donderdag 9 augustus 2018

Dwars door Spanje (12); Zaragoza (a)


De gekozen weg van Cuenca naar Zaragoza voert ons op 2 juli door een mooie omgeving. Een stuk gaat het langzaam slingerend omhoog en op sommige plekken is het dal steil en zien we de rivier. De buitentemperatuur is met 19,5°C aangenaam. Op enig moment uit de bergen, zien we zeer groene velden met een ons onbekende soort graan.

We gaan de Taag over. Hier, nog dicht bij zijn oorsprong, een nog smalle stroom. Deze rivier, met 1007 km de langste van het Iberisch Schiereiland, mondt bij Lissabon uit in de Atlantische Oceaan. Twee weken terug liepen we bij Soria langs de Duero. Daar was de stroom - ook nog weinig imponerend - op weg via Portugal naar de dezelfde Oceaan. Zaragoza waar we nu naartoe gaan, ligt aan de Ebro. Eveneens een machtige rivier.

We lunchen in Monreal del Campo op het terras van La Despensa de Monreal. Het gesprek met de eigenaar komt op saffraan dat hier al eeuwen verbouwd wordt (zo we gelezen hebben op een bord over de streek). Even later komt mevrouw met verschillende producten waarin saffraan verwerkt is. Pure saffraan kost een vermogen. Bij het afrekenen koop ik twee tabletten chocolade voor thuis. 
Opnieuw verandert de omgeving: we noemen het cowboy- en indianenland.

Al snel zitten we in het drukke verkeer aan de westrand van Zaragoza. We verblijven twee nachten in het nieuwe hotel TRYP op het terrein waar in 2008 de Wereldtentoonstelling stond.
Ook hier is de overgang van het platteland naar de stad abrupt. Uren kun je door een enorme leegte rijden waarbij je je afvraagt waar de boeren wonen van wie het gewas, de druiven, de olijfbomen etc. om je heen zijn. Om de zoveel tijd kom je door of langs een dorp. Vaak is daarin leegstand te zien. De mensen trokken en trekken naar de stad. De urbanisatie is in Spanje een duidelijk aanwezig fenomeen. 

Vanuit onze kamer hebben we uitzicht op Puente del Tercer Milenio, de brug met de grootste betonnen boogoverspanning ter wereld die sinds 2008 beide zijden van de Ebro met elkaar verbindt. Eerst denken we: ‘Kan best van Santiago Calatrava zijn’, de grote Spaanse architect wiens opvallende creaties altijd budget- en deadline-overschrijdend klaar zijn. Dan blijkt dit exemplaar (kosten: bijna €23 miljoen) van Juan José Arenas de Pablo te zijn. De brug werd op 7 juni 2008 opengesteld; de tentoonstelling een week later op 14 juni.
De Ebro, de derde grote Spaanse rivier van deze reis door Spanje, mondt uit in de Middellandse Zee. Buiten is het heet en we blijven in de buurt van het hotel.

De volgende dag - 3 juli - wordt een maximum temperatuur verwacht van 37°C. Daarom gaan we (al) om 09.00 uur op pad. We lopen in de schaduw naar het centrum.

Zaragoza. Voor de komst van de Romeinen bevindt zich op deze plek aan de Ebro een Iberische nederzetting: Salduie. In 14 v. Chr. wordt het Colonia Caesar Augusta. Geen andere stad zou naar de Romeins keizer genoemd worden. Restanten van de ‘Romeinse muren’ (foto 1) zijn de eerste monumentale zaken die we zien bij binnenkomst van de oude binnenstad. 

De stenen versterking ligt tegenover de Mercados de Zaragoza. Deze overdekte markthal met gietijzeren staketsel (1903) wordt op dit moment gerestaureerd. In een tijdelijke ruimte ertegenover wordt de handel voortgezet. De ansjovis kost tussen de drie en vier euro. ‘Weer thuis in Den Bosch ga ik een pond in het zuur leggen’, neem ik me voor. Tijdrovend werk en de kleine visjes zijn in een mum op. Erg lekker.

We komen bij de Plaza Nuestra Señora del Pilar, een langgerekt plein en een van Europa´s grootste autovrije gebieden. Tegenover elkaar liggen twee imponerende kerken. We beginnen met de omvangrijkste, de Basilica del Pilar; volgens overlevering het oudste aan Maria gewijde gebedshuis uit de christelijke wereld. Het barokke gebouw telt een groot aantal torens en koepels (foto 2). Binnen valt het 16de-eeuwse etablo mayor op, een ´erfenis´ uit de voorgaande kerk (gotisch-mudéjar) die vanaf 1681 vervangen werd. Bij het retabel staat in de uitleg de zin ´rica silleria en madera de roble de Flandes (1548)´. Het gebruikte eikenhout werd en wordt naar de regio van herkomst genoemd: Vlaanderen. In feite gaat het om de havenstad Antwerpen waar de boomstammen van Baltische herkomst werden overgeladen van Hanzeschepen naar andere vervoerders.

Vervolgens zoeken we de koelte op van Museo Goya (Museo Camón Aznar). In de kelder liggen tegenover de ingang naar de videoruimte resten van een Romeinse tempel. Het Museum bevat schilderkunst van de 15de tot de 20ste eeuw. Er hangt o.m. een werk van Pedro de Campaña, de Brusselaar Peter de Kempeneer die in de 16de eeuw lang in Sevilla werkzaam was.
De kern van de collectie bestaat uit een rijke vertegenwoordiging van het oeuvre van Goya.

Buiten is het warm. We drinken koffie en thee op het terras-met-ventilatoren van Lanbuganvilla. Daarna lopen we (zoveel mogelijk in de schaduw) vanuit het centrum richting hotel. Onderweg willen we een volgend groot(s) gebouw bezoeken voor het om 14.00 uur dicht gaat.  

Zaragoza was onder de naam Medina al-Baida Saraqusta (Zaragoza de Witte) Arabisch van 714 tot 1118. De regerend vorst bouwde na 1050 het paleis De Aljafería. Spaanse vorsten breidden het uit tot een fort (foto 3, 4, 5) en tegenwoordig zetelt er de regionale regering van Aragón. Een lange restauratie vind plaats ik 1947-1998. Het behoort met de Moskee van Córdoba en het Alhambra in Granada tot de top-3 van de Moorse architectuur in Spanje. We kunnen nog net mee met de laatste Spaanstalige excursie van deze ochtend. Prachtig.

Dan te voet door de ´blèkkerende´ hitte het laatste stuk naar het hotel± tijd voor lunch en siësta. Vanavond verder.



maandag 6 augustus 2018

Dwars door Spanje (11); Cuenca


Op zaterdag 30 juni 2018 rijden we van Jaén richting Cuenca. Tot aan de ‘pas’ die de overgang tussen Andalucia en Castilla la Mancha vormt, loopt de weg door een wel zeer olijfbomenrijk deel van Andalucia. Na een tijdje, vooral als we Manzanares voorbij zijn, volgt een zee van wijngaarden in een vlak en bij tijden licht heuvelend landschap. Op een enkel dorp en wijnhuis na, lijkt hier niemand te wonen. 
We eten onderweg langs een binnenweg net voor we afslaan naar Cuenca. We klimmen langzaam langs rivier en korenvelden. 

Het oude hooggelegen Cuenca is een clustering van huizen en kerken die uit de rotsen lijkt te groeien, op een punt waar twee rivieren samenvloeien.

We lopen eind van de middag vanuit de benedenstad, waar we in een hostal verblijven, langs de voet van de rots waarop de bovenstad zich bevindt. Na wat inleidende druppels valt er ineens een flinke bui. Wanneer regen en onweer weggetrokken zijn, lopen we bij een aangename temperatuur terug. Morgen zullen we omhoog gaan, het oude centrum in. 

Het begint te schemeren. In de buurt van het hostal drinken we om 21.30 uur een glas wijn om vervolgens wat verderop op een terras gegrilde groente en een tostada tomaat, gerookte ham, Manchegokaas op te peuzelen.

Op de ochtend van 1 juli gaan we te voet de bovenstad in. Een flinke klim. Volgens de beschrijving waren het de Arabieren die deze vesting stichtten in elk geval voor 784. De herovering door Alfonso VIII, koning van Castilië vond plaats op 21 september 1177. Waarna het Arabische karakter langzaam naar de achtergrond verdween. Op de plaats van de grote moskee kwam een romaanse kerk die werd opgevolgd door een godshuis in Bretons-gotische stijl. Ook dat exemplaar werd uitgebouwd, waardoor de bezichtiging met audiogids een tocht langs allerlei bouwstijlen wordt: van Vlaams-Spaanse gotiek tot rococo. De neogotische voorgevel dateert (pas) uit de vorige eeuw.

Mede in het kader van mijn zoektocht naar het wezen van de abstracte kunst en het ‘zijn’ van het sublieme bezoeken we achter de kathedraal het ‘Museo de arte abstracto Español’. Het wordt een prettig en op sommige momenten ‘verblijdend’ studieuur.

Het museum, gesticht de kunstenaars zelf (lieden van de generatie ‘50/‘60 vorige eeuw) en een mecenas, bevindt zich in een aantal zogenoemde ‘casas colgadas’, huizen die net als de rest van de bovenstad op en tegen de rotsen hangen en in dit geval er zelfs een beetje overheen. Binnen mogen geen foto’s gemaakt worden. Voor verder thuisstudie noteer ik de volgende namen: Gustavo Torner: donker, Lucio Muñoz: hout, Antoni Tàpies: Y, Fernando Zóbel (initiatiefnemer): vierkantjes, Francisco Farreras: stenen/touwen.
Na afloop kopen we een aantal fotokaarten van voor ons opvallende werken. Tijd voor ´el menú del día´.

Cuenca telt een tunnelstelsel. Over het ontstaan, functie en omvang bestaat een serie mythes. In 2009 werd o.l.v. een tweetal archeologen begonnen met een minutieus onderzoek. De resultaten daarvan zijn te zien in de oude onderaardse schuilkelder van Alfonso VIII. De ontdekte ´tunnels´ boden onderdak in geval van oorlog (ook tijdens de Spaanse Burgeroorlog 1936-1939), waren er voor drinkwatertransport, dienden als crypte en gevangenis, etc. 

Op zondagen dag staat de Alfonso´s schuilplaats vier keer open voor het publiek, waarvan tweemaal ‘teatralizado’ om 13.00 en 18.00 uur. Wij kopen om 10.15 uur twee tickets voor die speciale presentatie en moeten afwachten, want dat ´theater´ gaat bij minimaal acht belangstellenden. Om 12.45 uur wordt de eerstvolgende rondgang afgelast. We spreken af te bellen om 17.30 uur. Ook dan staat de teller nog steeds op twee. Ik kan de kaartjes terugbrengen, en krijg behalve het entreegeld ook het boekwerkje ´La Cuenca Subterránea´. Het blijkt geschreven door de archeologen die het onderzoek leidden. Met tekeningen, plaatjes en foto´s. (Inmiddels heb ik de boeiend geschreven tekst gelezen.)

Om 22.30 uur hebben we nog wat trek. We gaan bij La Blonda op het terras zitten en bestellen wat kleine hapjes. We beoordelen de schaal met een assortiment kroketjes als de beste verzameling ooit gegeten. Magnifiek.

zondag 5 augustus 2018

Gepruttel


Deze tekst verscheen op 5 augustus 2018 als column in de rubriek 'Onder de Boschboom' van de Bossche Omroep

Hebt u er in uw omgeving iemand echt over horen meuten? Over de keuze van vijf mannen in &W? Ikke nie. Er was gepruttel in de marge, oké. Echt moeilijk deed niemand. Geen spandoeken. Geen stille tocht.

Met dat vijftal erbij kent Den Bosch dus voor de komende vier jaar een eenzijdig B&W. Eenzijdig op geslachtelijk vlak, wat als voordeel heeft dat het wethouderlijke damestoilet ook deze ronde niet op de poetslijst hoeft te staan. Een besparing.
Verder kent de bedachte samenstelling alleen minpunten.

In elk geval hebben de onderhandelaars zich opmerkelijk ingespannen om tijdens biechtstoelgesprekken deze ‘heerlijke’ combinatie te fiksen. De Bossche Groenen moesten er met een lullig (!) smoesje buiten gehouden worden: niet genoeg politieke ervaring. Binnen de stankcirkel rond Markt 1 hangt sinds kort de geur van ouwe-jongens-krentenbrood. 

‘Nog altijd zijn zeven op de tien wethouders man’, kopte NRC op 16 juni jl. 94 van de 305 Nederlandse gemeentes tellen een &W van louter kerels.
Is dat schadelijk? Ja. Ik hoef niet uit te leggen waarom, tenzij u lid bent van een mannelijk &W. 
Is het schandelijk? Ook dat. En nou niet aan komen zetten met dat voorspelbare flauwe smoesje ‘dat zich nou eenmaal weinig dames beschikbaar stellen voor zo’n postje’! Is hier sprake van ‘traditionele mannelijkheid´? In combinatie met een afkeer van het delen van macht en verantwoordelijkheid met vrouwen? Flirt zelfs ‘coalist’ GroenLinks met de restauratie van het oerconservatieve patriarchaat? 

Waarschijnlijk hebben ze gewoon peur, de Bossche &W-heren. Wezenlijke angst voor verandering. Als clublied lijkt me die ouwe kraker van Robert Long geschikt: het refrein begint met ‘en dat is allemaal angst’. Staat op YouTube, kijk maar. De volgende keer dat ik de mannen na de raadsvergadering in de kroeg zie nakeuvelen, vraag ik de barkeeper dit nummer op te zetten.

Onze stad afficheert zich graag als ‘de cultuurstad van het Zuiden’. In de bestuurscultuur is de tijd opnieuw voor vier jaar stilgezet: de formatie-uitkomst bevestigt weer eens ons imago als bastion van regenten. Het historische stratenpatroon wijst nog steeds de weg. Ook naar de veelbesproken cultuurtempel, waarvoor de mannen-broeders geen tijd wilden verliezen en meteen na aantreden er het eerder aangehangen voornemen doorheen jasten tot de bouw van een ´vernieuwd´ theater. Het is niet eens de vraag of daar drama van komt. 

Op de B&W-agenda past een volgend herenakkoord; eentje over de tekst op het bord boven het wethouderlijke mannentoilet: ‘We drinken een glas, maken een plas en laten alles gewoon bij wat het was’. 
En wij burgers laten dat gebeuren. Afgezien van een kleine oprisping hier en daar, zoals bijvoorbeeld dit gepruttel in de marge dat u zojuist las.

vrijdag 3 augustus 2018

Dwars door Spanje (10); olierijk Jaén


Na een week (op drie verschillende adressen) in de omgeving van Ardales, gaan we op weg van Carratraca naar Cuenca. Onderweg zullen we twee nachten in Jaén verblijven. We rijden door heuvels met graanvelden en olijfgaarden naar heuvels met uitsluitend olijfgaarden. 

Bijna direct na aankomst koersen we in de namiddag van 28 juni van het hotel naar de stad. Daar willen we 
in het Centro Cultural ‘Baños Árabes’, met name het Arabische badhuis bezoeken. 

Jaén kende een Arabische aanwezigheid van meer dan vijf eeuwen. Na de moeizame herovering in 1246 door koning Fernando III van Castilië en León kreeg ‘de sauna’ een andere bestemming. Op enig moment tegen 1600 raakte het badhuis ‘overbouwd’. Pas in 1913 werd het in de kelder herondekt. Er volgde een restauratie die in 1936 begon en pas ver na de Spaanse burgeroorlog werd afgerond in 1984. Sindsdien is de (mogelijk) grootste sauna uit die tijd weer zichtbaar. Het is een prachtig geheel. 

We bezoeken de vele zalen ‘boven’ die gewijd zijn aan de provinciale historie van ‘ruraal’ Jaén. Op een groot terras krijgen we een prachtig uitzicht over de stad. Beneden oefent een flamencogezelschap (uit Cuba nota bene) voor een optreden die avond om 22.00 uur. 

Terug in het gebouw gaan we naar een ruimte op de begane grond met een tijdelijke tentoonstelling over het Spaanse leger. En wat denk je? Één schilderij verwijst naar de rondtrekkende expo rond de ‘Camino Español’, waarvoor ik wat jaren terug - evenals de Antwerpse schrijfster Lieve Bedeer - een aantal teksten in het Nederlands vertaalde voor gebruik in Brussel en Breda. Bovendien ontdekt mijn vrouw nog een afbeelding die verwijst naar het wonder van Empel 1585 waarover ik eerder publiceerde. Deze afbeelding is nieuw voor ons!
Na afloop eten we op aanwijzing van de jongedame achter de museumbalie bij restaurant La Espuela.

We klimmen door een donker Jaén richting auto. Beneden ligt de kathedraal in het ‘floodlight’. De binnenstad kent kronkelende nauwe straatjes waar op pleintjes jongelui zich vermaken met zang, onder begeleiding van ritmisch handengeklap: flamenco ‘en vivo’.

De volgende morgen bezoeken we de kathedraal van Jaén. Het enorme gebouw in barokstijl is de opvolger van een gotische voorganger die na de Reconquista op de plek kwam van de voormalige moskee. Aan de hand van een audio-uitleg wordt het een interessante toer.

We gaan op weg naar een volgende kerk en staan ter hoogte van restaurant La Espuela even stil bij een ‘olioteca’. Dan toch wat lokale olijfolie kopen als souvenir? Uiteindelijk brengen we er een uur door, rondgeleid door de eigenaar. Hierbij vallen alle olijfoliewinkels die ik in Nederland kent, alleen al in Den Bosch heb je d’r een aantal, in het niet. In Spanje staan 260 soorten olijfolie geregistreerd. Jaén is de olijfoliehoofdstad van de wereld. In de branche moet de Expoliva een begrip zijn. 

Het wordt een ware ‘cata de aceite’, een olijfolieproeverij waarbij de regionale ‘oliva pical’ centraal staat. Niet zoals ik verwacht had met stukjes wittebrood die gesopt worden; nee, voor elke nieuwe variant pakken we een volgend plastic lepeltje. Het smaakpaneel blijkt bijzonder groot.

In Manzanares hebben we tijdens de kleine ‘cata de queso’ begrepen dat je kaas kunt waarderen zoals je bij wijn te werk gaat. Hetzelfde gebeurt door de keurders van de olijfolie. Ook hier zijn op het uiteindelijke resultaat zaken als de boomsoort, de leeftijd, de hoogte van het terrein, de samenstelling van de grond en de bereidingswijze van belang.

De meest opmerkelijke bijdrage in het assortiment is olie bereid uit olijven die op de eerste oogstdag in september met de hand geplukt zijn voor zonsopkomst. Dit onder gecertificeerd notarieel toezicht.
Vervolgens proeven we een reeks jams waarin olijfolie verwerkt zit. Makkelijk, want op de tostada’s bij het ontbijt kun je achtereenvolgens zowel olie en jam doen. Kan nu in een keer. We vinden het een delicatesse.

We slaan van de olie en de jams een voorraad in voor thuis. Bij de kassa stel ik, na mijn inleidend excuus ‘ik ben een nieuwsgierige vent’, de vraag ‘Is dit uw beroep, hobby of een combinatie van beide zaken?’ Hierop volgt een CV 47 jaar dat zicht geeft op werk, studie, (internationale culturele) activiteiten, landspolitiek etc. Hij is 62 en wil van deze ‘olioteca’ - jong initiatief - een ontmoetingsplek maken die meer kennis verschaft over wat al snel ‘olijfolie’ genoemd wordt. Bij ons lijkt zijn missie volkomen geslaagd. Hij vraagt ons deze kennis mee uit te dragen. ‘Mijn naam is Rafaël’. We betalen en nemen als oude kennissen afscheid van elkaar.

donderdag 2 augustus 2018

Dwars door Spanje (9); Bobastro


Op dinsdag 26 juni rijden we om 10.30 uur van Carratraca naar het nabijgelegen Ardales. We hebben ons verblijf met drie dagen verlengd en zijn gisterenmorgen van de voormalige slagerij verkast naar een bungalow achter het restaurant Venta El Trillo, aan de rand van Carratraca.

We rijden door nauwe steile straatjes van Ardales naar de hooggelegen kerk, waarnaast we parkeren. Vanaf hier heeft ene Pedro een op internet te lezen wandeling uitgezet die we naar de vorm ‘de snijboon’ noemen. De heenweg langs de rijksweg is aardig, m.n. door de weidse uitzichten en de vele bloemen. De weg terug over een breed zandpad, deels beschaduwd, is zonder meer prachtig. Halverwege het gebied ‘Caparain’ komt ons een kudde geiten tegemoet, met herder en drie honden. We treffen elkaar bij een drinkplaats waarop
de beesten met enthousiasme afrennen.
We praten met de herder. Over Q-koorts, of er nog jongeren voor dit vak kiezen (‘Sí’). Over de vele koeien in Nederland.
De geiten zijn van het ras ‘malageña’. Meer naar het westen heb je het type van Cádiz. Die van hem hebben een prachtige huid die ze op reeën doet lijken.

In Ardales aangekomen, is het etenstijd. In het warme witte dorpje kun je het spreekwoordelijke kanon afschieten. Op ‘recommandatie’ van het echtpaar dat we eerder bij Cueva de Ardales ontmoetten, gaan we op zoek naar een bepaalde bar met een Chinees klinkende naam. Gelukkig weet mijn vrouw in welke hoek we het moeten zoeken. Daar bevinden zich drie eetgelegenheden. We gaan naar het drukste: Millán. (Klinkt als Mie-Yan). Dank aan het duo uit Léon: een heerlijke keuken.

Datzelfde Spaanse echtpaar had iets eerder de Ruinas de Bobastro bezocht. Ook die hoge plek konden ze ons aanraden. Daar staan we de woensdag 27 juni om iets over 11.00 uur voor de ingang van ‘El parque arqueológico Mozárabe de Bobastro’. Twee jonge mensen (met eenzelfde t-shirt als de gids van de grot) staan op bezoekers te wachten. We kopen kaartjes en praten wat over de dingen die we hier al ondernomen hebben. De dame blijkt de Lidia te zijn bij wie ik op 23 februari jl. telefonisch ons bezoek aan de Cueva de Ardales vastgelegde. Deze gemeenteambtenaren zijn multi-inzetbaar. Haar collega begeleidt ons als gids. 

De voormalige vesting Bobastro ligt hoog op een bergpunt. We tellen in de gauwigheid 40 gieren die langzaam in de lucht cirkelen. De eerste bewoners hadden hetzelfde vrije uitzicht naar bijna alle kanten. Slechts op een punt moest er toen een dubbele poort in de muur komen. Hier bevond zich op grens van de 9de en 10de eeuw een dorpje dat het centrale gezag van het door Arabieren geregeerde Córdoba probeerde te weerstaan.

Op het Iberisch Schiereiland waren - na het vertrek der Romeinen - nieuwe (over)heersers gekomen: de Visigoten. Ze vestigden er een Christelijk rijk dat weer ingenomen werd vanaf 711 door Arabieren die vanuit de zuidpunt naar het noorden trokken. Toledo en Córdoba werden belangrijke bestuurs- en cultuurcentra. De nieuwe heren beloofden godsdienstvrijheid en schonden vervolgens de overeenkomsten dienaangaande.

Er rees verzet. Onder andere van Omar Ibn Hafsún. Ondanks zijn Arabische naam had hij Visigotische wortels. Belastingdruk en de wens de eigen religie te kunnen volgen, vormden de basis voor de opstand. Bobastro werd in 880 een soort dorpje van Asterix en Obelix in het mohammedaanse emiraat van Córdoba.

Er woonden 1000 tot 1500 mensen. Ter plekke hakten ze stenen uit de rotsen voor de fortificatie en andere doeleinden. De mensen leefden in en tussen de rotsen. De kerk werd ‘in een stuk’ uit het graniet gehouwen. Er kwam een klooster. Nu wordt gesproken over ‘uno de los mejores representantes de la arquitectura trogloditica medieval de España’. Hier konden de christenen, mozárabes genaamd, ‘vrij’ leven.

De toevoer van water was een moeilijk punt: het meeste werd in kruiken uit de rivier gehaald en boven opgeslagen in een stenen put. Omar stierf in 917. De enige vrije stad van de mozárabes bestond toen 37 jaar. Zijn zonen hielden dapper stand tot 928.

Uiteindelijk werd de vesting ingenomen door Abderramán III en verwoest; de bewoners werden verbannen. 

Wat wij zien, zijn resten van de muur en de kloosterkerk. In de ruïne van de laatste zijn duidelijk de (midden- en zij)schepen te herkennen. In een uitgevouwen muur zijn twee hoefijzerbogen te zien. Deze typerende vorm is van Visigotische oorsprong en de Arabieren namen hem over om deze in de mohammedaanse wereld te introduceren.

woensdag 1 augustus 2018

Dwars door Spanje (8); Casa Negrete Carratraca (b)


Na de siësta op zaterdagmiddag 23 juni, als de grootse hitte uit de lucht is, lopen we langs de Calle de Málaga omhoog verder het dorp in. Er moeten nodig lucifers gekocht worden. De pitten van het gasfornuis floepen alleen aan wanneer er een vlammetje boven gehouden wordt.

De straat waarin een mini-supertje verstopt zit, bezit de nodige allure. Er staat zelfs een vijfsterrenspa. En dit dorp zou aan de beademing liggen? 
Mijn vrouw stapt een imposante glazen deur binnen. Ik bezie buiten de imponerende gevel. Even later wordt er vanachter de spiegelende ruiten druk gezwaaid: we kunnen het waterpaleis gaan bezichtigen. Ik zeg de man achter de balie dat de aanwezigheid van dit riante oord mij verrast en me dwingt mijn (eerste) indruk van dit dorp bij te stellen. 

Een in het wit geklede assistente stelt zich voor en neemt ons mee voor een rondleiding. Nederlanders? Jazeker. Welnu, haar collega die boven is, heet Madelief en komt uit ... inderdaad.
Onze jonge landgenote kwam tijdens een stage in deze spa terecht en besloot er na haar opleiding te gaan werken. Ze neemt ons verder mee. En vertelt. 

De bron van het naar zwavel ruikende water ligt net achter het hotel. De Romeinen maakten er al gebruik van. Veel later ook de bewoners van dit dorp. Toen ‘het bad’ in handen kwam van een hotel uit Marbella, konden ze er niet langer voor een tientje terecht. Het werd een exclusieve gelegenheid. Later zouden we in het dorp verhalen horen over deze aankoop. Met vermoedens van corruptie en witwassen. 

Tijdens de rondleiding krijgen we een goed idee van de waterbehandeling die je hier kunt ondergaan. Weldadig voor lieden met bijvoorbeeld osteoporose en reuma. Zijn we toch zomaar doelgroep.
Prachtige dompelbaden in een neo-Romeins decor. We drinken een glas naar eieren ruikend water rechtstreeks uit de bron. Dorpelingen komen er dus niet meer. Op het moment dat wij er rondlopen, zijn er ook geen andere gasten te zien. We horen dat Carratraca tot wat jaren terug ‘swingender’ was. Met een casino, nachtclub en discotheek, bijvoorbeeld. Niet dat wij daarop zitten te wachten; ook die ‘magneten’ zijn er niet meer. Het dorp verschraalt inderdaad. Huizen staan te koop en die zijn relatief duur. Binnen de wet die het uiterlijk van dit witte dorp moet beschermen, mag er namelijk geen nieuwbouw plaatsvinden.
Vanuit het hoogste terras van de spa kijken we over de rode daken van het witte dorpje.
Daarna - voorzien van de nodige info - nemen we onder dankzegging afscheid van Madelief.

We zetten onze wandeling door het dorp voort en passeren daarbij een kolossaal gebouw in neo-mudéjarstijl. Het oogt dus Arabisch. Nu huisvest het gebouw gemeentehuis en VVV. Het werd als zomerresidentie neergezet door mevrouw Doña Trinidad Grund. Dezelfde dame als van de Cueva de Ardales gisteren. Het uitzicht bij dat voormalige zomerhuis op het dal is groots.

We komen uit bij restaurant El Punto. Waar we uitstekend eten, en de jonge dame die ons op onderhoudende wijze bedient, me met enige regelmaat onder het kletsen in de schouder komt knijpen. 

Waarom ik deze 'handtastelijkheden' zo nadrukkelijk moet vermelden in deze en de voorgaande blog? Ik converseer namelijk ook zo. Nog van mijn moeder geleerd. En ik heb de laatste tijd het gevoel dat ik in Nederland niet meer vrijuit kan spreken. Hier dus nog wel. Contact maken. Letterlijk.

Ik ga afrekenen. Inmiddels zit het terras vol localo’s: op tv staan de WK-voetbalteams van Duitsland en Zweden met 1 - 1 gelijk. Eerder had de jonge dame die nu de rekening opmaakt, me een aantal keren ‘caballero’ genoemd, een normale aanspreektitel in Spanje voor een ‘heer’. Op enig moment was ik over de associatie met dat sigarettenmerk begonnen, waarop ze reageerde met ‘Mijn vader zei altijd: ruiter zonder paard’. 

Ze legt de rekening neer terwijl ze haar pa nogmaals citeert. Ik antwoord met ‘Dit is de mop van de dag!’ Ze lacht zo klaterend dat slechts de toonbank tussen ons me ervan kan weerhouden om haar uitbundig in beide schouders te knijpen.


dinsdag 31 juli 2018

Dwars door Spanje (7); Casa Negrete Carratraca (a)


Met de twee voorgaande bezoeken zit ons ‘huiswerk’ er op. De volgende afspraak is op 6 juli in Zuid-Frankrijk, dus hebben we vanaf nu zo’n twee weken de tijd om richting Pyreneeën te rijden. We willen nog wat langer hier in de omgeving blijven en bij navraag blijkt het niet mogelijk om wat extra dagen te boeken in hotel La Garganta in El Chorro. Vol. Dus schuiven we zaterdag 23 juli 2018 rond het middaguur een dal op. Dit doen we door te rijden naar Casa Negrete in Carratraca. Tijdens dit zeer bochtige ritje van 20 minuten passeren we ‘hoofdplaats’ Ardales en de afslag naar de Cueva de Ardales waar we gisteren waren. Alles bij elkaar is het niet meer dan een boogscheut de berg over. 

Tot voor kort is er lange tijd veel regen gevallen in Andalusië. Vanmorgen las ik dat Nederland op weg is naar een droogterecord voor juni; misschien is er in dit deel van Spanje tijdens het voorjaar een neerslagrecord gevestigd. Het hemelwater was gisteren kort onderwerp van gesprek tijdens het bezoek aan de grot: binnen had het extra gedrupt.
Een voordeel van deze nattigheid is dat we tot nu toe door een ‘groen’ en bloemenrijk land lopen en rijden. Nog niet eerder zagen we met name Andalusië zo kleurrijk. Het uitgedroogde beeld zal ongetwijfeld nog komen. De hitte van 30°C en meer heeft zijn eerste week er bijna opzitten.

We parkeren in Carratraca en lopen omhoog de Calle de Málaga in. Hier moet het huis zijn dat we eergisteren via internet voor het weekend huurden. Veel mensen zitten in de deur. Onderweg vragen we naar la Casa Negrete, waar we dus twee dagen zullen verblijven. Drie vrouwen, twee voor de deur en een vanuit de auto, overleggen. De oudste loopt verder met ons mee, en knijpt tijdens het praten in mijn schouder.

We moeten op nummer 26 zijn, een voormalige slagerij, die nu te koop staat. Ze belt op 14 en we maken kennis met een mevrouw die de sleutel heeft. We danken onze gids. Inmiddels weet de halve straat dat we er zijn.
‘Uiteraard’, verzekert de dame die voor ons het huis op 26 opent. ‘Het is een klein dorp en ieder kent elkaar’.

De slagerij is al een tijdje dicht; het dorp loopt langzaam leeg. ‘En dan ligt dit nog dicht bij de snelweg! We tellen 400 inwoners, waarvan de meeste oud zijn’, weet de sleutelhoudster.
‘Daar passen wij dan mooi bij’, merk ik op.
‘Ga toch weg’
‘Echt waar. 70 is toch ook oud’
‘Ik word binnenkort 70’, voegt mijn vrouw toe’.
De jonge vrouw lacht, knijpt in mijn arm en zegt dat wij nog niet tot die categorie behoren. Waarschijnlijk bedoelt ze tachtigers, want die hebben we aardig wat gezien tijdens onze loop omhoog.
‘En uw kinderen (ze heeft er twee)?’, vraag ik.
‘Die gaan ook weg als ze groot zijn’.

De woning van oude slagerij kan een omvangrijk gezin herbergen. We moeten oppassen dat we hier binnen niet verdwalen de komende dagen. Vanaf het hoog gelegen platje waar al na een uur onze was in de flinke wind wappert, hebben we een magnifiek zicht op de bovenkant van dit witte dorpje en de bergen van dit deel van Andalusië.

Ik doe terwijl dat mijn vrouw de was doet, boodschappen in Ardales; daarna kunnen we gaan lunchen.

Inmiddels heb ik binnen de muren goed bekeken: alle werken die we thuis van de kunstenaar Geert de Bruijn bezitten, zouden hier ruimschoots kunnen hangen en staan. Da’s een vast ritueel (‘Zou ik hier kunnen wonen?’) bij een plek die ik aardig vind. De vraag is of dit dorp zit te wachten op de komst van nog meer ‘ouderen’.