zaterdag 29 april 2017

Een bocht in de rivier (3); Lappendeken

Aan ‘A bend in the river’ (1979) van V.S. Naipaul (gelezen in 1983) heb ik de titel ontleend voor een aantal samenhangende blogs waarin Toledo en Madrid een rol spelen. De korte teksten vormen een ‘spin-off’, zoals dat zo mooi heet, van een studie ter voorbereiding van een lezing die ik in mei houd. Daarin kan een aantal dingen slechts als franje aan bod komen. Juist die zaken, waaronder verwijzingen naar ‘Arabisch Spanje’, krijgen ruimte in deze teksten op internet.

Toledo is een oude stad in een bocht van de Taag. De Romeinen zaten er. Toen hun heerschappij oploste, kwamen er nieuwe heersers uit het hoge noorden: de Visigoten. Zonder massaal over het schiereiland uit te zwermen, werden ze er wel de baas. Het christendom dat zij aanhingen, bleef zo goed en zo kwaad als dat mogelijk was, gehandhaafd onder de Arabieren die in 711 optrokken van Gibraltar tot de Pyreneeën. Na een lange strijd werd in 1492 het laatste restje kalifaat opnieuw Spaans. De sporen van die lappendeken zijn in Toledo nog steeds overduidelijk aanwezig, zoals ik hiervoor aangaf. Het feit dat er een periode was waarin christenen, joden en mohammedanen de stad deelden, lijkt te suggereren dat toen iets lukte, wat nu moeizaam gaat of onmogelijk lijkt. Alsof integratie toen wel succesvol was. Zoals vaak bij de vertaling van het verleden naar onze tijd, lijkt ook hier zich de valkuil van ‘Hineininterpretierung’ te openen. Op zijn minst was toentertijd ‘co-existentie’ mogelijk doordat de verschillende groepen in van elkaar gescheiden wijken woonden.

Diezelfde valkuil ligt ook te wachten wanneer het streven van Isabella I van Castilië om Spanje weer Spaans te maken, supernationalistisch genoemd wordt. Een soort ‘Spain first’; Trump avant la lettre. Ze trok geen muur op, wel besloot ze tot het wegzenden der joden (1492) en maakte ze een begin met de ‘repatriëring’ van (onwillige) moslims. Eind 1568 werd een grote groep mohammedanen uit Granada e.o. ingekwartierd binnen de muren van Toledo. Ze moesten aan het werk bij en voor de inwoners om ‘ledigheid’ te voorkomen. Het gebruik van de eigen taal werd verboden en hun feesten werden met argusogen bekeken. Deze en andere maatregelen waren er op gericht de afstand tot de verdachte cultuur te vergroten om daarmee de acceptatie van de katholieke levenswijze dichterbij te brengen. Al snel waren er meer dan 6.000 nieuwkomers; een deel werd buiten de stad gehuisvest. Veel mannen kwamen terecht in de ‘bouwvak’; wie op het platteland een plek kreeg, ging werken in de land- en tuinbouw.
Deze assimiliatiepolitiek bleek niet zaligmakend. Toen de laatste mohammedanen in de periode 1609-1613/14 het schiereiland moesten verlaten, bleef in bepaalde streken het land lang onbebouwd en was er een tekort aan handwerkslieden.

Nog voor sprake was van bovengenoemde ‘heropvoeding’ functioneerde Toledo geruime tijd als koningsstad van Spanje i.o. Karel V vestigde er zijn hof, wat de nodige consequenties had. De infrastructuur verbeterde, de kwaliteit van producten en diensten groeide, het inwoneraantal nam toe tot 50.000. Vanuit de bovenlaag gingen er opdrachten naar kunstenaars in en om de stad. Tegelijkertijd was er ook sprake van overbevolking: één slechte oogst en er was sprake van hongersnood. In die tijd speelde in Brabant hetzelfde rond de steden Brussel, Leuven, Antwerpen en Den Bosch. Een grote bevolkingsdruk leidde ook tot hogere prijzen, onveiligheid en kans op epidemieën. Uit deze welvarende en toch kwetsbare stad verplaatste Filips II het hof in 1561 naar Madrid, waarmee de groei langzaam aan uit Toledo verdween.

16 jaar na het vertrek van de koning arriveerde Domenikos Theotokopoulos in de stad aan de Taag. ‘El Greco’, die er zou uitgroeien tot een van Spanjes bekendste schilders uit die tijd. Hij kreeg veel voor elkaar, met uitzondering van één ding: nooit ontving hij de gewenste benoeming tot hofschilder. Het schijnt dat Filips II weinig zag in de kunstopvatting van de Griek en de voorkeur gaf aan Jheronimus Bosch en Titiaan. Deze en nog veel meer informatie is te vinden in het Toledaanse ‘Museo del Greco’. Daarin wordt ook verteld dat dit gebouw niet het voormalige woonhuis van de schilder is, want dat bestaat niet meer. Wel stond die woning in de buurt van de plek waar de bezoeker zich nu bevindt. Ook, of met name buiten het museum is op verschillende plaatsen in de stad werk van El Greco te vinden. Zoals 'El entierro del Conde de Orgaz' in de Iglesia de Santo Tomé.

Verschillende deskundigen hebben geprobeerd te verklaren hoe deze kunstenaar tot zijn ‘wat uitgerekte’ personen is gekomen. De vingers en de nekken zijn te lang, evenals de armen en de benen. Al zijn figuren zouden tot de categorie der leptosomen behoren. De enige verklaring die me bij is gebleven, luidt dat hij met een oogafwijking geboren zou zijn. Wie weet.

woensdag 26 april 2017

In de bocht van de rivier (2); Hoefijzerboog

Vrij snel na hun oversteek in 711 vanuit Noord-Afrika namen de troepen van Tarik Ibn Zijad het Iberisch Schiereiland in. Toledo kwam in 712 onder Arabische invloed en bleef dat tot de ‘herovering’ (reconquista) in 1085. Twee driekwart eeuw onder een oosters regime zette blijvend een stempel op de stad, zoals ik in de voorgaande blog aangaf. Wie nu door het centrum loopt, hoeft weinig moeite te doen om in deze centraal gelegen vesting de ‘buitenissige’ kenmerken te zien.

Dé plek om de lange geschiedenis van Toledo te betrappen, is het Alcázar, de oude burcht. Wie nu dit imposante gebouw betreedt, kijkt letterlijk een glazen wand terug in de tijd. Deze van oudsher versterkte plaats herbergt nu o.m. het 'Museo del Ejército' (Legermuseum) en onderweg naar de ingang overbruggen de bezoekers een gracht waarin de geschiedenis in lagen opgestapeld ligt. Onder de voeten bevinden zich: prehistorie, Romeinse periode, Visigotisch tijdperk. Arabische aanwezigheid, Moderne Tijd. Het gebouw dat onderdak biedt aan het museum is in de loopt der eeuwen regelmatig beschadigd en hersteld na het nodige strijdgewoel. De laatste keer na de beschietingen tijdens de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939). Het zal niet onopgemerkt blijven dat de imposante constructie naar stijl overeenkomsten vertoont met het Escorial, het voormalige paleis nabij Madrid van Filips II.

Wie de eerste foto bekijkt, ziet een veelvormig Toledo. Rechts het vierkante silhouet van het Alcázar, in het midden een hoog oprijzende gotische kerktoren en links een mediterraan ensemble. Zó zag ik Toledo toen ik voor de eerste keer naar deze stad keek vanaf een hoogte aan de andere zijde van de Taag. Eerlijk gezegd vanachter een glas koude witte wijn op het terras van ons hotel waar we zojuist met de auto vanuit Madrid aangekomen waren. Het beeld verwarde me enigszins. Met name die gotische piek kon ik daar niet plaatsen. Sinds die eerste keer in 2007 ben ik er een handvol keer teruggekomen en snap ik de ‘architectonische’ samenhang op dit plaatje wat beter.

Toeristen bezoeken het binnenland van Andalusië om daar de nalatenschap van zoveel eeuwen Moorse heerschappij te bekijken. Zo valt In Córdoba binnen de prachtig gelegen Torre Calahorra te zien en te beluisteren hoe in die stad jarenlang vertegenwoordigers van de verschillende geloofsrichtingen konden samenleven. Latere gebeurtenissen maakten dit onmogelijk, waardoor de niet tot het katholicisme bekeerde joden in 1492 werden weggezonden, en de volhardende laatste moslims in de periode 1609-1613/14 moesten verdwijnen.

Wie als bezoeker niet naar het zuiden van Spanje wil reizen, kan zich zonder veel fantasie voorstellen hoe die multiculturele samenleving er in Toledo uitgezien heeft. Om te beginnen is er de Arabische stadsmuur waarin vooral de poorten opvallen. Overigens zou de karakteristieke Moorse ‘hoefijzerboog’ door de Arabische bouwmeesters overgenomen zijn van de overwonnen Visigoten. Binnen de omwalling bevonden zich zeker tien moskeeën. De huidige ‘Mezquita Cristo de la Luz’ (hierboven afgebeeld) is de 'aangepaste' katholieke voortzetting van het voormalige Mohammedaanse gebedshuis ‘Bab al Mardum’.

Ook enkele later tot stand gekomen parochiekerken dragen duidelijk Arabische trekken. Toen die gebouwd werden, gebeurde dat door ontwerpers, steenhouwers, metselaars en andere ambachtslui die hun vak geleerd hadden onder de oude meesters. Die stijl staat te boek als de ‘estilo mudéjar’, zoals te zien is op de interieurfoto van de 'Iglesia de San Román' (nu museum).

Het joodse stempel is aanwezig in de oude ‘judería’ (joodse wijk) en de voormalige synagogen ‘Del Tránsito’ en ‘Santa María la Blanca’. 

In die oosterse omgeving kregen de bouwwerken van de nieuwe katholieke orde hun plaats. Iconen daarvoor werden het fort, het Alcázar en de kathedraal. De vier zware hoektorens van de versterking worden gerekend tot de ‘torres flamencas’, de ‘Vlaamse’ torens. In 1548 begon Filips II - toen nog als kroonprins - aan een lange studiereis die hem ook door de Spaanse Nederlanden (Países Bajos Españoles) voerde. Hij raakte er in het huidige Belgische gedeelte onder de indruk van de torens die hij daar zag. Die ontmoeting leidde later tot de import van deze vormgeving op het zuidelijke schiereiland.

Sterker nog is de noordelijke invloed af te lezen aan de kathedraal. Die is opgetrokken in de stijl die vanuit Noord-Frankrijk ook in onze streken de architectuur van imposante gebedshuizen ging bepalen: de gotiek. Deze werd tijdens het bewind van Isabella I van Castilië (1451-1504) zo populair, dat binnen de architectuur, schilder- en beeldhouwkunst de ‘estilo gótico hispano-flamenco’ ontstond. De aanwezigheid van honderden architecten, schilders, beeldhouwers en andere ambachtslieden uit de Lage Landen op Spaans grondgebied én de import van goederen uit het noorden (vaak via Antwerpen) lagen aan de basis van deze Spaans-‘Vlaamse’ gotische stijl. Bossche families droegen hieraan bij, waaronder Los Bolduque (de familie Van den Bosch, beeldhouwers/houtsnijders, werkzaam in en vanuit Medina de Rioseco) en beeldhouwer/houtsnijder Roque de Balduque (Rochus van den Bosch, werkzaam in en vanuit Sevilla).

Sinds een aantal jaren bevindt zich in het Alcázar, in de uiterste hoek rechts na binnenkomst, een opstelling die direct verwijst naar de kapel van Empel en daarmee naar het Wonder van Empel in 1585. Na de nipte overwinning in dat jaar van de Spanjaarden op de opstandelingen, werd Maria Onbevlekte Ontvangenis in stappen de patrones van de Spaanse Infanterie. De ‘Academía de Infantería de Toledo’ bevindt zich tegenover het Museum, precies aan de overkant van de Taag. Het is traditie geworden dat in die kazerne/opleiding op 8 december een afvaardiging uit Empel de feestdag van Maria Inmaculada bijwoont. Drie keer heb ik deze bijzondere bijeenkomst bij mogen wonen. Daarvan heb ik elders op deze blogspot meermaals verslag gedaan. Buiten dit, is een visite aan het Alcázar meer dan de moeite waard; zeker voor een bezoek aan de afdeling die handelt over de Guerras de Flandes, de strijd die wij kennen als de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) of onder de nieuwere benaming De Opstand.

dinsdag 25 april 2017

Geert aan de triptiek

Hoe gaat het verder met De Bruijns 'Theotokos rules the matrix' (werktitel)? Dat was de vraag die mijn voorgaande blog afsloot. Genoemd schilderij is een van de eerste werken waarmee of waarin de kunstenaar de traditioneel masculiene katholieke kerk wil 'ontmannelijken'. Dat daarbij de Bossche St.-Janskathedraal een rol speelt, lijkt bijna voor de hand te liggen.

Tijdens mijn bezoek op maandag 24 april aan zijn atelier in Vught zie ik dat eerdergenoemde 'doek' er nog ongewijzigd bij staat. Wel blijkt er hard gewerkt te zijn aan twee nieuwe drieluiken. Een daarvan staat al in de 'grondverf', om die beeldspraak in deze context te gebruiken.

Het drie- en veelluik was in de 15de en 16de eeuw een veelgekozen vorm voor het weergeven van religieuze voorstellingen. Veelal ging daarvoor alleen de schilder aan het werk. Bekend uit die tijd zijn nog steeds Hans Memlings 'Het laatste Oordeel' en 'De aanbidding van het Lam Gods', gemaakt door de gebroeders Van Eyck. Uiteraard hoort ook Bosch’ ‘Tuin der Lusten’ in deze topnotering thuis. Daarnaast zijn er talloze 'cross-overs', waarvan heel wat stuks in serieproductie, door vaak anonieme schilders en houtsnijders vervaardigd. Antwerpen, Mechelen en Brussel waren in die tijd goed voor duizenden van dit soort altaarstukken die hun weg vonden door heel Europa. Het voor Nederland (vanwege de Beeldenstorm) unieke Passieretabel (Antwerpen ca. 1500) uit de Bossche St.-Jan is daarvan een voorbeeld.

In Geerts nog naamloze triptiek komt de plattegrond van de Bossche kathedraal terug in de beide zijpanelen. Het middenpaneel lijkt gedomineerd te gaan worden door iets anders. Hoe krijgt de 'ontmannelijking' van het religieuze instituut vorm in dit werk? De Bruijn: 'Door de vrouw midden in de kerk te plaatsen'.

Werken van kunstenaars komen dikwijls voor de eerste keer ‘buiten’ wanneer ze in een galerie of vergelijkbare plek voor het publiek te zien zijn. Ze zijn dan af: rijp om genoten te worden door anderen. Minder gebruikelijk is het om buitenstaanders al tijdens het wordingsproces mee te laten kijken.

Voor liefhebbers van literatuur kan het een choquerende ervaring zijn wanneer zij het oorspronkelijke manuscript van een gewaardeerd boek uit het tijdperk van pen en papier zien. Zeker wanneer de bladen waarmee de zetter aan het werk ging, vol blijken te staan met doorhalingen, verbeteringen, aanvullingen. ‘Had dat niet in één keer goed gekund dan?’ Nee dus. Waarom zou dat ook?

Overigens is het ambacht van kunstenaar net zo romantisch als dat van een manager. Of verkoper van hypotheken. Door ons nu mee te laten kijken op deze pagina, prikt Geert de mythe door van de hokuspokus waarmee de ontstaansgeschiedenis van boek, schilderij of muziekstuk omgeven kan worden.

Triptieken vonden vaak hun weg naar kerken en kloosters. Het lijkt me een bijna revolutionaire gedachte om de triptiek die op dit moment vorm krijgt in Vught, op enig moment in een katholiek gebedshuis te zien hangen. Reëler lijkt me een plek in de Lambertus, kerk van de protestantse gemeente in Vught, als onderdeel van een volgende expositie op die plek van Geert de Bruijns werk.

vrijdag 21 april 2017

In de bocht van de rivier (1); Taaie wortels

Op dit moment werk ik aan een lezing (voor in mei). Daarin komen onderwerpen ter sprake uit de geschiedenis van Toledo en Madrid. In de tijd waarnaar mijn verhaal teruggaat, was Madrid een dorp met weinig historie en Toledo een stad die al in de Romeinse tijd furore maakte. Voor bezoekers annex liefhebbers van ‘ouwe meuk’ is de keuze niet moeilijk.

In 711 stak een ‘Arabische’ troepenmacht - aangevoerd door Tarik Ibn Zijad - vanuit Noord-Afrika het water over dat nu De straat van Gibraltar heet. In die tijd lagen op het schiereiland twee Visigotische vorsten met elkaar overhoop en eentje daarvan zou hulptroepen ingeroepen hebben aan de andere kant van de zee-engte. Die helpers kwamen en veroverden en passant voor eigen rekening in zeer korte tijd heel het Iberisch Schiereiland. Bijna dan, want één noordelijk puntje bleef ‘vrij’. Voorlopig waren ze niet van plan weg te gaan. Sterker nog: ze gingen de Pyreneeën over, marcheerden verder, tot Karel Martel ze in 732 (733) bij Poitiers versloeg. Daarna trokken de overlevenden zich weer achter de bergen terug.

De ‘veroveraars’ staan in Spaanse en Nederlandse bronnen bekend onder verschillende benamingen: Arabieren, moslims, muzelmannen, mohammedanen, islamieten, moren; een en ander afhankelijk van een in de tijd wisselend perspectief. De overlopen bewoners van het schiereiland begonnen al snel met de ‘herovering’ (reconquista) van hun land en het was een lokale Visigotische vorst, koning Palayo van Asturië die in 722 de slag bij Covadonga won. Daarmee werd die gebeurtenis een soort Heiligerlee in de Spaanse vaderlandse geschiedenis. Daarna vorderde de reconquista zeer langzaam, tot in 1492 (het jaar van Columbus) de stad Granada als laatste Arabisch bolwerk viel.

De kleine vesting die nu Madrid heet, werd in 1083 heroverd. Dezelfde Alfonso VI de León y Castilla die dat lukte, trok twee jaar later het grote Toledo binnen. Die stad was eerder de Visigotische hoofdstad geweest. Gelegen in een bocht van de Taag en zwaar ommuurd bovendien, was de inname geen sinecure.

De rijke plaats telde op dat moment een tiental moskeeën. De grootste daarvan werd meteen in gebruik genomen als katholieke kerk. Er zijn bouwkundige aanwijzingen dat dit geannexeerde gebedshuis overeenkwam met de huidige mezquita van Córdoba. In 1227 werd gestart met de werkzaamheden die in 1493 leidden tot de vervanging van de voormalige moskee door een gotische kathedraal naar Noord-Frans model. De laatste generatie bouwmeesters kwam uit Brussel.

Alfonso VI trof in 1085 een aantal opmerkelijke zaken aan. Niet alleen was er in Toledo sprake van een duidelijke Arabische architectuur, ook het van origine Spaanse deel van de bevolking had een en ander van de overheersende cultuur overgenomen. Velen gebruikten het Arabisch als voertaal. Wie de eigen moedertaal nog wel beheerste, bleek na eeuwen 'isolement' een zeer ouderwets ‘Spaans’ te spreken. De bevrijders troffen landgenoten aan die vreemden bleken. Bovendien hingen ze een christelijk geloof aan, waarin de tijd had stilgestaan. De impact van eeuwen onder Arabisch bestuur bleek immens groot.

Toen Spanje in 1492 eindelijk weer helemaal Spaans was, moest dat volgens de zogenoemde 'Katholieke Koningen' ook écht Spaans worden in geloof, taal, mode, kunst, gebruiken. En aansluiting vinden bij andere Europese landen. Deze 'nationalistische' koers vergrootte de druk op de nog aanwezige moslims om katholiek te worden. Tussen 1609 en 1613/14 werden de laatste volhardende 'mudéjares' het land uitgezet. Eerder al (1492) moesten de niet ‘bekeerde’ joden verdwijnen.

Toledo heeft zeker in de architectuur nog steeds oosterse trekken. In tegenstelling tot op Malta spreken de bewoners er geen Arabisch (dialect) meer. Die taal had in Toledo taaie wortels onder de 'mozárabes' (de van oorsprong christelijke Visigoten). Het gebruik werd in 1580 verboden. Tot op de dag van vandaag is er nog wel ruimte voor katholieke kerkdiensten volgens oude Visigotische rite.

dinsdag 18 april 2017

Passie met Pasen

Op zolder ligt mijn herbarium. Gemaakt in 1966-1967. Geen flauw idee of docenten biologie hun leerlingen in 2017 nog tot zoiets opdracht geven. Of langs een andere weg kennis bijbrengen van de alledaagse flora. Is het van belang om te weten wat er vandaag in de berm bloeit?

Sommige planten waren (toen al) niet alledaags. Het gestippeld zonneroosje, bijvoorbeeld. Dat was zzz: zéér zeldzaam. Ik zou het nu niet meer in mijn hoofd halen dit gelige ding te plukken. Net zo min als de gevlekte orchis (hoewel die sinds 1 januari jl. niet langer wettelijk beschermd is) of de blauwzwarte rapunzel. Daarvan maak ik een foto voor op Facebook. Misschien dat iemand zegt: 'Verhip, de blauwe guichelheil!'

Vanmorgen wandelde ik in de buurt van de Kruisstraat, een voor planten interessant gebied. Een buurtschap op de rand van Maasklei en Brabants dekzand, twee verschillende werelden. Net zo verschillend, dacht ik, als afgelopen Pasen en het feest in de tijd dat ik tussen oude kranten egelboterbloem en rolklaver droogde. Inmiddels vier ik Pasen niet meer. Ook niet met een brunch, die volgens NU.nl op deze christelijke feestdag ingeburgerd is. Uiteraard ken ik het lijdensverhaal, want de school hield meer in dan wilde bloemen plukken. En daarnaast was er een katholiek thuis in een katholieke stad.

Die wereld is veranderd en ik ben ook anders over dingen gaan denken. 'Waarschijnlijk kan religie mensen het snelt mobiliseren’, zegt Souleymane Bachir Diagne, hoogleraar filosofie aan Columbia University. ‘Religie raakt de mensen, maar daardoor kan die ook snel aanleiding geven tot geweld’. In de schaduw daarvan stelt de PVV vragen over Pasen Light'. Want ook deze in religieus afgeroomde tweedaagse versie van Christus lijden, dood en opstanding hoort tot onze cultuur.

Tegelijkertijd stelt noch Wilders, noch n’importe welke politicus dan ook vragen over 'The Passion'. Dat fenomeen is van oorsprong niet hier uitgevonden, net zo min als de hamburger, bbq, Valentijn en Halloween. Ik ben blij dat die trektocht - dit jaar in Leeuwarden - niet 'De Passie' is genoemd door de organiserende partijen KRO/NCRV en EO: naar inhoud en vormgeving is de overeenkomst met het oorspronkelijke lijdensverhaal flinterdun. En daarmee is deze versie 2.0 nauwelijks te verdedigen als verschijnsel dat een gewaardeerd cultureel verschijnsel voorzet, in leven houdt, beschermt. Kitsch tot de n-de macht. 'Tussen kitsch en nep'. 

De discussie over het begrip 'cultuur' is gemarginaliseerd tot 'Blut und Boden', om die beladen formulering te gebruiken. ‘Hoort niet in Nederland thuis’. Wie zich druk maakt over de relatie cultuur en kwaliteit is een softie. Blij was ik afgelopen lang weekend met twee publicaties die mij sterkten in mijn opvatting dat over smaak en kwaliteit wel degelijk gediscussieerd mag, dan wel moet worden. Populair is dat niet ('Ja, dat is jóuw mening'.). Om te beginnen was er in de NRC zaterdag een illustratie van Siegfried Woldhek, waaronder hij in een korte tekst aangaf 'dat het moeilijk is iets te bedenken wat meer nep is dan The Passion'. En maandag las ik een opmerking van filosoof Coen Simon in zijn nieuwste boek 'Oordeel zelf'. Op pag. 58 noemt hij 'het muzikale Bijbelevenement' op Witte Donderdag 'het failliet van het geloof'.

The Passion, en ik zeg het met de nodige passie, is meer nog dan het bankroet van het geloof. Het is het failliet van het geloof in kwaliteit. Is het van belang te weten welke haan in het grasveld voor de christelijke omroepgebouwen drie keer heeft staan kraaien?

zaterdag 15 april 2017

Dubbel cenotaaf


Dit (hier links) is een jonge De Bruijn. Niet de maker: zijn werk. In zwart, wit en wat daar tussenin zit. Precies de tinten die ik het beste zie. Albrecht Dϋrer - heel wat anders natuurlijk - daarbij werd ik ook bij de eerste blik enthousiast: zwart en wit, etsen en houtsneden. Toen was ik nog niet gekeurd voor militaire dienst, anders had ik al geweten dat kleurenblind was voor de rood-groensector. Het kan erger.

Dit werk (in gemengde technieken uitgevoerd) is van 1986 en de geur van houtskool en met een blaaspijpje aangebracht fixeer is nauwelijks verleden tijd. De Akademie is niet ver weg. Dit tafereel sprak me meteen aan, want zwart op wit leidt niet af. Zo’n jaar of tien voor het jaar van ontstaan, was ik lid van ‘De Filmclub’. In zwart en wit gestoken jonge mensen zagen op speciale avonden door mijn oud-docent klassieke talen gehuurde werken waarin de ‘Nouvelle Vague’ de toon aangaf.

Ik heb ze zowat allemaal gezien, de tekstvirtuoze vertellingen van Chabrol, Godard, Truffaut. Meer nog dan het beeldverhaal boeiden mij de woorden. Hoewel ik me deze geschiedenissen vooral in zwart-wit herinner, bezaten ze kleur en op een van die avonden gebeurde er iets wonderlijks. In de pauze stonden bezoekers in groepjes bij elkaar. Een vrouw riep wat geëxalteerd ‘Ik vind het zó coloristisch!’. Dát had ik gemist: de kleuren. Overigens citeer ik die mij onbekend gebleven dame nog steeds met enige regelmaat als ik indruk wil maken op een elkaar in overtreffende trap overschreeuwende verzameling kenners: ‘Ik vind het zó coloristisch’. En dat voor een kleurenblinde, althans partieel. Iedereen valt stil en je hoort ze denken: ‘Dat ik dit niet zelf bedacht heb’.

Coloristisch is deze De Bruijn geenszins. Heerlijk. En in die tijd schreef Geert er ook nog van alles bij. In de jaren hiervoor, tekende hij de oermoeder, de allesbepalende godin, die vervoerd werd op een kar. Haar vereerders - ongetwijfeld een volk dat regelmatig verkaste - nam haar mee naar een nieuwe plek. In wat hierboven afgebeeld staat, is sprake van een cenotaaf, en wel in tweevoud. Een monument dat sinds de Grieken en Romeinen verwijst naar overledenen waarvan de resten elders begraven zijn of niet te traceren vallen. In de grammatica van De Bruijn is dat begrip cenotaaf wat opgerekt (citaat); 'Piramiden zijn cenotafen, ...  versteende oerknallen. Van bovenaf gezien een vierkanten met een kruis. Het begin van alles. Je kan vanwege het feit dat de piramiden van steen zijn (aarde), ze ook bezien als oerheuvels, moeder aarde. Wederom als het begin van leven uit de oeroceaan. Zij is overal'. De eeuwige moedergodin dus.

Dan de vaste vraag: kan een afbeelding - ongeacht wat deze verbeeldt - aantrekkelijk zijn als u niet weet wat het voorstelt? Een cenotaaf tenslotte, er gaan dagen voorbij zonder dat je er eentje tegenkomt. Mijn antwoord op die vraag is een geruststellend 'ja'. Op voorwaarde dat betreffend werk over de nodige spanning beschikt, opgeroepen door vorm, verhoudingen, kleur. En met dat derde punt ben ik al snel tevreden: zwart-wit heeft in mijn ogen niet méér nodig.

Op mijn 50-ste verjaardag kreeg ik deze jonge De Bruijn van Geert cadeau, Elke keer als ik het werk zie, ben ik hem daar dankbaar voor. Dat mijn enthousiasme voor zijn oeuvre ook na de entree van de latere, kleurrijkere De Bruijns is gebleven, lijkt me te danken aan de fasering waarmee de kunstenaar de (donkere) pigmenten aan zijn sterke vormenrijkdom is gaan toekennen: beetje bij beetje. Vraag me niet de kleuren te benoemen: u ziet wat anders dan ik.


Het is Pasen 2017. Op welk ei zit Geert de broeden? Hoe gaat het verder met zijn St-Jan waarover mijn voorgaande blog handelt? Tussen beide hier afgebeelde werken zit meer dan dertig jaar kunstenaarschap. En ontwikkeling! Ik ben benieuwd naar het volgende bezoek aan zijn atelier.

Pontificaal op Paaszaterdag

In mijn herinnering (voor wat die waard is, ook al zeg ik in toenemende mate: 'Van vroeger weet ik nog alles'.), is deze foto gemaakt op paaszaterdag 1953, voor de deur aan de Rembrandtstraat 36. Een jaar later zouden we verhuizen naar de Aartshertogenlaan 198, een nieuwe flat met vier slaapkamers, waardoor geen van de meisjes meer op de afgetimmerde zolder hoefde te pitten. Buurman Gevers hield kanaries onder zijn zadeldak; dat was heel wat anders; daar waren ook minder kinderen.

Een kiekje - her favoriete woord van mijn vader voor zo'n plaatje met zijn Kodak - bij de voordeur. Ik kwam nooit door de voordeur: die was voor de bakkers (er kwamen twee verschillende, om en om), melkboer (de St.-Jan), groenteboer (Driek uit Hedel). Wij liepen achterom, via de brandgang. Een geënsceneerde opname dus. 'n bietje pontificaal'.

Met schort. Op de Montessorikleuterschool aan de Nemiusstraat droegen we die beschermende kleding. Belangrijk bij het verven, bijvoorbeeld, want dat was een natte boel waarbij - als je niet oppaste - het blauw of rood zomaar in een straal van het papier op de ezel naar beneden kon roetsjen. Lastig kon zo'n schort ook zijn. Zoals tijdens het poepen, want dan moest je hem goed omhooggefrot vasthouden, anders hing hij achter je billen met alle gevolgen van dien.
Als we zaterdags om 12.00 uur naar huis liepen, hoefde dat ding niet meer naast de sloffenzak aan de haak in de corridor; we hielden hem aan en thuis verdween hij in de wasmand.

Paaszaterdag. Het was beslist lekker weer. Op het moment in de voortuin waren de klokken dus al terug uit Rome, want dat gebeurde - zoals veel - buiten ons gezichtsveld en in dit geval om 12.00 uur en daarmee was de vasten gesprongen. Het zou niet lang meer duren of samen met vriendje Leo die een paar deuren meer naar links woonde, zou ik, op de stoeprand gezeten, ieder met zijn vastentrommeltje op schoot, het deksel van die kleine schatkamer openmaken om vóór het middageten ('warm eten') wat snoepjes te proberen. Die verlekkerde activiteit zal beslist voorafgegaan zijn door de opmerking van moeder: 'Bederft oewen eetlust nie, jonge'. Ik hoor het ‘r nog zeggen.