dinsdag 30 september 2014

Malta (1); geelzucht

Één stap buiten het vliegtuig slaat de hitte onmiddellijk toe. De eerste gedachte is dat het toestel zelf deze warmte uitstraalt; tenslotte hangt een straalmotor vlak voor ons. Niet dus. 20 stappen later biedt de hal verkoeling: buiten heerst de sirocco, de wind uit de woestijn die Malta in de dagen rond 23 september tijdelijk in een sauna verandert.

Wij rijden met de bus richting Xemxija, een plaatsje in het noordwesten aan St. Paul's Bay. Het lijkt alsof we voortdurend door een verstedelijkt gebied gaan: waar de ene gemeente ophoudt, begint direct de volgende. Gele bebouwing overheerst, opgetrokken uit de lokale kalkzandsteen. 'Alsof we op een zomerse dag door de buitenwijken van Edinburgh rijden', denk ik. De Britse aanwezigheid van zo’n 150 jaar op dit eiland is goed zichtbaar.

Het is druk: Malta staat op de tiende plaats in de wereldlijst van dichtstbevolkte landen. Op het landkaartje blijkt de vesting van Valletta te verzinken in een agglomeratie van formaat. Het verkeer op de smalle, kronkelige wegen is navenant: te veel voor dit netwerk. 

De jongedame en ik zoeken onderweg naar typische Mediterrane trekken. De talrijke kleine barretjes en winkeltjes uit Italië (dat hier dichtbij ligt), Frankrijk en Spanje – alle drie landen die hier ooit de baas warren – kunnen we niet ontdekken in het straatbeeld. De uitbundige aanwezigheid van bijvoorbeeld bloeiende bougainville en oleander ontbreekt. Het leven lijkt naar binnengeklapt. Mijn voorlopige diagnose luidt: geelzucht.

Eindelijk in het open veld: geaccidenteerd terrein met terrasbouw. Op lage heuvelkammen opnieuw non-descripte bebouwing. Er is nauwelijks groen te bekennen. Stoffig. Als er al vee is, staat dat binnen. Later horen we dat het al zes maanden niet geregend heeft.

We passeren Buġibba, net zoals Xemxija onderdeel van de gemeente St. Paul’s Bay, dan wel in het Maltees San Pawl il-Baħar  Aan de rotsige zeezijde doet het plaatsje leuk aan. Spetterend wordt het nergens, is mijn indruk. Aan de overkant ligt Xemxija. Ik vraag me af waar de mensen hun dagelijkse inkopen doen.

Als de rolkoffertjes in studio 110 van het hotel staan, drinken we wat op een drijvend plateau aan de baai waar volgens de overlevering de apostel Paulus schipbreuk leed. Malta, waar de Europese en Arabische wereld elkaar raken. De eerste kennismaking heeft me wat afwachtend gemaakt. Ik ben benieuwd naar de komende dagen.

zaterdag 20 september 2014

Sint & Smurfpiet

Moest vandeweek best wel lachen om die krampachtige Roetpiet. Een nieuw bedacht wit hulpje van de Sint, met op zijn/haar blanke smoeltje donkere vegen van al dat claustrofobische geklauter door de schoorsteen. Een bleekscheet die geen roetmop is! Daarentegen wel iets tussen die twee verboden woorden in: een schetige roetpiet.

Ooit lieten Puk & Muk zich vergezellen door Moortje. Misschien was die verwant aan Moriaantje; ook al zo zwart als roet. En blankvel Arendsoog had een roodhuid als vriend: Witte Veder. Kuifje ontmoette in Afrika een krompratende bevolking 'Dat schip Sneeuwwitje heet, en Kuifje en Bobby hier brengt'. Dat alles ligt - als politiek incorrect - ver achter ons.

Opmerkelijk dat ik aan onze zwarte Pieterman moet denken in dit witte dorpje. Een smetteloos wit Duits dorpje, met de prachtige naam Bad Fredeburg. Een Kurort. Doet het ook geweldig op een ansichtkaart, met al dat goed onderhouden 'Fachwerk'. Schilderachtig, hoewel veel van wat hier staat na '45 opnieuw opgebouwd moest worden. Barstensvol 'nach alter Tradition', met diensters in klederdracht en oude mannen in typische groene jasjes.

Goedheiligman loopt tussen deze historisch uitgedoste lieden niet rond. Gelukkig zijn er andere zaken die dit land tot op het bot verdelen: de 'Weißwurst-Linie' om wat te noemen. De bondsrepubliek heeft als bekend een geschiedenis waarbij veel vraagtekens te plaatsen zijn, maar het hoofdstuk van Pietermanknecht ontbreekt in het boek.

Ik zal eens navragen hoe het hier met Karl May’s reisavonturen vergaan is. Kan best meevallen, want in mijn herinnering was de auteur vóór de belangen der oorspronkelijke bewoners van Amerika. In mijn stukgelezen exemplaar van ‘Winnetou, het opperhoofd der Apachen’ staat bijvoorbeeld op pagina 87: 'Het lijkt u zeker wel vreemd, een Duitscher, die Apache is geworden?' 

Aan onze kant van de grens bestaan er dus plannen om Sint z'n knecht op te bleken. Met als lichtend voorbeeld kindervriend Michael J. Bovendien wordt ie/ze ontkroesd, van de blinkende oorbellen ontdaan, terwijl ook het rood op de lippen zowat verdwijnt. Er komen ook roodharige mutaties. En blauwe: de Smurfpiet.

Roetpiet: hoe krijg je het bedacht? Sterker nog: hoe krijg je het ingevoerd? Zal wel een kwestie van wennen zijn. Zoals Nederland – met name op papier - met enige oefening ook de volgende overstappen heeft leren maken. Gekkenhuis werd psychiatrisch ziekenhuis, blind visueel gehandicapt, gevangenis justitiële inrichting, schoongemaakt gecuretteerd.

'Nederland wordt steeds schoner', staat op de milieufolder. Wie weet raakt ook Zwarte Piet bijgezet in het onbeschaafde verleden van Nederland. De strijd is nog niet beslist.


zondag 7 september 2014

Kant

Deze tekst verscheen als column bij de rubriek 'Onder De Boschboom' in de Bossche Omroep van 7 september.

Op 5 en 6 september 1944 – nu dus 70 jaar geleden – ontruimden de Duitsers Konzentrationslager Herzogenbusch. In de 20 maanden dat ‘Kamp Vught’ in gebruik was, zaten daar 32.000 mannen, vrouwen en kinderen langer of korter gevangen. Zeker 749 stierven er; velen werden op transport gesteld, op weg naar een zekere dood. Nu houdt een klein deel van het oorspronkelijke terrein de herinnering vast aan die gruwelijke tijd. Een paar keer per week passeer ik de drie wachttorens en het prikkeldraad. Rennend. ‘Ik loop aan de goede kant’, denk ik dan.

Die gedachte heeft in de jaren een dubbele lading gekregen. Eerst ervoer ik met name de blijdschap om het feit dat ik me hier vrij kan bewegen. Later kwam ook de vraag wat toentertijd landgenoten aanvoerden als reden om aan de andere kant van de afrastering te gaan werken. Aan de ‘verkeerde’ kant.

Ik kan meer dan zeven decennia na dato niet in hun hoofden kruipen. Bovendien kent de discussie over ‘goed’ en ‘fout’ de nodige valkuilen. In haar proefschrift ‘Mensen, macht en mentaliteiten achter prikkeldraad’ (2011) draagt Marieke Meeuwenoord motieven aan voor de keuze van Nederlanders om (in Vught) als bewaker aan de slag te willen. Twee zaken springen eruit: het ging om een relatief goed betaalde baan met bijkomende materiële voordelen. Brood op de plank. Daarnaast was er ‘de overtuiging voor de nationaalsocialistische zaak’. Bij de meeste kandidaten streden opportunisme en overtuiging om voorrang. ‘Opportunisten’ met een gezin blijken, omdat ze geen of een klein inkomen hadden, vaak al eerder voor de Duitsers gewerkt te hebben. Vervelend genoeg bracht deze inzet hen dikwijls ver van huis. Een baan in Nederland maakte de hereniging met partner en kinderen mogelijk. Voilà. Voor jongemannen gold een combinatie van geld, avontuur, ‘weg van thuis’. Niet alleen politieke overtuiging leidde dus tot deze vorm van collaboratie.

Kandidaten die goedgekeurd werden, kregen een opleiding. Deze vond plaats in onder meer de Bossche Willem I-kazerne en het Kamp Vught. Na afloop waren ze SS’ers, leden van een gevreesde categorie. Anders dan ik verwacht had, blijkt uit het onderzoek van Meeuwenoord dat de jongere kandidaten slechts in een enkel geval uit NSB-gezinnen kwamen. NSB’ers, een verachte categorie.

‘Ik loop aan de goede kant’, terwijl ik kijk naar barak 13B. In mijn jeugd wisten ze precies welke Nederlanders aan de verkeerde kant gestaan hadden. De verhalen daarover van mijn ouders en hun leeftijdsgenoten waren scherpe kiekjes in zwart-wit. De bewakers van Kamp Vught zijn vervolgd. Met hen heb ik geen mededogen als ik twee keer per week langs wachttorens en prikkeldaad ren. Het feit dat ik kennelijk aan de goede kant loop, is overigens niet mijn verdienste: ik ben nooit voor de vraag gesteld om te kiezen in oorlogstijd.

Deze week verscheen van Marieke Meeuwenoord ‘Het hele leven is hier een wereld op zichzelf’. Een publieksboek met als ondertitel ‘De geschiedenis van het Kamp Vught’.


woensdag 3 september 2014

Kijken (3); Albrecht Dürer

Albrecht Dürer, een alleskunner. Schilderen, tekenen, het maken van gravures en houtsneden: hij beheerste het allemaal. Met misschien nog met een kwartvoet in de gotiek en daarnaast een topper uit de Renaissance. Zó begaafd. Ongevraagd werd hij eind zestiger jaren een van mijn drie wegwijzers bij het leren kijken naar kunst.

Dürer (1471-1528), tijdgenoot van Bosch (ca. 1450-1516). Net zoals bij Giotto vroeg ik me af waarom Albrecht al tot een ander tijdperk behoorde terwijl Jheronimus nog werkte in de stijl der Vlaamse Primitieven of ‘Oudnederlandse Schilders’. Was het omdat de Duitser Italië ontdekt had waar het al volop Renaissance was? Wie naar het werk van Dürer kijkt, weet dat de suggesties rond een mogelijk verblijf van Bosch in Venetië of Florence elke grond missen.

Van de houtsneden was en ben ik nog het meest onder de indruk. Zijn ‘neushoorn’ groeide uit tot een icoon. Uren kun je kijken naar het beest - dat hij overigens zelf nooit in levenden lijve zag - uitgevoerd tot in de kleinste details.

Boeiend vind ik de exemplaren waarin hij kunstenaars-aan-het werk in beeld brengt. Schilders achter hun ezel. En de man die een model probeert vast te leggen, zwoegend op de ‘verkorting’: een zeer moeilijk perspectief. De Italiaan Andrea Mantegna (1431-1506), door Dürer sterk bewonderd, had deze techniek onder de knie. Toen ik op een mistige decemberdag tijdens een tentoonstelling in Mantua zijn ‘Bewening van Christus’ zag, begreep ik hoezeer Albrecht tegen hem opgezien moet hebben.

Indrukwekkend is Dürers houtsnede van de vier apocalyptische ruiters.

Veel opwekkender dan de afbeelding van dit kwartet zijn de schilderijen. Uiteraard zijn zelfportret (1498) als jongeman, en Adam & Eva (1507). Zijn weergave van een jonge haas (gouache 1506) is en wordt nog steeds ter versiering gebruikt op van alles en nog wat. Erger nog is het lot van zijn tekening ‘(biddende) handen’: van kunst tot kitsch, 1-, 2- en 3-dimensionaal.

Albrecht Dürer heeft mij geleerd naar het detail en de werking van het perspectief te kijken. Inmiddels heb ik een deel van zijn oeuvre mogen zien dat verspreid is geraakt over verschillende (met name) Europese musea. Elk keer opnieuw een vreugdevolle gebeurtenis.

Kijken (1): http://bolduque.blogspot.nl/2014/08/kijken-1-rousseau-de-douanebeambte.html
Kijken (2): http://bolduque.blogspot.nl/2014/08/kijken-2-giotto-di-bondone.html

zaterdag 30 augustus 2014

Zin in

Er valt nauwelijks aan te ontkomen: taaltrends. Nu hebben we dan de afsluiter 'zin in'.

Die taalvlagen zijn op de sociale media gemakkelijk vast te stellen. Neem bijvoorbeeld de berichtjes op Facebook. Deze zijn kort en noodgedwongen dus vaak in telegramstijl. De auteurs drukken zich uit in snel herkenbaar taalgebruik, doorspekt met populaire termen. Oké, absoluut, genieten, super, komt helemaal goed. En nu 'zin in'.

Die laatste - ook wel 'heb ik zin in' - vormt een uitroepteken achter de boodschap. Bijvoorbeeld: 'Op weg naar Uitmarkt A'dam. Zin in'. Hoezo 'zin in'? Lijkt me vanzelfsprekend, anders ga je niet. Waarom dan toch opgeschreven?

Zo'n taalbubbel maakt ook elke nuancering onmogelijk. 'Zin in' kan op niks anders wijzen dan enthousiasme voor de zaak. Tegenzin is onmogelijk: 'Op weg naar familiedag. Zin in'. Echt waar? 

Onderstrepen dat je zin hebt in wat gaat komen, past bij 'genieten'. Nog zo'n allesreiniger. Veelvoorkomend in de vorm van een reactie op een boodschap-plus-selfie als  'Met Eefje op terrasje in Maastricht. High tea. Wit wijntje. Zin in'. Dan komt uit de volgers de aanmoediging: 'Genieten'. Of 'Genietuh...' En als de varianten op zijn, is er nog 'Enjoy'.

Zo. Nu dit nog even posten en dan lekker hardlopen-op-zondag met maatje Paul. Helemaal zin in! 

donderdag 28 augustus 2014

Kijken (2); Giotto di Bondone

Ongetwijfeld was het een afbeelding in Gombrichs ‘Eeuwige Schoonheid’ die mij in 1967 liet kennismaken met het werk van Giotto di Bondone (1266/67-1337). Ik was 19 en had net mijn eerste verblijf in Italië achter de rug. Een aangename cultuurshock.

Een geografische laars als één groot openluchtmuseum waarvan ik in die weken nog maar een klein gedeelte gezien had. Op het moment dat ik de fresco’s van Giotto op papier zag, ontstond de wens zijn werk in het echt te zien.

Die kans kwam in 1969 later toen mijn zwager van Bergamo naar Padua reed. Terwijl hij ‘zaken deed’, bezochten wij de kerk van Antonius van Padua, het (oude) universiteitsgebouw, Donatello’s ruiterstandbeeld van generaal Gattamelata.

De Cappella degli Scrovegni waar Giotto fresco’s had aangebracht, was wat moeilijker te vinden. En toen we d’r waren, bleek het gebouw gesloten. Uiteindelijk spoorden we iemand op die de sleutel had en ons voor even binnenliet. In het schaarse licht ontvouwde zich voor mij een moment van ongekende vreugde en schoonheid: dit was de schatkamer waar ik naar uitgezien had. Wat een land. Met nog zoveel te ontdekken.

Hoe was het mogelijk dat op 1000 km van Den Bosch deze werken konden ontstaan terwijl mijn eigen stad in die eeuwen nog niet meer was dan een paar moeilijk te verdedigen hectaren houten huizen? Jarenlang heeft die vraag me bezig gehouden. Giotto had het geheim van de smid al ontdekt.

Dat wil zeggen: op het platte vlak. Ver weg kijken, moest nog ontdekt worden. Ook zonder de aandacht voor het perspectief werd deze Florentijn voor mij de meester van de fresco’s, zoals Donatello dat was voor de beeldhouwkunst. De kleurrijke afbeeldingen groeiden uit tot mijn maatstaf voor alle vergelijkbare werken die ik later zou gaan zien. Groots in de compositie van het geheel, groots in de aandacht voor het detail. Gemaakt met een weergaloze techniek. Deze man - volgens de 'verhalen' als knaap nog herder - was één van de drie kunstenaars die me leerden kijken.

Was het mazzel die ons op die dag in 1969 naar het halfduister van die kapel bracht waar we eenvoudigweg op eigen houtje een poos konden rondkijken? Inmiddels is de Cappella degli Scrovegni een streng bewaakt kunstfort geworden. Eenvoudig te vinden, moeilijk om te betreden. Via internet zijn de kaartjes vooraf te bestellen.




dinsdag 26 augustus 2014

Kijken (1); Rousseau de Douanebeambte

Het werk van drie schilders heeft richting gegeven aan de manier waarop ik naar kunst kijk. Tijdens de legendarische zomer van 1969 kocht ik van dit trio - Giotto di Bondone, Albrecht Dürer en Henri Rousseau - in Bergamo het ‘complete werk’, uitgegeven door Rizzoli. De dag na die aankoop liepen Neil Armstrong en Buzz Aldrin als eerste Amerikanen op de maan. Deze imponerende gebeurtenis volgde ik op de stikhete late avond van de 21ste juli via een tv-uitzending van de Rai. Daarvoor was ik toch maar uit mijn slaapkamer gekomen waar ik de eerder gekochte boeken (1.000 lire per stuk) met moeite in de steek had gelaten.

Op de kaft van ‘Rousseau il Doganiere’ staan vier sportende mannen. Ze spelen rugby, een in Frankrijk populaire activiteit. Van dit als hard bekend staande spel is weinig aanwezig. De man links lijkt tevergeefs een peut te geven richting de kerel die de ovale bal gooit. Blijheid. Vrolijke kerels.

Ze zijn wel mismaakt. In één oogopslag wordt duidelijk dat dit kwartet met een opmerkelijke fysiek is opgezadeld. Ze zijn wel erg vreemd in elkaar gestoken: van de verhoudingen klopt weinig. Het modeltekenen heeft Henri niet onder de knie.

De vraag is of dat erg is. Ik vind van wel. Rousseau is een anatomische prutser. Het gebrek aan academische achtergrond wreekt zich.

Het zij hem vergeven. Als één van de twee; samen met Grandma Moses. Bij dit duo trek ik de grens. Hun gebrek aan klassieke vaktechniek wordt overstegen door de gave van de illusie. En die stelt - om bij Henri Rousseau te blijven - deze late roeping in staat tot de creatie van een wereld die fascineert. Die de kijker meeneemt naar verre oorden. Naar een wereld achter de horizon.

Rousseau (1844-1910) was een fantast. Hij werd 'le Douanier' genoemd ter onderscheiding van de befaamde filosoof Jean-Jacques. Henri zou als soldaat gevochten hebben in Mexico. In feite was hij een kruimeldief die zijn schuld aan de gemeenschap afkocht door in dienst te gaan. Zonder overigens ooit de Atlantische Oceaan over te steken. Á la bonheur: hij heeft ons een kleurrijke droomwereld achtergelaten. Vormgegeven in een reeks werken rond - om een Vlaams afstudeeronderzoek aan te halen - het ‘paradijsthema’

Henri Rousseau creëerde na zijn veertigste een gewenste wereld. Een bijbelse omgeving, waarin de wolf en het lam samen wonen, de panter zich neervlijt naast het bokje, het kalf en de leeuw samen weiden. 

En wat ik heb geleerd van Rousseau? De waardering voor de ongebreidelde verbeelding. De man kwam niet verder dan zijn bureau. Gelukkig bezat hij een grenzeloze fantasie en deze bracht hem overal: hij las tijdschriften.

Zoals bij veel artiesten kreeg hij de echte waardering pas na zijn dood. Postuum. Een klassiek gegeven.