man bij het appartement dat we van haar voor de winter gehuurd hebben. Het is onderdeel van een complex dat deel uitmaakt van Mojácar Playa, een langgerekt zomervakantiedorp. Nu kun je er een kanon afschieten. In de periode juni - september zal ook dit deel van de Costa de Almería veel badgasten trekken. Snel blijkt dat we in deze periode de levendigheid moeten zoeken in het havenstadje Garrucha dat op loopafstand ligt.

Echte hoogbouw is hier niet. Toen we onderweg Benidorm passeerden, was dat anders. Het naamgevende Mojácar zelf ligt, evenals het naburige Vera, wat kilometers het binnenland in om vanaf een flinke hoogte de zee in de gaten te houden. In 1492 viel het laatste Moorse rijk op het Iberisch Schiereiland, dat van Granada. In de eeuwen daarna zouden uit Noord-Afrika piraten de kusten van dit Zuid-Europese deel bezoeken met weinig vredige bedoelingen. Je kon ze maar beter van verre zien aankomen om vervolgens rap de verdediging in stelling te brengen. In Mojácar Pueblo is, net zoals we later zullen zien in Vera Pueblo, de kerk opgetrokken als een fort. 

De piratennesten in het Noord-Afrikaanse Beberije blijken lang een plaag voor Europese handelsnaties. De rovers worden uiteindelijk ook zelf aangevallen. Zelfs Michiel de Ruyter zou daarbij betrokken zijn geweest. ‘I-hin een ‘blauwgeruite kiel’ zoals het lied bezingt? 

Daarmee blijven de schepen uit Noord-Afrika nog niet definitief weg. Toen we zes jaar geleden een aantal weken in Águilas verbleven - hier zo’n 60 km noordelijker - bezochten we een fort waarin zo’n beetje constant militairen gelegerd werden na de herbevolking van dat stadje onder Filips IV. Tot diep in de 18de eeuw wordt aan het Castillo de San Juan de Águilas gesleuteld. Eerder was de plek verlaten omdat de bewoners genoeg hadden van de plunderingen. De bezetting van het fort moest de kust bewaken tussen Vera en Mazarrón. 

Het plaatsje Mojácar bezit ook een oude versterkte plek, nu bekend als het ‘castillo’. Het voormalige Arabische Alcázar is herkenbaar in het hoogste punt van het dit witte stadje dat we op de middag van de Eerste Kerstdag bezoeken. Een verhaal vooraf over ‘een-en-al-souvenirwinkeltjes’ herkennen we niet. Als ‘een van Spanjes mooiste plekjes’ is het de aandacht voor de toeristische belangstelling niet uit de weg gegaan. Misschien hangt het hier zomers met de benen buiten; nu is het rusting. Aangenaam rustig, terwijl het blikkert in de lekkere zon. 

Zo’n 2000 voor Christus - in de Bronstijd - wordt de heuvel voor het eerst bewoond. Vervolgens komt zo’n beetje alles wat rond de Middellandse Zee woont, voorbij. Feniciërs, Carthagers, Grieken, Romeinen, Arabieren en uiteindelijk ‘Spanjaarden’. De Griekse naam Murgis-Akra wordt achtereenvolgens Moxacar, Muxacra, Mojácar. Aan de voet van Mojácar Pueblo strekt zich nu het lange bebouwde lint van Mojácar Playa uit. Ook in dit stille seizoen lijkt heel Europa hier in personenauto’s langs te komen. De nummerborden geven de landen van herkomst aan. Spanje staat uiteraard op één. Verder zijn Duitsland, Groot-Brittannië, Frankrijk en België goed vertegenwoordigd. Er zijn ook Nederlanders. En een enkeling uit Roemenië, Hongarije, Estland, Finland, Zweden en Noorwegen. 

Na een lange reeks overwinteringen op het eiland Tenerife (en vorig jaar een in Nieuw-Zeeland), wordt dit verblijf in deze ‘koude’ periode op Spanjes vasteland een nieuwe ervaring voor ons. Bovendien hebben we dit stuk aan de zuidoostkust bij eerdere rondreizen in dit land stelselmatig overgeslagen. Waarschijnlijk omdat er weinig aanknopingspunten te vinden zijn voor het onderzoek dat me sinds 2002 bezighoudt: de connectie tussen het voormalige hertogdom Brabant en het Iberisch Schiereiland in de periode 1450-1648. Wat me in elk geval meteen opvalt, is de Habsburgse dubbelkoppige adelaar in het wapen van Mojácar. Die vogel staat ook op de houten ombouw van het puthuis op de Bossche Markt; de connectie is gemaakt.

(wordt vervolgd)



Geen opmerkingen:

Een reactie posten