vrijdag 27 juli 2018

Dwars door Spanje (4); Manzanares


Als we op woensdagavond 20 juni om 20.30 uur aan tafel gaan, zegt mijn vrouw: ‘Van den Bosch Erp’. En vanachter het geluidsisolerende glas zien we over de snelweg een tankwagen passeren, richting noorden.

We hebben er dan een kijk-&rustdag achter de rug in Manzanares. Die plaats ligt in de streek La Mancha, in Nederland vooral bekend als het land van Don Quichote en zijn dikbuikige knecht. De plaats is het van de Manchegokaas. Eerder deze week waren we in Pamplona, Soria (waar we over een nieuw pad van 1,75 miljoen wandelden) en gisterenmorgen in Burgos de Osma. 

Deze dag begonnen we dus in Manzanares met een bezoek aan het museum van de Manchegokaas. Bij opening om 12.00 uur blijken we de eerste bezoekers en tot sluiting om 14.00 uur blijft dat ook zo. Alle tijd dus voor een van de twee heren die de receptie bemannen om ons met een prima verhaal bij de ontvangst wegwijs te maken.

Het huidige stedelijke museum bevindt zich in een voormalige boerderij-kaasmakerij waar herders langs eeuwenoude veeroutes - cañadas - naar toe trokken. Nog steeds kun je langs veel Spaanse ineen een driehoeking verkeersbord aantreffen met daaronder het woord cañada.

Naast de kleine overzichtelijke expo over het ambacht, aangevuld met gerelateerde kunst, bestaat er een afdeling rond een hier beroemde auteur. De man heet Ignacio Sánchez Mejias. Hij moet een veelzijdig persoon geweest zijn, die ook faam verwierf als toreador. Hij raakte op 11 augustus 1934 om 17.00 uur tijdens het gevecht met een stier in de arena van Manzanares gewond en stierf enkele dagen later aan gangreen in Madrid.

Ook zijn vrienden voelen zich verweesd en de auteur Fredrico García Lorca schrijft een eligie onder de titel ‘A las cinco de la tarde’. Eerder deze ochtend werd het al gedeeltelijk gedeclameerd door de informant op het VVV-kantoor en de inleider bij het museum. De volledige tekst hangt op de bovenverdieping en in een aparte ruimte is de volledige voordracht te horen. De tekst maakt indruk en ik neem me ter plekke voor deze - op enig moment weliswaar - van buiten te gaan leren.

Bij de visite hoort ook een kaasproeverij. Omdat wij de enige deelnemers zullen zijn, wordt het - tegen de betaling van een euro - de kleine versie: drie smaken, een glas witte wijn, water en een mandje brood. En of we dan gelijk op de promofilm willen waarvoor een jonge filmploeg bezig is opnames te maken.

Dus wordt ons smikkelen door de camera gevolgd. (Inmiddels hebben beide jongemannen ons de link naar het resultaat doorgestuurd.) Grappig. Na afloop weten we vrij nauwkeurig het verschil aan te geven tussen Manchegokaas en kaas uit Manchego. Het gaat hier om een serieus onderwerp.

Het is 14.00 uur en het iets verderop gevestigde kledingmuseum Manuel Piña gaat (ook) dicht tot 17.00 uur. Dat wordt dan een andere keer. In feite gaat nu een groot deel van het land tot de namiddag op slot. Het is 33°C, tijd voor een rustige lunch en de siësta. Hiervoor gaan we na een bezoek aan Mercadona en Carrefour naar onze tijdelijke verblijfplaats.

Ook hier is dat een hostal. In dit geval een grote gelegenheid aan de snelweg. Prima, netjes, attente mensen en met een lekkere traditionele keuken.

Terwijl we aan ons avondmaal beginnen, voetbalt Spanje tijdens het WK tegen Iran en in de hal (lounge) zitten mensen enthousiast te kijken.

Morgen verder richting Ardales, provincie Málaga, voor de wandeling ‘Caminito del Rey’; de aanleiding tot deze reis.

Wordt vervolgd.


donderdag 26 juli 2018

Dwars door Spanje (3); Soria


Op maandagochtend 18 juni zetten we op tijd de rolkoffers in de auto, tanken Euro95 tegen de zeer concurrerende prijs van €1,20 de liter en gaan op weg naar Soria. Deze plaats ligt in het noordoosten van Castilla-La Mancha aan de Douro die daar in de buurt ontspringt. Het is niet zo ver rijden. We verlaten Navarra, komen een stukje door La Rioja en bereiken de regio waar we de komende dagen zullen verblijven.

In een El País van februari jl. bevatte de bijlage El Viajero een wandeling langs de Douro over een nieuw pad. Het traject langs de rivier leidt naar de oude Iberische vesting Numantia waarop de aanstormende Romeinen lang geen vat kregen. Bij de uiteindelijke verovering in 134 v. Chr. maakte een groot deel van de bevolking zelf een eind aan het leven. Wat overbleef, werd als slaaf afgevoerd. Het laatste verzet op het Iberisch Schiereiland was gebroken.

Het oude stadje van zo’n 40.000 inwoners doet druk aan tegen het middaguur. Te voet door het centrum van Soria vinden we een prima hostal waar we onze spullen parkeren, wandelkleding aantrekken en op weg gaan naar de rivier.

Bij het startpunt staat een groot bord dat het traject van zo’n acht kilometer beschrijft. De aanleg kostte €1,7 miljoen. Al snel wordt duidelijk dat daarvoor een groot aantal ‘kunstwerken’ werd aangelegd in de vorm van hangende, goed gezekerde en beveiligde wandelbalkons parallel aan het water. Aan de overzijde loopt een vergelijkbare voorziening die na een aantal kilometers oversteekt naar onze kant. Op dit punt ligt de oude stadsmuur die we enige tijd links hadden, inmiddels achter ons.

De rivier is hier nog ‘jong’ en het water oogt glashelder. Van enige hoogte bestuderen we een tijdje een school vissen die bij een stroomversnelling ligt te foerageren. Joekels van beesten. De vegetatie op de open stukken telt een groot aantal wilde bloemen. Een prachtig decor. 

Langzaam klimt het pad richting Garray. Op enig moment kleurt de heuvelrug blauw door de Massale aanwezigheid van plakken lavendel. Druk is het nauwelijks op het pad. Aan de overkant zwemmen wat jongelui.

Wat huizen kondigen Garray aan dat we via een brug binnenwandelen. Op dit punt mondt de Tera uit in de Douro. In de volle zon lopen we omhoog naar de heuvel met de resten van Numantia of Numancia, in de Spaanse versie. Die blijken achter een stevige omheining te liggen en ze bezitten een museale status. Kijk: dat stond niet in de enthousiaste beschrijving in El Viajero waarop we ons zonder verder gegoogel verlaten hebben. Musea zijn in Spanje gesloten op maandag. Dus.

In Garray drinken we onder de kerktoren-met-ooievaarsnest een caña con limón, de Spaanse versie van wat later Radler is gaan heten. Als je hier op dit tijd van de dag een kanon af zou schieten ... . Afijn, we horen de ooievaars klepperen, zien de zwaluwen scheren, ervaren de volle, lome stilte die ons omgeeft. Aan het raam van de bar neemt een man een kop koffie, praat wat met de dame die binnen bedient en waarna hij weer verdwijnt. Hier, in dit dorpje van zo´n 800 inwoners, kun dat boek schrijven, tot mooie gedachtes komen. Of in opperste verveling langzaam doorzichtig worden. Spanje is bezaaid met dit soort kerkpleintjes.

We lopen de 8,2 km terug, waarbij we in het zicht van Soria oversteken naar de linkeroever met zijn informatieborden over de bomen, planten en dieren die hier leven.

Het stadje komt net weer op gang als we het centrum bereiken. Tijd voor een late siësta in de ruime en vrolijke kamer van het hostal. ‘s Avonds doen de straten zeer levendig aan. De terrassen staan en zitten goed vol en in een van de vele bars bestellen we wijn plus een aantal peuzelgerechten ‘para compartir’, om samen te delen.

Morgen Manzanares.

dinsdag 24 juli 2018

Dwars door Spanje (2); Pamplona


Tijdens het ontbijt op zondag 17 juni blijkt dat het hotel behoorlijk veel overnachters telt. Zo te zien mensen op doorreis zoals wij, die ook dit adres op een saai industrieterrein hebben weten te vinden. Drie jongelui van een tennisvereniging uit Murcia die zaterdagavond met een taxi arriveerden, stappen in vol ornaat met ons op de bus richting Pamplona. In een buitenwijk verlaten ze het openbaar vervoer en lopen richting sporthal. Wij gaan verder richting centrum, waar we vanaf de halte in de buurt van de citadel richting VVV lopen. Het is nog vroeg en fris.

Pamplona, vanuit Les Landes zijn we er jaren terug - door de regen verjaagd uit Mimizan Plage - een keer doorheen gereden op zoek naar de zon in de buurt van Tarragona. ‘Iets met stieren en hardlopen’, zeiden we toen. Tijd om de kennis wat uit te breiden.

Zo, de eerste foto is gemaakt: het stadhuis, rechts van het VVV-kantoor waar een jongedame (en sinds wat jaren zijn ze nogal snel jongedame of -man) op een kaart wat te bewandelen interessante plekken aankruist. 

We beginnen aan de overkant: de kerk van San Saturnino of San Cernin de Pamplona. In de begintijd van het christendom ontstaan als burcht en na zoveel eeuwen van verbouwing heeft het ook wat kenmerken van een kerk. 

Binnen wordt de naamgever vereerd. Bij terugkeer in wat nu Frankrijk heet, werd deze missionaris door de heidenen voor straf aan de staart van een stier gebonden. Het furieuze beest begon te rennen en Saturnino stierf voor zijn geloof op 29 november 250. Deze martelmethode is nieuw voor ons.

Door een nog rustig centrum naar het Museo de Navarra, op de zondagen alleen ‘s ochtends open. De moeite waard. Weer buiten valt er wat regen. Meteen daarna herwint de zon terrein om ons de rest van de reis door Spanje overdag nauwelijks nog te verlaten.

Naast het museum ligt een gebouwtje waar sinds 1591 stieren worden losgelaten voor een dolle tocht heuvelafwaarts. Niemand hangt achter die bullen, ze proberen juist aan de voorkant uit de buurt van hun horens te blijven. Dat lukt niet altijd wat zijn sporen nalaat op de traditionele witte feestkledij. De feesten van San Fermín beginnen op 6 juli en duren t/m de 14de.

We volgen de weg over de imposante stadsmuren. Op een bolwerk vindt vast de viering van de a.s. dag van de yoga plaats. Sfeer jaren ‘70. Veel jonge gezinnen. Zo’n 60 mensen volgen synchroon de bewegingen van een instructeur. We besluiten tot een pauze op een terras aan de Rincón del Caballo Blanco.

Daarna weer verder. Via de stadspoort komen pelgrims op erg naar Santiago het centrum binnen. Er zijn veel gelegenheden om goedkoop te eten en te overnachten voor deze wandelaars.  Het uitzicht vanaf deze hoogte is bij elke bocht opnieuw mooi. 
Rond 15.00 uur verlaten we ter hoogte van het Parque de la Media Luna de muren en zoeken een eetgelegenheid. Bij de eerste de beste plek waar veel Spanjaarden zitten, gaan we naar binnen. Lekker.

Inmiddels is het aangenaam warm geworden. We slenteren verder en zien hoe tegenover de Catedral de Santa María la Real twee bedevaartgangers voor een hostal uit een taxi stappen. Wat verderop koesteren we ons wat in de zon op een bankje tegenover het voormalige Palacio Real, nu Archivo General. We zien hoe de Basílica de San Fermín de Aldapa gereflecteerd wordt in het glas van het moderne archiefgedeelte.

Terug naar de halte bij de citadel, gebouwd naar het model van de Antwerpse dwangburcht. Dat voorbeeld stond in de wijk aan de Schelde die nu ´Zuid´ heet.
De bus laat niet lang op zich wachten. Morgen Soria.


maandag 23 juli 2018

Dwars door Spanje (1); de aanloop


Op vrijdag 15 juni vertrokken we met de auto vanuit Den Bosch richting El Chorro, Spanje. In dat plaatsje, 48 km boven Málaga, zouden we de wandeling over de Caminito del Rey gaan maken; de toegangskaartjes hadden we al op 23 februari besteld.

Als je zo’n lange reis maakt, moet er onderweg toch meer te zien zijn. We kozen voor streken, plaatsen en dorpjes waar we nog niet eerder waren. Spanje is een lap van een land en ondanks onze frequente aanwezigheid daar, blijven er steeds weer nieuwe dingen te ontdekken. Zo ook nu. Ontdekken doe je ter plekke. Spontaan, ongepland, verwonderend. Daarvan wil ik in een aantal blogs verslag doen.

Toen we vrijdag 14 juli terugkwamen, hadden we 5.100 km op de teller staan. We sliepen tijdens die vier weken in 14 verschillende bedden; 11 daarvan stonden in Spanje, 3 in Frankrijk. We verbleven in hotels, hostals, huizen en huisjes. De meeste overnachtingsoorden legden we onderweg vast.

De eerste stop was in de buurt van Tours, Frankrijk. Eigenlijk wilden we de nacht doorbrengen in Le Mans, waar vooraf ‘alles in de verre omtrek’ bezet bleek vanwege een auto-evenement. Dus werd het een Budget B&B aan de rafelrand van de stad Tours, in de buurt van het vliegveld. Een prima restaurant om de hoek (‘la Boucherie’ vol blinkende tegels), prima plek om te pitten, en op zaterdag zó weer op snelweg richting Bordeaux en verder.

Eind van de middag - na een lang vlak stuk door Les Landes waar we ooit ‘s kilometers wandelden en fietsten - kwamen de Pyreneeën van Frans Baskenland in zicht. In de buurt van de zee zie je de bergen meer dan dat je er ‘klimt’. 

We rijden de grens over tussen Frankrijk en Spanje. Navarra - Nafarroa, staat er op het bord. Dit is het land der Basken, hoewel niet het Baskenland, País Vasco, dat ligt rechtsaf. Wij gaan linksaf, richting Pamplona. Het oude koninkrijk Navarra is een autonome  regio waarin onlangs rumoer ontstond vanwege plannen die de  huidige coalitie heeft voor het dominante gebruik van het Baskisch in onderwijs en bestuur. Volgens onderzoek zou in het bergachtige noorden het Baskisch algemeen gesproken worden, in het centrale gedeelte regelmatig en in het zuiden nauwelijks. Onder jongeren beleeft de taal een revolutie. 

Naarmate de mondialisering toeneemt, groeit de behoefte aan zaken die de eigen identiteit bepalen. Da’s een stelling. Vaak ook een aangenomen waarheid. Wedden dat er ook Baskische rappers zijn? Die moeten bestaan, want dit van oorsprong Amerikaanse fenomeen passeert elke landsgrens. Met gemak. Mondialisering; op de eigen vierkante kilometer, dat dan weer wel.

Eenmaal op de route richting Pamplona rijden we door een prachtig heuvelend landschap. Zuid-Frankrijk en Spanje hebben in tegenstelling tot Nederland een natte lente achter de rug. Het is er groen en het staat er vol wilde bloemen. De komende weken zal steeds weer opnieuw blijken hoe kleurrijk het kan zijn op dit schiereiland dat doorgaans dor aandoet tijdens een groot deel van het jaar.

In het zicht van Pamplona, slaan we af naar het plaatsje Noáin-Esquíroz. Het hotel staat op een industrieterrein. Ik ben benieuwd hoe onze achternaam dit keer overgekomen is; we blijken ‘verspaanst’. Deze variant is nieuw.

We ‘zitten’ op loopafstand van het centrum waar we ‘s avonds in een door Chinezen uitgebaat Spaans lawaaierig (o.a. drie tv´s met dezelfde WK-match) volkscafé pizza eten. Over mondialisering gesproken. Morgen met de bus naar Pamplona.

maandag 25 juni 2018

Verzeild


Deze tekst stond op 24 juni in de Bossche Omroep als column in de rubriek 'Onder de Boschboom'.

Den Bosch is de stad van Jheronimus Bosch. Om diens originele werk te aanschouwen, moet je buiten onze gemeente zijn. Bijvoorbeeld in Madrid. Als je in die plaats vol bewondering staat te kijken naar de ‘Tuin der lusten’, is niet de eerste vraag die bij je opkomt: ‘Langs welke weg is dat schilderij hier verzeild geraakt?’

Spanje ‘hangt vol’ met werken van Bosch’ tijdgenoten. Vaak staat bij de naam van de maker de aanduiding ‘flamenco primitivo’. Van onze pakketpostdiensten die binnen twee dagen het handwerk van zo’n ‘Vlaamse primitief’ aan huis kunnen bezorgen, was toen geen sprake. De bulk aan kunst en gebruiksvoorwerpen kwam per schip, per zeilschip.
De haven van het Brabantse Antwerpen was – zeker tot 1585 – vaak het beginpunt van de reis. Daar lagen de vaartuigen die er eerder vol goederen vanuit de Golf van Biskaje aangekomen waren. Als (bijvoorbeeld) de wol gelost was, namen de boten spullen uit onze streken als retourlading mee terug. Uit vrachtbrieven uit die tijd weten we bijvoorbeeld welke Bosschenaren de bekende Bossche messen, de balduques, exporteerden. Goed ingepakte kunstvoorwerpen stonden ook op de lijsten.

Bij voorkeur werd gevaren in het rustige seizoen. Najaars- en winterstormen kon je beter vermijden. En om kapers of ander kwaadwillend volk op een afstand te houden, voeren de kapiteins ook wel in versterkt konvooi.
Toch kon het enorm mis gaan. Zo zag Mencia de Mendoza, vrouwe van Breda en weduwe van Hendrik III van Nassau-Breda, in 1538 bij haar terugkeer naar Spanje een deel van de door het echtpaar verzamelde kunstschatten onderweg verloren gaan op zee. ‘De tuin’ had ze gelukkig niet meegenomen.

Toen Filips II – naar goed gebruik in die tijd – in 1567/1568 beslag legde op de goederen van Willem van Oranje, waaronder dus ‘De tuin’, liet hij per brief weten, wat hij wilde hebben uit het Brusselse paleis van de opstandige edele. Met name over de boeken uit Oranjes bibliotheek bestaat de nodige correspondentie. Daarin valt ook te lezen dat de door de vorst gewenste exemplaren veilig op het schiereiland arriveerden. Vanuit de havens in Noord-Spanje werden ze in karren en op lastdieren naar de koninklijke collectie gebracht.
Over de route of de aankomst van de ‘Tuin der Lusten’ geen woord.

Die stilte geeft ruimte aan mogelijke vervoersscenario’s. Over de weg lijkt niet aannemelijk: te lang en (politiek) te gevaarlijk. Dan over zee? Lees daarover meer in Bossche Kringen 6 (2015), pag. 62-67. Deze bijdrage van de Antwerpse Lieve Bedeer en ondergetekende i.s.m. de Toledaan Juan Vicente Elices valt ook via het internet op te vragen.


Wie deze zomer voor een schilderij van een Vlaamse meester staat in Spanje, Portugal, Groot-Brittannië of elders, mag achter de aanwezigheid daarvan een soms avontuurlijke reis vermoeden.

zondag 20 mei 2018

Die regels wit

Tijdens een college Moderne Literatuur wees Piet Coenen ons op de Zuid-Afrikaanse promotie ‘Die regels wit in die poesie’. Ook wat op papier onbeschreven blijft, kan betekenis hebben, terwijl de meeste lezers immers allereerst letten op dat wat in het zwart afgedrukt staat. De open plekken - spaties, inspringingen, regels wit - worden als vanzelfsprekend veronachtzaamd. Toch hebben ze functie, een zeggingskracht. De dissertatie heb ik nooit gelezen. De echo van Coenens verwijzing weet me al bijna vijf decennia met enige regelmaat te bereiken. Opmerkelijk genoeg ook tijdens de maandagmorgens die ik noem ‘In de leer bij Geer(t).

Noch de naam van het proefschrift noch die van de auteur kan ik ontdekken op het internet. Wel vond ik ‘Vergezeld wit geeft richting aan de ogen’; genoteerd door K. Schippers in ‘Een leeuwerik boven een weiland’ (2003). Yra van Dijk promoveerde met ‘Leegte, leegte die ademt’ in 2005 op het wit in de poëzie. 

Hierover denk ik na als Geert de Bruijn op de maandagochtend van de 14de mei ‘opdraagt’ om me te verdiepen in de vraag wat het wit voor mij betekent in dat wat ik aan het tekenen ben. Mijn antwoord cirkelt rond de woorden ‘achtergrond’ en ‘contrast’. Zwart steekt zo mooi af tegen wit. Tegelijkertijd ervaar ik dat witte als een beklemming: het moet gevuld. Hoe en waarmee doe ik dat?

Ik ben dus in de leer bij Geert de Bruijn. Na een jaar ‘beelden van was’ en enig geploeter in de conceptuele kunst, wordt er nu met potlood en viltstift gewerkt. ‘Brengt dit mij verder?’, vroeg ik me al af in een voorgaande blog.

Mijn zoektocht gaat uit naar een antwoord op de vraag hoe abstracte kunst in het hoofd van de maker tot stand komt. Er moet dus een verhaal aan de basis liggen. Zo ken ik na 40 jaar wonen en werken met zoveel ‘De Bruijns’ om mij heen, dat verhaal van Geert. Hoe vindt de schakeling in zijn kop plaats? Of is het eerder een kortsluiting? 

Ik piel wat aan. IJverig. Bladen vol. In wat ik (bijvoorbeeld bij bovenstaand veelkleurig huiswerk) aan commentaar krijg van de meester, klinken door: ‘probeer je eigen stijl te vinden’, ‘hier zit ruis’, ‘waar gebeurt het?’
Dat laatste vraagt naar de plek die de aandacht van de kijker trekt.

Wat erg stimuleert is het lezen van ‘Het sublieme’, geschreven door Hans den Hartog Jager. Ik krijg het boek van het echtpaar De Bruijn als verjaardagscadeau, om het vervolgens op 10.000 m. hoogte in één ruk uit te lezen. Ligt het sublieme in de deconstructie van het alledaagse?

Weer thuis gaat het experiment verder. Veel ruis. En erg veel kleuren terwijl ik in de rood-groensector blind ben en de voorkeur geef aan 50 tinten zwart. Tot ik besluit dat mijn verhaal ‘het landschap’ is. De Povlakte waarin wij onlangs wandelden. Het Zuid-Limburgse Gerendal. De Vughtse Gement. Geert vraagt me het werk van een tweetal kunstenaars uit zijn omgeving te bestuderen.

Wit wordt minder bedreigend. Niet alles hoeft gevuld. Het landschap geeft rust en de ruis draai ik zachter. Deconstructie. Weglaten. Zwart en een steunkleur. Schrappen. Het gaat steeds meer op schrijven lijken. In zeven talen kan ik mijn woordje doen en nu zoek ik aarzelend mijn weg in een mij vreemde grammatica tijdens het maken van stelopdrachten in abstractie. Misschien dat ik iets van ga snappen. Onder de compositie in zwart en geel links komt de naam 'Boerenland 1'. 

De horizon lokt. Haha. Waar zal dit me brengen?


zaterdag 12 mei 2018

Stram


Deze tekst staat op 13 mei 2018 in De Bossche Omroep als column in de rubriek 'Onder de Boschboom'.

Als tienjarige zong ik op de radio mee met Al Jolson. In mijn brokkelige Engels werd ‘Swanee’ ineens ‘O dear, how I love ya, how I love ya, my dear old Mammy’. Mijn ma was dik 50: in mijn jonge ogen dus bekant bejaard. ‘Dear old Mammy’.

Jolson? Kijk ‘s op YouTube. Daar staat ie nog. Nog wel; naast Sinterklaasknecht. Schoenpoetsdonker. Sinds ik zelf ongevraagd verkleurd ben van blanke naar witte man, besef ik dat ik als kind met mijn gedweep fout moet hebben gezeten. Toen nog in onschuld. Overigens raakte ik in die tijd - begunstigd door het pigment van moederszijde - na slechts één zomers bezoek aan Maas of IJzeren Vrouw zo gekleurd als een Siciliaanse landarbeider. Ons mam zocht voor de vergelijking toen wel een andere geografische hoek op, die ik nu in het openbaar liever achterwege laat.

Kleur; een gevoelig onderwerp. Inmiddels is 4 mei achter de rug. Ik heb er geen behoefte aan gehad om bij de kranslegging in de Casinotuin een schreeuwprotest te organiseren. Naarmate ik ouder word, ga ik me minder verbazen over maatschappelijke verschijnselen. Dat van die harde roepers bracht me wel even van mijn stuk.

Waar ik niet in kantel, is in mijn weigering om op 27 april met een oranje vlaggetje te lopen. Deze tegendraadsheid heb ik geërfd van ons pa. Die had weinig met het instituut koningshuis. Zijn aversie wortelde in een ver verleden, dat voor hem nog niet voorbij was. Den Bosch beleefde hij nog steeds als een door de Hollanders ingenomen stad. ‘Elke hoogste baan bij een overheidsgerelateerde organisatie komt niet bij een katholieke zuiderling’, voerde hij aan. Senior was op het gebied van 1629 en de gevolgen voor Den Bosch en Brabant, een - zeg maar - ijzervreter. Op ‘My dear old Swanee’ had hij niets tegen. ‘Merck toch hoe sterck’ kon niet door de beugel. Staat ook op YouTube.

Er zouden plannen bestaan om de capitulatie van14 september 1629 te herdenken in 2029. Ik weet niet of de titel ‘inname’ of ‘bevrijding’ wordt. In het laatste geval kom ik in het geweer, vooropgesteld dat ik dan nog onder ons ben. Als het moet, ga ik ondergronds, hoewel het mijn voorkeur geniet om dan als 81-jarige, stram in het gelid (mijn part van de rimmetiek) staandebeens Frederik Hendrik zwart te maken met citaten uit het onderzoek van Leo Adriaenssen. Wedden dat er bijval komt van nog wat ouwe zeurende zotten?

De wereld kantelt dus en Den Bosch draait mee. Eerder lieten we diezelfde F. Hendrik de ouwe koningin begroeten bij haar entree op 30 april 2007. En zolang er hier nog een salonboot met een stedendwingende naam vaart, blijf ik attent. ‘t is mar dègget vast wit!